Stichtelijke overdenking.
Indien iemand Mijne stem zal hooren en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij. Openb. 3 : 20b.
Ik zal inkomen.
Het Woord des Heeren zegt: „die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn." Dus, zal de prediking van verlossing ingang vinden, zoo moet eerst de breuke worden blootgelegd. Vandaar is het o zoo gevaarlijk om de breuke van de dochter des volks op het lichtste te genezen.
Het moge in den beginne gemakkelijker zijn om te dragen, het loopt uit op algeheelen ondergang. Wanneer het ons waarlijk te doen is om van de ellende verlost te worden, zoo zullen we tot den geneesmeester moeten zeggen: „spaar me niet." De wortel van het kwaad zit tot op den bodem, 't Gansche hoofd is krank, 't gansché hart is' mat, van den voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve. Vergeet nooit, lezer, een heele Christus past voor een heelen zondaar.
Weet ge waar de verleider altijd op uit is? Om het zóó voor te stellen, dat aan gevaar niet behoeft gedacht. Wanneer hij een zondaar ziet schrikken voor Gods heilige Wet, is dit het eerste wat hij aanvoert: „er zijn er nog veel erger, het is met u gansch niet gevaarlijk."
En o, daartoe leent de mensch zijn oor zoo gaarne.
Christen — in Bunyan's christenreize — was al uitgetogen, doch waarin verstrikt hij zijn voet? in het net, dat de verleider hem spande. Het werk van de vleiende lip: hij raakt heelemaal verward.
Gelukkig dat er iemand nadert. Deze zal hem bevrijden. Doch let nu eens op zijne hand; daarin is een geesel van touwkens.
Dien Ik liefheb; bestraf en kastijd Ik, zegt de Heere. De breuke moet ontbloot, opdat de balsem indroppele.
Wanneer we een voorbeeld moesten zoeken om aan te toonen, hoe de Heere handelt met Zijn volk, zoo zouden we onwillekeurig de hand leggen op wat ons beschreven staat in Openb. 3.
Daar komt de Heere tot de gemeente van Laodicea en ziet hare inzinking, wat ze is en wat ze doet.
Wordt nu de mantel er over uitgespreid? O neen. Ik weet uwe werken, dat gij noch koud, noch heet zijt. Noch koud, noch heet. Ik zal u uit Mijnen mond spuwen. Want gij zegt: ik ben rijk eu verrijkt geworden en heb geens dings gebrek en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt.
Hier ziet ge den hemelschen Medicijnmeester in handeling met Zijn kranke gemeente.
Het kleed, dat eigenwaan heet, wordt van de schouders getrokken. Daar schuilen de krankheden onder: ellende, jammer, armoede, blindheid en naaktheid. Daar liggen haar gebreken: verdiend om uitgespuwd te worden.
Maar nu komt de genezende hand er dadelijk bij: Ik ontbloot niet dan om te heelen: Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, van Mij koopt kleederen, van Mij koopt oogenzalf. En de prijs daarvoor is: niets, om niet. Ik wil het u geven. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, en indien iemand Mijne stemme zal hooren en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen ....
„Indien iemand Mijne stem zal hooren en de deur opendoen."
Op den klank afgaande, heeft de Remonstrant uit vroeger en later tijd het nog zoo ver niet mis, als hij zegt: in den mensch bleef dus nog wel iets over, hij kan toch — het staat hier — nog hooren en opendoen.
Hooren veronderstelt immers een geopend oor, en opendoen zegt niets minder dan voeten om te gaan en handen om open te sluiten.
Waarde lezer, dan is het woord „iets over" veel te zwak. Zou het dan niet beter zijn om te zeggen: hij heeft nog alles ongerept? Dan is 's menschen val dus verbeelding en geen werkelijkheid?
O, bittere ironie !
Nu ja, zegt er een, ge leidt uit onze woorden te veel af. Wat we bedoelen is dit: wanneer de Heere aan de harten klopt, dan moet de mensch, die de stemme hoort, opendoen. We meenen het aldus: God en de mensch werken tegelijk. De mensch kan nog hooren en, als hij wil, opendoen. Als de Heere nu maar roept, dan doet hij - de mensch - 't zelf.
Oogenschijnlijk hetzelfde wat een neger eens zeide. Op de vraag hoe hij, die vroeger als een losbandig iemand bekend stond, tot bekeering was gekomen, gaf hij dit antwoord: „God deed wat en ik deed wat."
De beide ouden, die hem onderzochten, zagen elkander eens aan, terwijl de een opmerkte: „Zoo hebt hij ook iets gedaan? Ge hebt den Heere dus een handje geholpen? "
„Neen, mijnheer", was het antwoord, „Gods hand had mij gezocht, reeds voor lang en, terwijl Hij mij riep, bood ik niet dan tegenstand, mijn geweten op den mond slaande, tot Hij mij eindelijk te sterk werd en overmocht."
Deze voormalige heiden wist dus, dat God den mensch zoekt. Hij is de eerste en Hij is de laatste. Als de mensch iets doet, is het niet dan tegen.
„Ik ben gevonden", zegt de Heere, „van hen, die naar Mij niet vraagden. Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten. Ik heb Mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk."
Och, maak het een hongerige ziel maar eens wijs, dat ze den Heere moet opendoen. Zij zal u tegen voeren: „ik deed niets liever dan dat, doch mijne voeten weigeren den dienst en mijne hand is met verlamdheid geslagen. Ik kan niet, omdat ik mijn gansche wezen tegen heb."
Nu ja, zegt ge, ik geloof ook wel, dat dit de waarheid zal zijn, maar hoe zit het dan? Hier. staat toch: „indien iemand hoort." Houd dit vast, lezer, begin met het begin. Indien iemand hoort, is het oor geopend, dan is het harte opmerkende gemaakt, dan is er ontsluiting van binnen, m. a. w. dan ritselt er nieuw leven. En wanneer dit vooraf gaat, zal het andere moeten volgen, dan komt het vanzelf tot een opendoen.
Een beeld uit het natuurlijke leven kan gebruikt tot verduidelijking. Als een zaadkorrel daar beneden in de aarde — wat uw oog niet ziet en niet zien kan — door kiemkracht is verbroken, zoo komt er straks noodwendig eene breuke in de aardkorst, er komt opening naar boven. Het moet.
Nu zoo is het ook, als de Heere door Zijn Geest den dooden zondaar in zijn graf heeft toegesproken. Dan komt daar leven, dan komt daar hooren. Het mag eerst nog wonderlijk gaan, evenals bij een kind, dat moeders stem hoort, het hoofd wendt haar overal zoekend. Straks duidt de blijde glimlach aan dat er één liefdeband is tusschen die twee, dat er één leven ritselt in beider boezem.
't Mag wonderlijk schijnen en dat is het ook — maar niettemin waar. Jesaja profeteert er van in hoofdst. 29, dat dooven zullen hooren en de oogen der blinden zullen zien. Ja, hoort het Woord des Heeren: voorwaar, voorwaar zeg Ik u, de ure komt en is nu, dat de dooden zullen hooren de stem van den Zone Gods en die ze gehoord hebben zullen leven."
Gij begrijpt zulks niet — 't is ook niette begrijpen, 't Gaat alle begrip te boven. In het roepen van den Heere ligt de levendmakende kracht. Als Hij roept: Lazarus, kom uit, dan verrijst hij, die dood was.
Alzoo gaat het iederen zondaar, wien de Geest Gods het nieuwe leven indraagt door het Woord Gods. Verlies dit nooit uit het oog, lezer, anders loopt ge gevaar in eigendunkelijkheid u te verliezen.
De Heere. roept door Zijn Woord. En wat nu enkel en alleen mag toegeschreven aan Gods vrijmachtig welbehagen, die stemme trilt dan, als een pijl gedragen van den boog, in het verborgen — zoo wringt zich het Woord des Heeren in het harte van 's Kónings vijanden. Zij worden door Zijne hand geraakt.
Daar komt., bewustzijn van Ieven, hij hoort. Waar tevoren geen aandacht aan gegeven werd, niet in het minste, daarvoor is nu het oor open, elk geluid plant zich voort. Daar trilt in door de prediking van Gods heiligheid: de wet. Er komt een heilig vreezen. Ik heb Gods wet overtreden, ik heb den dood verdiend, den eeuwigen dood. Doch Gode zij dank, hier houdt het niet op, daar komen ook nog andere klanken. Voor een heelen zondaar kwam een heele Christus. Wie niets overhield dan schuld hoore: wendt u tot Mij en wordt behouden: het Evangelie.
En nu wordt daar van binnen een strijd gestreden, bij den een langer en heviger dan bij den ander, maar zonder strijd gaat niemand in, ook niet de Heiland in het zondaarshar te. Evenwel Hij gaat in. De overgave — want anders wil 't niet zeggen: „opendoen"— wordt doer den Heere bewerkt. Dat zondige hart geeft zich over op leven en dood. En daarin, in dat zwarte donkere hart kiest Hij zich een zetel. Hij neemt het tot een woonstee.
Hij komt in, om Avondmaal te houden. De schoenriem moet thans ontgespt, lezer.
We staan hier op heiligen bodem. We treden in het allerinnigste teederste leven van Gods kinderen.
Inkomen wil niets minder zeggen dan een koninklijke intocht in een ziel, die met al haar hebben en zijn zich overgeeft.
Hij, Die buiten stond en klopte, voor Wien daar binnen geheel geen sympathie, wel het tegendeel: vijandschap werd gevonden, want een ander zat daar op den troon. Hij kwam toch binnen, wijl Hij de Machtige bleek. Hij plant daar een ongekend iets: een nieuw leven, en ziet, dat nieuwe leven dat gaat naar den hemel uit. Laat mij zeggen: de Heere en Zijn eigen planting reiken elkander de hand. Christus geeft zich in Zijn overtuigende liefde en de zondaar verliest zich in volkomen overgave, hij raakt zich kwijt. Ze vallen elkander in de armen de schatrijke Christus en de doodarme zondaar.
Dat is het heerlijkste wat ooit een zondaar kan te beurt vallen. Geen koning won zulk een rijk, geen bruidegom zulk een bruidschat. Dat te ervaren gaat schier het vermogen van een mensch te boven. Ik ben van Hem en Hij is van mij.
De Heere wil inkomen.
De Schrift geeft hier ook weer zoo kostelijk juist de volgorde der dingen aan.
„Ik met hem Avondmaal houden", gaat vooraf, dan volgt: „hij met Mij." Al is de hoedanigheid van genieten dezelfde, toch is hier verschil in mate.
Wanneer we u met een bijbelsch voorbeeld mogen voorlichten, zoo brengen we u in het paleis van koning Ahasveros. Esther heeft den koning te gast — het is het Avondmaal, .het feestmaal van haar. De bokaal wordt rondgediend. Wat een eere, welk een blijdschap ! De man, die haar leven in zijne hand heeft, zoo nabij zich te hebben, 't Is iets groots uit zijn mond te hooren: „begeer wat ik u geven zal, al is het ook de helft van mijn koninkrijk." 't Is veel, ontroerend veel, maar ach, lezer, wat is dit alles nog in vergelijking met dat moment, wanneer de booze Haman is uitgeworpen en zij in koninklijke armen wordt binnengedragen in 's konings paleis.
Brengt dit nu over.
Noem het eerste het avondmaal dat de koning heeft bij haar, dan wordt het laatste het gastmaal dat zij heeft bij Hem.
Hoe vaak wordt, omdat de booze zulk een machtig tegenstander blijft en het vleesch zoo gewillig, het samenleven met den Heere verbroken. Dan moet Hij wijken, daar de zonde wordt aangehaald. Doch straks wordt het anders. Dan haalt Hij, de Koning, haar de bange ziele, thuis bij zich, voor eeuwig.
Zalig, wie Zijn woord hoorde en de deur opendeed.
Driewerf zalig die het zeggen mag: Hij kwam bij Mij binnen. Ik word straks" bij Hem binnengehaald, voor eeuwig.
Ik zal in Uwe tent verkeeren.
Heer' der heeren,
Voor'Uw oog in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's