De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Hebreen 13:14.

Op reis.

Dat woord van den apostel Paulus is een woord van diepen ernst, dat zeker maar al te weinig door ons menschenkinderen wordt ingedacht.

Of is het niet zoo, is er wel één zaak waar wij van nature minder aan wenschen herinnerd te worden dan aan onze vergankelijkheid? Is er wel één feit waarvoor de natuurlijke mensch meer terugdeinst dan voor het feit dat het leven dat wij hier leven slechts tijdelijk is?

En toch is er geen waarheid, waarbij de werkelijkheid van het leven ons zoozeer bepaalt.

Ook thans weer wordt het ons daarbuiten in het rijk der natuur luide gepredikt. Alweder immers is de zomer ten einde gespoed en weldra heeft weer de herfst zijn intrede gedaan. Hoe betrekkelijk kort is het nog maar geleden dat de bloemen werden gezien, dat de zangtijd genaakte, dat de stem der tortelduif werd gehoord in het land, en thans is de zomer weer voorbij en zullen weldra de vallende bladeren het ons weer toeroepen dat ook wij afvallen als een blad en dat onze misdaden ons henen wegvoeren als een wind.

En waarlijk niet alléén door het intreden van den herfst worden wij bij den diepen ernst van het woord des apostels bepaald.

Daar is veel meer dat ons een herinnering behoort te zijn aan het „wij hebben hier geen blijvende stad."

Denk maar aan degenen die voor ons geleefd hebben; aan de geslachten die reeds langer of korter van deze aarde zjjn heengegaan, op wier graven wq thans wandelen en met wier stof wellicht onze voet zich bezoedelt.

En wij behoeven waarlijk geen eeuwen terug te gaan; als we onze oogèn maar opslaan dan zien wij hoe de dood bezig is ook de gelederen van ons tegenwoordig geslacht te dunnen. Ziet met welk een listige bewegingen hij zich voortkronkelt als een slang in het gras. Hier is het een oude van dagen, met de kroon der grijsheid op het hoofd, dien hij onverwacht in de verzenen bijt, en daar ligt dan de grijsaard met de vale doodskleur op 't gelaat; hij had hier geen blijvende stad!

Daar is het een man in de kracht zijner jaren op wien ook reeds de koning der verschrikking een aanval beproeft; hij meende dat zijn stad althans nu nog niet door den vijand ondermijnd kon worden, maar weldra heeft de dood hem met zijn ijzeren vuist omklemd en machteloos ligt daar de schijnbaar nog zoo krachtige; hij had hier geen blijvende stad!

Ginds is het een jongeling of jongedochter, die in den bloei der jaren zich allerlei idealen van het leven hadden gevormd, maar eensklaps, midden in het leven waarin zij zoo druk waren, wordt de kruik aan den springader gebroken en het rad aan den bornput in stukken gestooten; en daar ligt dan de jongeling; de levenslust die uit zijn oogen sprak is voor altoos gebluscht; daar ligt dan de jongedochter; de schoonheid die over haar gelaat gespreid lag is voor altoos vergaan; de idealen zijn verdwenen, de laatste straal van hoop is gedoofd, want zij hadden hier geen blijvende stad.

Wat verder is het weer een kind dat de dood zich als zijn prooi heeft verkoren. O wie had gedacht dat die jeugdige bloem, nauwelijks aan haar stengel ontloken, nu reeds weer zou afgerukt worden? Wie had verwacht dat het zwaard juist door de harten dier ouders zou gaan ? Maar de dood stoorde zich niet aan de gebeden des vaders, hij, de meedoogenlooze, had geen hart voor de tranen der moeder. Ook dat kind, het had hier geen blijvende stad en daarom moest het door de zeis van den onverbiddelijken dood worden nedergeveld.

En zoo hebt gij den dood immers zoo vaak reeds aan het werk gezien. Hoe dikwijls heeft hij wellicht zijne krachten ook op uwen familiekring, op degenen, die gij liefhadt, beproefd ; en was dan niet altoos het resultaat van zijn pogen, dat gij het den apostel moest toestemmen: wij hebben hier geen blijvende stad?

Uw vader had hier geen blijvende stad, uw moeder niet, uw man niet, uw vrouw niet, uw vriend niet, uw kind niet. Maar evenzeer als hun, ontbreekt zulk een blijvende stad ook aan u. Het woordje „wij" mag hier zoo algemeen mogelijk opgevat worden. Het is van toepassing zoowel op den rijke als op den arme, zoowel op den jongeling als op den grijsaard, zoowel op den wijze als op den dwaze, zoowel op het kind van God als op het kind der wereld.

Wij hebben hier geen blijvende stad. Neen, wij geen van allen. De dichter van Psalm 89 heeft gevraagd: Wat man leeft er die den dood niet zien zal ? Dat is een vraag waarop nog nooit iemand het antwoord gegeven heeft. O we weten dat inzonderheid in de laatste eeuw de wetenschap met reuzenschreden is vooruitgegaan. Wat een vragen, wat een moeilijke problemen, waarop de wetenschappelijke wereld onzer dagen het antwoord niet meer behoeft schuldig te blijven. Maar waar zij ook op antwoorden kan, de vraag: »Wie leeft er die den slaap des doods niet eens zal slapen? " is een vraag, die zij onbeantwoord moet laten. Immers wij hebben hier geen blijvende stad. Al is onze binnenste gedachte dat onze huizen zullen zijn in eeuwigheid en onze woningen van geslacht tot geslacht, al noemen we zelfs de landen naar onze namen, de mensch, die in waarde is, blijft niet, hij wordt gelijk als de beesten die vergaan. Ja, men zet ze als schapen in het graf; de dood zal ze afweiden en het graf zal hunne gedaante verslijten. Zoo wordt het ons in het Woord des Heeren geleerd en zoo wordt het door de ervaring weer gedurig bevestigd.

Ontzettende ernst, dat niets van wat we hier bezitten steeds ons eigendom blijft; dat het huis dat we hier bouwen straks door een ander wordt bewoond; dat het geld dat we hier bezitten straks door een ander wordt verteerd; dat het ambt dat we hier bekleeden straks door een ander wordt vervuld; dat de zaak die we beneeren straks door een ander wordt bestuurd; dat de kinderen die we gewonnen straks in dienst van een ander komen te staan.

Ontzettende ernst, dat er niets is waarvan we ons blijvend verzekeren kunnen. Zeker, een tijdelijke verzekering kan door u gesloten worden. Zoo kunt gij , u verzekeren tegen brand, tegen diefstal, tegen allerlei ongeval; en in naam kunt gij zelfs uw leven verzekeren; maar gij kunt u nooit verzekeren tegen den dood. Immers gij hebt hier geen blijvende stad.

O dat de ontzaglijke ernst van dat woord u toch gedurig op het hart gebonden mocht worden, opdat gij ook iets mocht verstaan van de tegenstelling die Paulus op het „wij hebben hier geen blijvende stad" volgen laat, nl. deze: maar wij zoeken de toekomende.

Met die toekomende stad heeft de apostel natuurlijk op 't oog de stad des hemels, de stad waarvan hij in het vorige hoofdstuk gezegd had, dat zij fundamenten heeft en dat God zelf haar kunstenaar en bouwmeester is.

Ja, die toekomende stad is het grootste kunstwerk dat de Heere ooit tot stand heeft gebracht. O wij weten dat alles wat is en bestaat ten slotte een kunststuk van Zijn wijze hand genoemd kan worden. Maar het grootste kunstproduct, dat de Heere ooit heeft gewrocht, is zeker wel dit, dat Hij voor verloren zondaren, die in den eeuwigen dood dreigden weg te zinken, nog een stad bereid heeft die fundamenten heeft en waar het eeuwige leven in volkomenheid gesmaakt zal worden.

Naar die stad nu werd door den apostel Paulus en wordt nog door velen met hem gezocht. Die stad lag dus ook voor den apostel nog in de toekomst. Hij was er nog niet in aangekomen; hij zocht er nog maar naar. Daar blijkt uit dat de apostel met deze stad eigenlijk bedoelt het inwonen bij den Heere, het altoos bij den Heere zijn, het ongestoord genieten van de verzadiging van vreugde voor het aangezicht Gods,

En in dien zin ligt er in het zoeken naar die stad reeds rijke vertroosting. Immers als we zoeken naar die stad dan is dat in de eerste plaats een bewijs dat wij gelooven dat er zulk een stad bestaat. Naar iets, waarvan we niet gelooven dat het er is, zoeken we niet. Wie dus naar de toekomende stad zoekt, gelooft dat er zulk een stad is en dat er ook een toegang is om in die stad binnen te komen.

Oorspronkelijk was die toegang er voor den zondaar niet. Gij kent immers het opschrift dat op de poorten van die stad geschreven staat: „hier zal niet inkomen iets dat ontreinigt of gruwelijkheid doet of leugen spreekt." Welnu, wie is er die zich aan deze zonden nooit heeft schuldig gemaakt? De poort van die stad zou dan ook eeuwig voor den zondaar zijn gesloten gebleven, indien het niet was dat de gerechtigheid van Christus haar ontsloten had.

Ja Christus alléén is het die de grendels van de poort heeft weggeschoven; en dat niet alleen, maar Christus is het, die door Zijnen Heiligen Geest in het hart van den zondaar een begeerte legt om eenmaal die stad te worden binnengeleid.

Immers dat is het geval met allen van wie de apostel hier zegt dat zij de toekomende stad zoeken. Zij hebben eerst geleerd dat zij van nature buiten die stad staan, dat zij ook niet waardig zijn er binnengelaten te worden, maar pleitende op de verdiensten van Christus hebben zij leeren vragen:

Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden

De poorten der gerechtigheid.

En wie zoo, door het geloof in Christus, naar die toekomende stad zoekt, die zal haar ook vinden. Met hoeveel moeite en strijd dat zoeken vaak ook gepaard gaat, toch wordt er hier menigmaal reeds iets van de torenspitsen aanschouwd, en straks zullen zij door de poort in de stad zelve worden ingeleid.

Vandaar dat iemand die waarlijk naar de toekomende stad leerde zoeken, hier op aarde ook niet meer thuis is; zulk een weet dat hij hier een gast en een vreemdeling is en dat hij op reis is naar een beter vaderland.

Wanneer de kinderen Israels vroeger met de groote feesten optrokken naar Jeruzalem, dan rustten zij niet voor zij hunne voeten in de stad des grooten Konings gezet hadden. Zeker, wanneer zij nog maar uit de verte de torens en de vestingen van de stad zagen, dan waren zij reeds verblijd en dan werden reeds de liederen Hamaaloth aangeheven. Maar eerst als zij binnen Jeruzalem gekomen waren, waren hun wenschen vervuld en had hun blijdschap haar toppunt bereikt. Immers binnen Jeruzalem stond de tempel, daar was de plaats waar de gemeenschap geoefend werd tusschen God en Zijn volk.

En zoo is het ook met het geestelijk Israel dat optrekt naar het Jeruzalem dat boven is, dat zijn oog gericht heeft op de stad des behouds. Zeker, wanneer zij nog slechts uit de verte de torens van dat nieuw Jeruzalem aanschouwen, dan springt hun hart reeds op van vreugde en dan is het menigmaal reeds een „loof den Heere, mijne ziel", maar wanneer zij straks de rivier des doods doorwaad zullen hebben en zij zullen de peerlen poorten doorgegaan en de gouden straten betreden hebben, dan eerst zal het lied in vervulling gaan:

Maar 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd. Daar zij hun wensch verkrijgen. Hun blijdschap zal dan onbepaald, Door 't licht dat van Zijn aanschijn straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen.

Is het dan wonder dat degenen, die naar die toekomende stad zoeken, niet gaarne hier op deze aarde een blijvende stad zouden willen bezitten? Is het dan wonder, dat zij menigmaal zuchten, verlangende met hunne woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden?

Gelukkig als gij tot de ware zoekers van die toekomende stad moogt behooren, wanneer dus niet slechts het eerste, maar ook het tweede gedeelte van het woord dat wij hierboven schreven, op u van toepassing is. Ja, gelukkig, als de keuze uwer ziel niet ligt in de dingen die wij zien en die tijdelijk zijn, maar wel in de dingen die wij niet zien en die eeuwig zijn. Immers daarin ligt het enmerk of ook gij al dan niet op reis zijt naar die toekomende stad waarnaar Paulus zocht.

En nu is de een er dichter bij dan de ander. Maar dit is maar de vraag of gij met het aangezicht naar Jeruzalem reist. Wanneer dit het geval is, dan mogen nog telkens weer allerlei moeilijkheden zich voordoen op uwen weg; dan mag het een nauwe weg zijn en een enge poort, maar 't is een veilige weg, en 't is een poort die u straks zekerlijk zal brengen in de stad, in wier licht de volkeren die zalig worden wandelen zullen.

Welzalig als gij goede hope moogt hebben dat gij straks in die stad ook voor u een plaats bereid zult vinden, en als dus het woord van den apostel straks uw zwanenzang zal kunnen Zijn: „Wij weten dat zoo ons aardiche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God zullen hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's