Uit het kerkelijk leven
De Volkskerk en de Gereformeerde Bond.
Uit onze vorige artikelen is reeds gebleken, dat wij de oplossing van het kerkelijk vraagstuk in geen geval zoeken willen in den weg van oplossing der Hervormde Kerk. Wij hebben daar tevens uiteengezet, waarom dit middel ons zoo bedenkelijk schijnt.
Eén vraag is daarmee dan beantwoord. Maar wij ontveinzen ons niet, dat er nog tal van onbeantwoorde vragen blijven; ja, dat door dit antwoord nieuwe vragen opkomen. Niet langs dezen weg, langs welken weg dan wel?
Want ook met het naast elkaar plaatsen van volkskerk en belijdeniskerk zijn wij er niet. Zal die volkskerk geen belijdenis hebben? Reeds in no. 12 hebben wij met nadruk de opvatting der Modernen verworpen; een kerk, die principieel begeert, allerlei verkondiging binnen haar grenzen toetelaten en te bevorderen, willen wij zeker niet. Maar het belijdend karakter der kerk willen wij ook niet handhaven door machtsmiddel.
Wat dan?
Wij stellen ons voor, in een afzonderlijk artikel weldra deze vraag uitvoerig te bespreken. Maar een andere vraag komt daarnaast op. Het is deze: hoe wij ons de houding van den Gereformeerden Bond tegenover de volkskerk denken en wenschen. Deze Bond beoogt: „verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk." En wie een oplossing van het kerkelijk vraagstuk zoekt, moet dus ook tegenover dit streven zijn standpunt bepalen. Maar dat standpunt hangt natuurlijk mede af van de wijze, waarop die Bond zich tegenover anderer strevingen stelt. Ons artikel over de Positie der Hervormde Kerk is in het orgaan De Waarheidsvriend overgenomen; maar is voorzien van een onderschrift, dat ten deze geen licht geeft. Het wekt het vermoeden, dat de redactie de Gereformeerden uit verschillende kerken mei wil vereenigen tot een Gereformeerde belijdeniskerk naast de voortbestaande Hervormde Kerk. Wil men de Hervormde Kerk dan vervormen tot een belijdende Gereformeerde Kerk — „gereformeerd" in den eenzijdigen zin, daaraan gehecht door den Bond? Hoopt men, dat de buiten die kerk getreden Gereformeerden dan wederkeeren zullen? Wil men allen, die niet in eenzijdigen zin Gereformeerd ziijn, zien uittreden of doen weggaan? Wil men — met onze woorden in no. 13 — een Gereformeerde Kerk, die de traditie heeft èn het formalisme?
Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen; want dan is de vraag niet te beantwoorden, hoe de breede weggezakte volksmassa zal worden bewerkt met het Evangelie. Zeer velen willen de enge vormen niet, die daar worden gepropageerd; zeer velen willem de speciale voorstelling des Evangelies niet, die daar uitsluitend wordt gegeven. Moeten die dan ongeholpen omzwerven? Of moet voor hen een nieuwe, milder geleide Kerk zich vormen, die dan zoo heel zware taak zal hebben, omdat zij het verlorene zoeken wil — maar waaraan men het groote middel van de „traditie", van den band met de volkshistorie ontnam?
Wij zouden gaarne een antwoord hebben.
En geven, in afwachting daarvan, reeds thans ons eigen ideaal.
Dit wordt bepaald door onzen blik op de verhouding der richtingen en groepen en overtuigingen onderling. En deze wordt bepaald door ons inzicht in het Evangelie.
Wij gevoelen zeer sterk den overgrooten rijkdom en de onoverzienbare veelzijdigheid daarvan. Wie zal bekennen èn de lengte èn de breedte èn de diepte èn de hoogte; wie bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat? Daarom wordt zij alleen in vereeniging met al de heiligen verstaan! Ef. 3 : 18, 19. De verschillen onder de belijders van den Christus vinden hier hun oorsprong. En deze verschillen zijn dus even zooveel aanduidingen daarvan, dat elke persoon of groep of richting vooral door één deel van deze onzegbare grootheid is aangegrepen. En dat dus allen noodig hebben ter aanvulling van hetgeen men bezit en' beleeft, ter correctie van hetgeen men in eenzijdigheid scheef trok. Allen allen. Dan zal de kerk als geheel het dichtst gebracht zijn bij het doorleven van de veelvuldige wijsheid Gods.
Daaruit volgt, wat wij van onze kerk begeeren. Dat daar alleen de prediking van den Christus als Zaligmaker klinke. Maar deze prediking dan ook zoo veelzijdig, als het kan.
Wij zouden dus — om nog eenmaal die namen te noemen — de confessioneelen en gereformeerden willen houden binnen de kerk, maar evenzeer de belijders van den Christus, die deze namen niet dragen.
Ziedaar ons principieele, zeer ruime en tegelijk zeer duidelijke standpunt.
Maar dit standpunt doet éen voorwaarde stellen. En dat met grooten ernst.
Deze voorwaarde: dat gelijk wij anderen beschouwen en behandelen als broeders, volkomen gelijk berechtigd met ons, de anderen ons zullen beschouwen en behandelen als broeders, volkomen gelijk berechtigd met hen.
Natuurlijk!
Ons standpunt is zeer ruim; zóo ruim, dat menschen met bekrompen blik zich daarin niet zullen kunnen indenken en ons onbelijnd zullen noemen; allicht zelfs verzekeren, dat wij van onze eigen overtuiging niet eens ten volle overtuigd zijn. Wij zullen dat rustig laten zeggen: tegen een dergelijk domme uitlegging van wat wij willen staat redeneering machteloos. Maar al zijn wij ruim, wij zijn niet slap en gevoelen ons niet zwak en zijn niet tevreden met een bestaan, dat men ons vriendelijk voorloopig wil vergunnen. Wij eischen ons recht, om er te zijn, precies zooals wij zijn. Wij gunnen gaarne plaats aan die b.v. één of geen gezang laten zingen, mits zij ons van harte plaats gunnen terwijl wij nieuwe gezangen laten zingen. Mits men de liturgische vragen als vragen van liturgie en smaak behandelt, niet als vragen van principe; niet dus ons minder echt of minder vol of minder betrouwbaar noemt alleen reeds, omdat wij een andere liturgie gebruiken.
Want zoo laten wij ons niet stempelen! Wij gunnen gaarne plaats aan wie in het probleem: verantwoordelijkheid der menschen èn vrijmacht Gods een endere zijde naar voren brengen dan wij. Mits men ónze voorstelling even juist en even onmisbaar acht als de eigene.
Want wij laten ons niet tot halven of ondiepen of minder-ingeleiden stempelen!
Natuurlijk niet.
Is nu ons ideaal ook het ideaal van den Bond?
Of is zijn ideaal, dat èn de liturgie èn de voorstellingswijze van den Bond alleen heerschend worden in de Hervormde Kerk?
Indien het laatste waar is, dan beduidt dat: strijd.
Strijd; — hoe zwaar het ook is, tegen belijders de wapenen op te nemen.
Toch strijd; want wij zijn ruim van hart, maar plegen geen zelfmoord.
En dat weder niet, omdat wij met een zekere hoofdigheid nu eenmaal niet verkiezen onder den voet geloopen te worden. Maar veel hooger en zuiverder — omdat het verdwijnen van de Evangeliebediening, zooals wij die verstaan, even groote schade zou beduiden voor Gods Koninkrijk en voor ons volksleven als het verdwijnen van iedere andere.
En die schade mogen wij niet aanbrengen.
Maar het behoeft niet te komen tot dien strijd.
Aan het geweten van de Gereformeerden, die daarhenen streven, leggen wij de vraag: hoe zij zich dan de Evangelisatie van de volksmassa denken.
Gaat die hun niet aan? Bekommeren zij zich niet om de schare? Indien wèl, dan moet immers van tweeën één door hen gekozen worden; of voor zich zelf huiveren van een Kerk, zoo ruim als wij die schetsen, maar haar voor het volksgeheel noodig achten en dus die Kerk laten bestaan, maar zelf daar buiten treden — óf zulk een Kerk ook van harte lief hebben en dienen, maar dan ophouden met den strijd tegen broeders, het evangeliseeren naast broeders, het óntrouw-stempelen van broeders.
In één Kerk met elkaar. Of in twee Kerken naast elkaar. Niet in één Kerk tegen elkaar.
J. R. SLOTEMAKEK DE BRUINE.
Bovenstaand artikel werd door Dr. Slotemaker de Bruine geschreven in de Nederlandsche Kerkbode van 20 Juli jl. en ons door den schrijver toegezonden.
Wij nemen het gaarne in „De Waarheidsvriend" over en willen er D. V. over een paar weken een antwoord op geven, wanneer we weer in onze woning zijn teruggekeerd.
't Schijnt den schrijver nog nooit opgevallen te zijn dat de Herv. Kerk, zooals die nu is, gansch krachteloos en machteloos is.
Alles, alles wordt haar uit de handen genomen. Niemand rekent met haar, omdat zij zichzelf machteloos en krachteloos gemaakt heeft.
Men weet niet wat men aan haar heeft. Haar woord is zoo onvast, haar wandel gaat zoo hér-en derwaarts, haar voorgangers spreken zoo verschillend, haar kerkelijke organen werken niet, haar kerkelijke vergaderingen bestaan niet.
Maar de schrijver heeft dat nog nooit opgemerkt, naar 't schijnt.
Zooals het nu is gaat het prachtig in het midden van ons volksleven, dat zoo veelvoudig en zoo veelvormig is!
En dat de Gereformeerde Kerk aangelegd is door beginsel en door levensopenbaring, om een licht op een berg te zijn en een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van de natie, schijnt hij ook niet te weten.
Hij vindt het zelfs „dom", om het ook maar een oogenblik te veronderstellen, dat de Gereformeerde Kerk wat beteekenen kan voor het breede volksleven.
Immers is de Gereformeerde Kerk een in-zichzelf-opgesloten gezelschapje, waar men niet weet, dat er een heidenwereld is, waar' men niet weet dat er Joden en Mohammedanen zijn; waar men niet weet, dat er een breede volksmassa is in heggen en steggen, dat er kinderen, jongelingen en jongedochters zijn, die de prediking des Evangelies, onderwijs naar de Schriften en geestelijke leiding noodig hebben; dat er krankzinnigen, dooven en blinden zijn, die moeten worden verpleegd en geholpen; dat er gevallenen zijn die moeten worden aangegrepen en gesteund.
Niets, niets weten die Gereformeerden in hun Geref. Kerk van deze dingen!
En natuurlijk doen zij er dan ook niets voor. Althans volgens Dr. Slotemaker de Bruine! We staan verbaasd over dat alles.
Dat een geleerd en zoo hoogstaand man, die zich in het midden van het volk beweegt, nóg niet geleerd heeft, dat in Nederland de Gereformeerde Kerk, zooals de Geref. Bond zich die denkt, de eenige Kerk is, die het vertrouwen der natie heeft en de eenige Kerk die in Holland wat kan uitvoeren, bevreemdt ons. Wij, voor ons, zijn er van overtuigd tot in hart en nieren.
En daarom is ons streven ook, dat onze Ned. Herv. Kerk niet „ver"vormd wordt tot een belijdende Gereformeerde Kerk — want de Ned. Herv. Kerk heeft nooit anders tot belydenis gehad dan wat onze gereformeerde belijdenisschriften inhouden — maar dat zij zich ook gaat openbaren zooals zij altijd had behooren te zijn: een belijdende Gereformeerde Kerk.
Historisch is het te bewijzen dat al de pogingen om haar „ruimer" enz. te maken, oneerlijke handelingen zijn geweest, waarbij men altijd met twee monden heeft gesproken, éenerzijds: 't blijft de Geref. Kerk en anderzijds: we moeten niets van die Geref. waarheid hebben.
En dat is de oorzaak dat onze Ned. Herv. Kerk op dit oogenblik „de zieke man" is, waar eigenlijk niemand rekening mee houdt, en die alleen weer zal gaan meetellen als zij gaat zeggen: ik wil zijn wat ik zijn moet, de belijdende Gereformeerde Kerk van Nederland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's