De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

13 minuten leestijd

Af!

In de zitting van 26 Aug. 1911 was door de Synode een commissie benoemd om eens te overleggen, hoe de Synode op een andere wijze zou kunnen worden saamgesteld dan nu het geval is en dienaangaande een voorstel te doen.

De commissie bestond uit de heeren H. H. Barger, Dr. A. van der Flier, D. Eilerts de Haan, Dr. P. J. Kromsigt en O. Schrieke.

We hadden van deze commissieleden de verwachting, dat ze het niet eens met elkaar zouden kunnen worden en dat er wel meer dan éen voorstel zou worden geboren.

Gedeeltelijk is die gedachte vervuld; maar toch niet zóo als we hadden gehoopt.

Onze overlegging was n.l. dat Dr. Kromsigt een.zelfstandige nota bij het rapport der commissie zou voegen, waarin eens een volledig model van een Gereformeerde Kerkeorde zou zijn gegeven.

Maar dat is niet gebeurd.

Er zijn twee voorstellen gekomen, zooals er reeds meer voorstellen zijn geweest.

Om het aantal leden Ter Synode uit te breiden en het meer te doen in evenredigheid met de grootte van de provincies, zoodat b.v. Z. Holland méér leden zou afvaardigen dan Drenthe.

Volgens het eerste voorstel zou b.v. Z.Holland met méér dan 700.000 gemeenteleden ook 7 leden benoemen (5 predikanten en 2 ouderlingen).

Noord-Brabant met Limburg en de Waalsche Commissie met elk minder dan 100.000, gemeenteleden zouden ieder 1 lid benoemen.

Volgens het tweede voorstel zou de Synode samengesteld zijn uit 14 predikanten en 7 ouderlingen (21 leden). Z. Holland zou hierbij 6 leden afvaardigen, Friesland, Groningen, Overijsel b.v. te zamen 5 leden (3 predikanten en 2 ouderlingen).

Maar ... geen van beide voorstellen mocht genade vinden in de oogen van de Synode. En de commissie kreeg een uitbrander, dat zij zoo weinig werk gemaakt had van haar opdracht. De Synode had iets gansch anders verwacht. Dat meer met de bezwaren gerekend zou zijn en meer moeite zou zijn gedaan om tot een goede oplossing te komen.

Iets, wat we de Synode moeten toegeven; want wat de commissie nu in een jaar heeft geproduceerd, kon door één mensch op een regenachtigen achtermiddag óok zijn uitgedacht en opgeschreven!

De emeritus predikant van Amsterdam, Ds. Gronemeyer, die als ouderling van Utrecht zitting heeft in de Synode, had zelf ook een voorstel ingediend.

Volgens dit voorstel zou de Synode samengesteld worden uit 11 afgevaardigden der prov. kerkbesturen, 6 der classicale vergaderingen en 2 der groote steden.

Maar ook dat voorstel werd met 11 tegen 8 stemmen verworpen.

En zoo blijft alles weer bij het oude!

Niet geheel juist.

Men zegt wel eens: de leerkwestiesbehooren niet bij de tegenwoordige Synode thuis. Want het lichaam dat zich Synode noemt, is geen Synode maar een Bestuurslichaam. De leerkwesties behooren bij de kerkelijke vergaderingen, waartoe de tegenwoordige Synode niet gerekend kan en mag worden.

„God beware ons er voor!' moet Dr. Hoedemaker eens gezegd hebben, uit vrees, dat een orthodoxe Synode alleenlijk de uitersten aan de linker-en rechterzijde wat zou intoomen en zoodoende eene „orthodoxie" op den troon zou helpen, die in waarheid geen orthodoxie was.

Allemaal waar.

Maar iets anders is dit: De Synode is in 1816 gemaakt tot het hoogste Bestuurslichaam in onze Kerk, waarbij gezegd en herhaald is geworden, dat alles bij het oude zou blijven. De oude Geref. Kerk met haar oude gereformeerde belijdenis. En de Synode zou waken, dat de oude grondslagen der Gereformeerde Kerk niet zouden worden losgewoeld en omvergerukt.

En ziet, daaraan is de Synode ontrouw geworden.

De Synode is gaan knoeien met geest en hoofdzaak, omdat men wist dat er zooveel waren, die zoodoende geest en hoofdzaak van de geref. belijdenis vrij zouden kunnen verwerpen.

Om geest en hoofdzaak van de bijbelsche waarheid te kunnen schenden en verwerpen, daarom zijn door de Synode wijzigingen aangebracht in de afgeleide reglementen.

En ziet, nu we een orthodoxe Synode hebben, nu willen we niet met leergeschillen tot het hoogste Bestuurslichaam in onze Kerk gaan.

Geenszins, Maar we willen in de vergaderingen van een orthodoxe Synode doen hooren de vraag: weet Gij niet, dat de grondwaarheden van de belijdenis der Kerk ruw en opzettelijk worden geschonden en publiek, zonder schroom, worden geloochend?

Weet Gij niet, dat straffeloos de Godheid van Christus wordt geloochend en dat de zoude geen zonde meer wordt genoemd?

En zoo goed als Gij U bemoeit met de leer en de practijken van het Neo-Malthusianisme, zoo goed moet Gij ook uw oog laten gaan over het schandelijk misbruik, dat van de vrijheid gemaakt wordt in zake de leer der Kerk!

Neen — veel méér eischt deze zaak Uw zorg, o Synode.

En wat sinds 1816 steeds had moeten gebeuren, moet althans nu gebeuren nu de Synode orthodox is; de zorg moet gaan over de leer en de belijdenis der Kerk, dat die niet ruw geschonden wordt.

Geen leeruitlegging, verklaring of verandering.

Daarvoor moeten de kerkelijke vergaderingen komen.

Dat vragen we ook niet aan de Synode. Maar als het hoogste Bestuurslichaam der Kerk heeft de Synode op zich genomen zorg te dragen, dat de leer der Kerk zou geëerbiedigd worden.

En omdat de leer der Geref. Kerk niet van steen is en de Geref. Kerk een gansch andere kerkregeering eischt dan we nu hebben, daarom moet de Synode in de eerste plaats zorg dragen dat in de reglementen ons waarborg wordt gegeven dat de leer der Kerk niet al te stout geschonden wordt, om dan in de 2e plaats aan de Geref. Kerk te geven wat de Geref. Kerk krachtens haar aard en natuur, op grond van Gods Woord, al zoolang heeft gevraagd: een andere wijze van kerkregeering.

Waarbij de Kerk weer in haar wettige kerkelijke vergaderingen, op grond van haar belijdenis, kan saamkomen en beraadslagen.

Verblijdend.

Zooals men weet is het verzoek van den Geref. Bond om de proponents-formule te verscherpen en de belijdenis-vragen wat anders te formuleeren door de Synode dezes jaars afgewezen.

Dat speet ons. Dat spijt ons nóg. De Synode, in meerderheid orthodox, weet dat er in onze Herv. Kerk schandelijk misbruik gemaakt wordt van de vrijheid. En het is geheel in overeenstemming met de Reglementen onzer Kerk om dan tusschenbeiden te komen.

Afwijking van den in onze Herv. Kerk behoorlijken weg wordt altijd gestraft, 't zij met een waarschuwing, berisping, of wat ook.

't Is zoo sterk, dat wanneer een of ander Bestuur dat verzuimt te doen, een hooger Bestuur recht heeft om, ongevraagd, tusschen beide te komen.

Het recht moet gehandhaafd worden, is de leus.

En nu wordt het recht reeds zoolang en zoo brutaal geschonden in zake de leer.

Een van de eerste dingen toch voor de Kerk van Christus is, dat Christus geëerd wordt als Gods Zoon.

Dat de leer der Kerk wordt geërbiedigd en gehandhaafd.

En ziet, velen eerbiedigen de leer der Herv. Kerk niet. Velen eeren Christus niet als Gods Zoon. En dat weet men. Waarom men reeds lang had moeten tusschenbeide treden. Kerkeraden, Classicale Besturen, Provinciale Besturen, Synoden — ze staan allen schuldig. Schuldig met Gods Woord in de hand. Schuldig ook met de Reglementen onzer Hervormde Kerk in de hand. Dat wascht het water van de zee niet af. En gelukkig — vóór dat de zittingen van de Synodle dezes jaars geëindigd waren, kwam deze zaak nog eens ter sprake. Ter sprake misschien naar aanleiding van de adressen in zake de proponentsformule en de belijdenis vragen door ons ingezonden. En toen de zaak ter sprake kwam, werd ze breed en ernstig besproken, gelukkig niet zonder gevolg. Zeker, wij zouden wel gaarne iets anders reeds hebben. Maar we zijn al zeer dankbaar met het resultaat van de laatste zitting der Synode dezes jaars. Want wanneer we wèl ingelicht zijn, dan is het uitgesproken, dat men niet moest denken, dat er in onze Ned. Herv. Kerk leervrijheid is. En dat men zich niet moest wijsmaken, dat, al staat er bij de belijdenisvragen „wat geest en hoofdzaak betreft", men er nu van maken mag wat men zelf wil.

Integendeel. Men is en men blijft gebonden aan de leer der Kerk, aan wat de Kerk zelf in den loop der jaren als geest en hoofdzaak der leer heeft beschouwd. Zoo mogen we het hooren! O zeker, we wenschten wel dat we reeds veel vérder waren. Maar we zijn zeer blij, dat zóo weer eens gesproken is. En niet alleen gesproken, maar méér nog verblijden we er ons over, dat er door de Synode een circulaire zal verzonden worden aan de Kerk, die over deze zaak handelt. Daaromtrent lezen we in de bladen:

De heer Schrieke stelt voor (naar aanleiding van de bespreking op 12 Augustus over het schrappen van de woorden «althans wat betreft den geest en de hoofdzaak enz.«, in art. 39 Regl. G. O. aan de kerkeraden een brief te richten, waarin zij worden gewaarschuwd voor het stellen van de vragen in art. 39 Regl. G. O., in willekeurigen zin.

De voorsteller wijst in zijn concept-circulaire op bandeloosheid, die vooral bij eene zoo ernstige aangelegenheid als de bevestiging van nieuwe lidmaten der Kerk, niet mag bestaan. Moge er wijziging kunnen worden gebracht in de vragen zooals zij in art. 2g zijn geformuleerd, de vrijheid daartoe sluit niet in zich, dat men vragen zou mogen doen, waarin de geest en de hoofdzaak van belijdenis, verklaring en belofte niet tot hun recht komen.

Na eenige bespreking wordt besloten (met 12 tegen 6 stemmen) de bedoelde circulaire aan de kerkeraden en aan de predikanten te zenden.

Men bemerkt, hier wordt den modernen bandeloosheid verweten.  Hier wordt gezegd, ten aanhoore van alle kerkeraden en predikanten, dat de geest en de hoofdzaak van de belijdenis onzer Kerk tot hun recht moeten komen. Dat er geen leervrijheid in onze Herv. Kerk is. Waarmee officieel is uitgesproken dat allen, die met de leer der Herv. Kerk niet instemmen oneerlijk zijn, wanneer ze toch in die Kerk blijven.

Wat de modernen hiervan zeggen zullen? Natuurlijk kunnen ze moeilijk zeggen: er is leervrijheid! Maar ze zullen met allerdwaaste redéneeringen blijven zeggen, dat zij met den geest en met de hoofdzaak van de leer instemmen!!

Maar dan zullen we blijven aanhouden met hen te verwijten oneerlijkheid, onoprechtheid, karakterloosheid en wat niet al.

Want die beweert, dat loochening van een drieëenig Goddelijk Wezen, loochening van de godheid van Christus, loochening van de verzoenende kracht van Christus' bloed, loochening van het wonder, loochening van de opstanding des vleesches enz. enz. tot den geest en tot het wezen en tot de hoofdzaak van de leer der Hervormde Kerk behoort, die haar leer nader uiteengezet heeft in den Heidelb. Catechismus, in de Ned. Gel. belijdenis en ook in de vijf Dordtsche leerregels tegen de Remonstranten, die gebruikt moedwillig allerlei drogredeneeringen — en in beide gevallen behoort men niet tot de Hervormde Kerk, die wil vasthouden aan 't geen Gods Woord ons wil leeren, gelijk ieder predikant uit den beroepsbrief weet en het met zijn handteekening onderschrijft.

Neen, eerlijk niet, wanneer wij modern waren, zouden we er stichtelijk voor bedanken om in de Hervormde Kerk predikant te zijn.

Alles wat in ons is zou er tegenop komen! Intusschen is door de Synode bandeloosheid geconstateerd.

En er wordt op gewezen dat onze Herv. Kerk een belijdenis heeft, terwijl de Synode weet dat er zijn, die daar niet aan denken.

Dat is al véél gewonnen.

Kerk en Universiteit.

We wezen er kort geleden op, hoe op 't onverwachts van Confessioneele zijde het idee werd besproken om te komen tot het stichten van een Vrije Universiteit.

De Kerk moet aan 't werk. De Kerk mag het alles maar niet overlaten aan de Overheid.

Dan komt op den duur de Hervormde Kerk in het gedrang.

Dat gaat men voelen. Mede door de benoeming van Dr.A.Noordtzij tot professor te Utrecht.

Wie weet waartoe die benoeming nog eens dienen kan.

Misschien komen er wel groote dingen uit voort.

Dat dachten we ook, toen we lazen wat de Synode besliste in zake het Hooger Onderwijs.

Men weet hoe de zaak stond. Tegen de benoeming van Dr. A. Noordtzij te Kampen was door verschillende classicale vergaderingen een motie aangenomen. Een motie van leedwezen I

Ook was er een adres van dr. F. van Gheel Gildemeester, waarin er op aangedrongen werd aan de regeering te verzoeken zoo spoedig mogelijk en wel nog in den loop van dit jaar de regeling der theol. faculteit en hare verhouding tot de Ned. Herv. Kerk in overleg met die Kerk ter hand te nemen, ter voldoening aan art. XXVII der wet op het hooger onderwijs. Daarbij werd aandrang gevoegd, dat de Synode de eer en de belangen der Kerk in deze nadrukkelijk zou handhaven.

De Synode had deze zaak aan een commissie in handen gegeven om rapport uit te brengen.

Deze Commissie wilde, dat de Synode zou verklaren, dat door haar met instemming is kennis genomen van de door de class, vergaderingen aangenomen motie : „De vergadering spreekt op grond van historisch geworden toestanden haar leedwezen uit over de benoeming van een lid der Gereformeerde Kerken tot hoogleeraar in de godgeleerdheid te Utrecht.".

Doch de Synode ging hierin niet met haar commissie mede.

Aan het verslag der zitting, zooals we dat in 't „Alg. Hbl." vonden, ontleenen we het volgende:

«Sommigen voelen geen instemming voor de motie, anderen wel voor de bedoeling, niet voor de woorden. Een poging van de heeren Schrieke en Van Melk om haar aldus te lezen: »De vergadering spreekt op grond van historisch geworden toestanden haar leedwezen er over uit, dat de Regeering bij de jongste benoeming van een tbeol. Hoogleeraar te Utrecht met die toestanden niet heeft gerekend, * mislukt. Eveneens mislukte om voor »instemming« »waardeering« te lezen, wat prof. Van Nes voorstelt. Eindelijk wordt ook de conclusie der commissie afgestemd, evenals een voorstel van prof. Mallinckrodt, om eenvoudig leedwezen te betuigen, zonder meer. De meeste leden waren voor onthouding, ze sympathiseerden meer met de bedoeling der voorstellers.

Een tweede conclusie der commissie trof een beter lot. Zij luidde, om met betrekking tot de overige verzoeken in dit verband gedaan, te verklaren, dat de Synode thans niet verder kan gaan, dan zij in hare zitting van 24 Augustus 1909 gegaan is, toen zij aan de Alg. Synodale Commissie heeft opgedragen, met het oog op komende voorstellen tot verandering van het universitair onderwijs, waakzaam te zijn. Dit werd met bijna algemeene stemmen aangenomen. Er zullen er zijn wien deze uitkomst zal teleurstellen. Diep leefde bij allen, althans bij de meerderheid de overtuiging, dat de regeering niet buiten hare bevoegdheid gegaan is, dat de Synode geen stem in de regeling van het universitair onderwijs, dat staatsbemoeiing is, mag eischen. Ook het argument, dat gerekend moet worden met de praktijk, met historisch geworden toestanden, achtte men niet overwegend. Ook vreesde men, dat de Synode zou worden mëdegesleept in eene politieke beweging en aldus zou de uitslag niet positief zijn. «

Het zal duidelijk zijn. De Synode onthoudt zich geheel.

Zij heeft als Synode der Ned. Herv. Kerk zich niet te mengen in een benoeming, die door de burgerlijke Overheid aan een Staatsuniversiteit is gedaan.

Het eenig verdedigbare standpunt. Maar dan is ook duidelijk nu, dat het met ons Hooger Onderwijs, dat het bizonderlijk met onze theologische faculteit niet zoo blijven mag als het nu is.

De Kerk zelf zal aan 't werk moeten. De Kerk zelf moet voor de opleiding van hare leeraren gaan zorgen.

Gelijk de Geref. Bond reeds moeite doet, dat er in gereformeerden zin spoedig onderwijs gegeven mag worden aan onze aanstaande herders en leeraars onzer Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's