De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Kerkelijke opleiding.

Over de opleiding van de aanstaande dienaren des Woords in de Ned. Herv. Kerk is het laatste woord nog niet gezegd.

't Wordt hoe langs hoe meer duidelijk dat de tegenwoordige toestand niet kan en niet mag voortduren. Er moet verandering komen. En wel vooral hierin, dat de kerk zelf zich de opleiding van hare eigen leeraars meer gaat aantrekken. Waaraan vooraf moet gaan, dat de Kerk zelf zich meer bekommeren over haar eigen belijdenis.

Wat nu de zaak van de opleiding van de aanstaande dienaren des Woords in de Ned. Herv. Kerk betreft, laat Ds, Eringa van Woerden in „de Geref. Kerk" een toon hoeren, dien we, eerlijk gezegd, van die zijde in 't geheel niet verwacht hadden,

't Is voor ons daarom des te belangrijker, 't Gaat over de vraag wie hier een taak heeft: de Kerk of de Overheid, 't Gaat dus eigenlijk over art. 36. En dan is 't eigenaardig om een man van art. 36 te hooren beweren.

Ds. Eringa zegt dan, naar aanleiding van de benoeming van Dr, A. Noordtzij tot professor te Utrecht:

Hoe dit alles ook zij, de Herv. Kerk heeft het zeker ook bij deze benoeming weer ervaren, dat er met haar en hare belangen door dit Kabinet weinig of in 't geheel niet gerekend wordt. En daarom wil het ons voorkomen, dat de Herv. Kerk zich de opleiding harer aanstaande Leeraars beter heeft aan te trekken, dan zij het tot nog toe heeft gedaan, sinds de nieuwe wet op het Hooger Onderwijs. Vooral bij deze benoeming heeft men het laten voelen, dat de Regeering, bij benoemingen van Hoogleeraren voor de Theol. Faculteit, volstrekt niet behoeft te rekenen met die opleiding. Volgens de wet op het H.O. mag zij alle leerstoelen der Theol. Faculteit wel door mannen buiten de Herv. Kerk laten bezetten.

Naar de letter der wet valt daartegen natuurlijk niets te zeggen, maar daarom komt het ons voor, dat het benoemen van twee kerkelijke Hoogleeraren, ter aanvulling van de Theol. Faculteit aan onze Rijks-universiteiten, slechts een halve maatregel is geweest. Men wilde toen geen Theol. School van wege de Herv. Kerk oprichten. De opleiding der Leeraars zou te eenzijdig, te eng kerkelijk, niet universeel genoeg zijn. Uitnemend ! maar had men van wege de Herv. Kerk geen Universiteit kunnen stichten, in verband ook met die Kerk ? Zou de Ned. Herv. Kerk niet hebben kunnen doen, wat in 1880 door particulier initiatief is gedaan, toen de Vrije Universiteit werd opgericht.

Men heeft het niet gedaan, mogelijk ook wel om de ontzachlijke kosten hieraan verbonden. Men heeft overal twee kerkelijke Hoogleeraren benoemd ter aanvulling, met het oog op de opleiding der aanstaande predikanten.

Zóo meende men voldoende vanwege de Herv. Kerk gezorgd te hebben voor de opleiding der Leeraars, die straks de Keik zouden dienen. Gewoonte bleef het tot nog toe, om van Regeeringswege er rekening mede te houden, dat aan onze Hoogescholen in de theologie studeerden uitsluitend aanstaande Hervormde predikanten. Maar als men daarmede nu eens hoe langer hoe minder rekening gaat houden, hoe dan? Protesteeren tegen benoemingen die reeds geschied zijn baat niet veel. En zoo er van Regeeringswege al Hervormde Professoren worden benoemd, die toch feitelijk blijken heel geen hart meer voor de Hervormde Kerk te hebben wegens hun anti-revolutionair politiek standpunt, wat toch ook mogelijk is, dan geeft zoo iets waarlijk ook niet veel.

Zou het daarom, ook naar aanleiding van de benoeming van Dr. Noordtzij, geen tijd worden, dat de Herv. Kerk overging tot een betere regeling van de opleiding harer aanstaande predikanten? Waarom in het centrum van 't land bijv. te Utrecht geen eigen Theol. Faculteit ingericht voor de aanstaande predikanten der Herv. Kerk, uitgaande van die Kerk en staande naast die van 't Rijk? Natuuilijk kon rekening gehouden worden met sommige vakken, die voldoende gedoceerd werden door 's Rijks Hoogleeraren, terwijl aan het aantal vakken door de kerkelijke Professoren te onderwijzen mogelijk uitbieiding kon worden gegeven. Zijn er al geen stemmen opgegaan, om de aanstaande predikanten meer op de hoogte te brengen met de sociale vraagstukken ?

Deze, door de Herv. Kerk op éene plaats des lands geïnstitueerde Theol. Faculteit zou dan dus aanvulling en uitbreiding kunnen zijn. Het kon voor de Theol. Studenten verplichtend blijven gesteld gelijk nu, om eerst aan 's Rijks Universiteit de Kandidaatsbul te halen. In de eerste drie studiejaren bleef dan de opleiding universeel, terwijl ook de omgang met studenten van andere faculteiten niet werd belemmerd en aan het hooren van Professoren van andere faculteiten ook niets in den weg stond. De laatste twee of drie jaren zouden deze theologen dan meer speciaal kunnen worden opgeleid als aanstaande Leeraars der Herv. Kerk. 't Zou o.i.ook geen kwaad kunnen, dat zij zich gaandeweg wat meer onttrokken aan de studentenwereld in het algemeen, om eens wat meer rekening te houden met het hooggewichtig ambt, dat hun wacht. Doordat dan alle aanstaande predikanten op  ene plaats studeerden, waartegen in ons kleine landje bij tegenwoordige reisgelegenheden geen enkel bezwaar meer is, zouden zij in die laatste jaren nog ruim voldoenden omgang met medestudenten hebben. Het zou dan volstrekt geen klein clubje zijn. De opleiding zou er zeker bij wisnnen, want men liep geen college meer bij twee, zegge twee, kerkelijke Hoogleeraren, maar bij meerdere en daarenboven kwamen alle aanstaande Leeraars veel meer met elkander in aanraking, dan wanneer aan drie Universiteiten overal een kleinere, soms zeer kleine groep, theologen wordt gevonden. Ook zou op deze wijze als van zelf het examen voor 't Prov. Kerkbestuur veel vereenvoudigd kunmen worden waarvoor reeds meerdere stemmen zijn opgegaan. Jongelieden, die door de kerkelijke Theol. Faculteit bevoegd waren verklaard voor het predikambt, zouden voor het Prov. Ressort nog een soort peremptoir examen kunnen moeten afleggen, maar dan ook daarmee uit.

Hoe dit alles ook zij, wij gelooven, dat de Ned. Herv. Kerk, vooral ook met het oog op de toekomst, niet rustig zich bij 't bestaande kan en mag neerleggen, wat de opleiding harer Leeraars betreft. Mogelijk komt deze zaak in de Synode op de eene of andere wijze ter sprake naar aanleiding van 't adres van Dr. Gheel Gildemeester c.s.

Waar Ds. Eringa hier zoo kalm door redeneert, mogen we niet verzwijgen, dat de Hoofdredacteur Dr. J. Schokking aanstonds een aanteekening maakt en wel deze: Waar de geachte schrijver van het bovenstaande hier en in het verdere gedeelte in een beschouwing treedt over een andere wijze van inrichting van het Hooger onderwijs ter opleiding van de aanstaande predikanten der Herv. Kerk, zij het ter voorkoming van misverstand opgemerkt, dat die geheel voor zijn rekening blijft,

Onze Zendingsdag.

In het Gereformeerd Weekblad schrijft Dr. de Lind vanWijngaarden, voorzitter van den Geref. Zendingsbond het volgende over onzen Zendingsdag te Driebergen:

Den 1sten Augustus hebben wij weer den Zendingsdag gehad van den Gereformeerden Zendingsbond. Er waren zeer veel bezoekers. Het weder bleef voor dit doel zeer gunstig. Schier allen hadden op regen gerekend. Onze vrees werd beschaamd. Wij konden natuurlijk niet alle sprekers hooren. Dat is de schaduwzijde van twee spreekplaatsen. In »Alle den volcke« zal een verslag gegeven worden van hetgeen gesproken werd. Een kort uittreksel. Ieder jaar wordt de regeling beter. De commissie blijkt steeds meer berekend voor haar taak.

Moge er nog een zegen gevallen zijn voor eigen hart. De Heere is vrij. De een zal wat wegdragen, de ander ledig heengaan. Het is zulk een groote zaak, als ook onze ziel iets van de hemelsche gaven smaken mag. Men kan op zoo'n dag zoo dor en dood zijn. Men kan ook zoo somber gesteld zijn. Men kan ook wel eens vragen-bij het gezicht van die groote menigte; "Hoevelen zullen er nu zijn, die verstaan, dat de waarheid ook waarheid in ons binnenste moet worden!« Men kan ook wel eens vragen of de Gereformeerde Bond zélf wel in de oude paden zal blijven wandelen? Men ziet zulke dingen zoo vaak geschieden. Hoeveel zinkt er weg, glijdt er af! Dat gaat niet met éen sprong, maar langzaam, heel langzaam. Eerst de verbondsleer! De leer der veronderstelde wedergeboorte. Of ook alleen de voorwerpelijke waarheid! Van de zielsondervindingen wil men liever niet hooren. En eenmaal op dien-weg, dan glijdt men verder. En zoo gaat het voort. Dat is de geschiedenis van menige vereeniging. Zoo moge het met den Zendingsbond niet zijn. Dat verhoede de Heere'.

Het was voor velen aangenaam om den jongen zendeling-aspirant te mogen hooren. Hij worde gesteld tot een zegen voor velen. En als hij het volgend jaar uitgaat, als de Heere wil en zooals wij hopen, dat hij dan gaan moge om den heidenen te doen hooren hetgeen zijne eigene handen getast en zijne eigene oogen gezien hebben van het woord des levens.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's