De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 12b. Een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante en verscheidene ambten gevende, om zijnen Schepper te dienen. Dat Hij ze nu ook alle onderhoudt en regeert naar Zijne eeuwige Voorzienigheid en door Zijn oneindelijke kracht, om den mensch te dienen, ten einde dat de mensch zijnen God diene.

XL VII

De wereld heeft dus niet van eeuwigheid bestaan. Zij heeft naar Gods vrijmachtig welbehagen, eenmaal, voor ongeveer zesduizend jaren, een aanvang genomen. God heeft haar toen en met haar het gansche heelal, met alle schepselen, groote en kleine, zienlijke en onzienlijke, uit niet te voorschijn geroepen.

Nu is het gansche scheppingswerk volgens het herhaald getuigenis der Schrift, Gen, 2:1, 2, Ex, 20 : 11, 31:17, in zes dagen volbracht. Omtrent de opvatting, hoe wij die zes dagen te verstaan hebben, heerscht echter een opmerkelijk verschil van gevoelen. Men heeft n.l. gevraagd: zijn het dagen geweest, zooals we ze thans kennen, of tijdperken van veel langer duur? Of ook wel: zijn er misschien alléén gezichtspunten mee bedoeld, van waaruit door ons het werk der schepping moet beschouwd worden? Niettegenstaande niemand minder dan Augustinus het laatste gevoelen is toegedaan en ook onderscheidene godgeleerden van naam aan langere tijdperken denken, komt het ons toch voor dat het wel het meest met de leer der Schrift in overeenstemming is, dat hier aan gewone dagen van vier-en-twintig uren worde gedacht.

Wel heeft men hiertegen ingebracht, dat de vorming der aarde niet in eenige dagen volbracht kan zijn, omdat b.v. de steenkolen veel meer eeuwen hebben noodig gehad om te ontstaan dan het menschelijk geslacht oud is, en omdat de gesteldheid van de lagen en beddingen der aarde het waarschijnlijk maken dat de aarde er reeds millioenen jaren geweest zou zijn, om nu nog maar te zwijgen van allerlei hypothesen over z.g.n. gasnevelafkoeling en dergelijke, die men zich heeft gevormd. Maar men vergeet dat, wat dit laatste betreft, alle nevel-theorieën slechts gissingen zijn en dat wat het eerste aangaat, de genomen proeven bewezen hebben, dat plantaardige stoiïen binnen een paar jaar in bruinkool en binnen zes jaar in zwarte steenkool veranderd kunnen zijn. Bovendien ziet men voorbij, dat niet altoos alles even langzaam en geleidelijk behoeft ontwikkeld te zijn als in onzen tijd; en evenzeer vergeet men rekening te houden met de geweldige omkeering en ingrijpende verandering, die door den zondvloed zoowel in als op de aarde tot stand is gebracht, waardoor zelfs alle berekening in dit opzicht onmogelijk werd.

Wanneer wij dit dus in het oog houden, dat de Almachtige God zoowel schielijk als langzaam kan werken en dat, wanneer buitengewone krachten der natuur in beweging komen, zooals b.v. ook bij stoom en electriciteit, ook bij ons snel gedaan wordt wat anders langzaam geschiedt, dan zeggen wij niet meer dat de hemel met al wat er in is en de aarde met al wat er op is, niet in zes gewone dagen geformeerd kunnen zijn.

En wanneer wij dan bovendien bedenken dat wij de werking der kracht Gods niet bepalen kunnen en dat daarenboven het Hebreeuwsche woord voor „dag" gebruikt, niet wel een andere opvatting dan van een gewonen dag toelaat, dan gelooven we dat, als de Schrift van zes scheppingsdagen spreekt, zij daar dan beslist dagen mee bedoelt die van morgen tot morgen gerekend worden en aan de indeeling der week ten grondslag liggen.

Nu vormen deze zes scheppingsdagen twee drietallen, die tot elkaar in een opmerkelijke betrekking staan. Daar is ook in het werk der schepping een zekere orde en regelmaat geweest. Hij, die gezegd heeft, dat alle dingen eerlijk en met orde zullen geschieden. Hij heeft ons zelf te dien opzichte in het werk der schepping reeds een voorbeeld gegeven. En die orde heeft v.n.l. hierin bestaan, dat op de laatste drie dagen het werk van de eerste drie dagen werd voltooid. Zoo werd op den eersten dag het licht als voorwaarde van alle leven uit het niet opgeroepen en op den vierden dag werd door het formeeren van het zonnestelsel dat licht gebonden aan de hemellichamen, als aan de van God bestemde geleiders er van. Zoo werd op den tweeden dag, waarop de aarde zich door het uitbreiden van het uitspansel afteekende, scheiding gemaakt tusschen de wateren die beneden en de wateren die boven zijn, en op den vijfden dag werden de beneden wateren met visschen en werd de lucht met vogels bevolkt. En zoo werd op den derden dag het droge met zijn verborgen schatkamers van metalen en keurgesteenten geformeerd, terwijl op den zesden dag die op haar grondvesten nedergezonken aarde tot een woonplaats aan dieren en menschen werd toebetrouwd.

Kwam op de eerste drie dagen dus meer het onbezielde (het anorganische), op de laatste drie dagen kwam meer het bezielde (het organische) in de schepping tot stand. Daar was in het werk der schepping een zekere opklimming, een zekere voortgang waar te nemen, een voortgang van de eenheid tot de rijk geschakeerde veelheid, totdat de rijke veelheid ten slotte in den mensch als tot de eenheid terugkeerde.

Zoo heeft de Heere met goddelijken regelmaat aan ieder schepsel gegeven zijn eigen wezen, zijn eigen gestalte en gedaante, en ook heeft Hij aan alle schepselen hunne onderscheidene ambten beschikt. D. w. z. Hij heeft het zoo bestierd, dat ieder een eigen plaats te bekleeden en een eigen roeping te vervullen zou hebben. Wat een rijke en onafzienbare verscheidenheid is het dan ook niet, welke die ééne wereld ons te aanschouwen geeft ! Of heeft het heelal van den beginne aan niet in zich bevat hemel en aarde, zienlijke en onzienlijke dingen, engelen en menschen, dieren en planten, levende en levenlooze, bezielde en onbezielde wezens? En wat een eindelooze verscheidenheid wordt er ook onder deze verschillende schepselen onderling weer waargenomen! Onder de engelen b.v. zijn tronen, heerschappijen en machten; onder de menschen zijn mannen en vrouw en, ouders en kinderen, overheden en onderdanen; en evenzoo kunnen ook planten en dieren en in zekeren zin ook de mineralen in klassen en groepen, in familiën en geslachten en soorten worden verdeeld. Al deze schepselen zijn geschapen naar hunnen aard en die aard, die zij in de schepping van God hebben ontvangen, wordt binnen bepaalde grenzen ook door hen bewaard. Daar is geen enkel wezen dat uit één der scheppingsrijken in een ander overgaat. Allen hebben niet alleen, maar houden ook hun eigen wezen, hun eigen gedaante, hun eigen werk.

Maar waarin de schepselen ook mogen verschillen, hierin komen zij toch allen overeen, dat zij geschapen zijn om hunnen Schepper te dienen. Ja, de Schrift leert het ons duidelijk dat God alle dingen geschapen heeft om Zijns zelfs wil, zelfs den goddelooze tot den dag des kwaads en dat, gelijk alles uit Hem is voortgekomen, alles door Hem bestaat en ook alles weer tot Hem wederkeert (Rom. 11:36), De Heere heeft daarom de deugden van zijn drieëenig Wezen in de schepselen tot openbaring doen komen, opdat Hem uit alle creatuur heerlijkheid en eere zou bereid worden.

En zoo is het niet slechts met de schepping, maar niettegenstaande aan de Voorzienigheid Gods artikel 13 bijzonder is gewijd, doet onze Belijdenis toch ook in dit artikel reeds uitkomen dat ook het groote doel, waartoe de wereld in de lengte der tijden haar bestaan en ontwikkeling heeft voortgezet, in de glorie Gods moet gezocht worden.

Ja, toen de wereld geschapen was, stond zij niet aan het einde, maar aan het begin. Zij had een lange geschiedenis voor zich, waarin zij altoos rijker en klaarder de deugden en volmaaktheden Gods te openbaren zou hebben. Schepping en ontwikkeling zijn dan ook geen twee begrippen die elkaar uitsluiten. Integendeel, de schepping is van alle ontwikkeling de aanvang en het uitgangspunt.

En ook die ontwikkeling van het geschapene wordt door den Heere tot in de kleinste bijzonderheden bestuurd. Het is dus niet zoo, dat God de wereld, nadat Hij haar geschapen had, aan zichzelve heeft overgelaten, dat dus het leven der schepping te vergelijken zou zijn met een uurwerk, dat, als het maar is opgewonden, van zelf wel afloopt. Integendeel, in plaats dat de Heere Zijn hand aftrekt, houdt Hij van oogenblik tot oogenblik Zijn hand naar al het geschapene uitgestrekt. De gansche schepping wordt in haar ontwikkeling door Hem onderhouden en geregeerd. En die onderhouding en regeering is geen warklomp van toevalligheden en vergissingen, maar er loopt door de gansche wereldgeschiedenis een vaste lijn. Daar is een vast beginsel, een vast bestek, waarin de hemelsche Bouwmeester zelfs de geringste onderdeelen van Zijn bouwwerk heeft opgenomen. Het gansche plan der wereldhistorie ligl ontworpen in Gods eeuwigen raad en het is dan ook van dien raad, dat alles wat in hemel en op aarde geschiedt, een uitvloeisel is.

Naar dien raad nu, of zooals onze Belijdenis het uitdrukt, naar Zijn eeuwige Voorzienigheid en tevens door Zijne oneindelijke kracht — welke daarvoor zeker wel noodzakelijk is — onderhoudt en regeert God de schepselen en wel zóó, dat alle schepselen den mensch dienen, ten einde de mensch zijnen God weer zal dienen.

De mensch toch was het pronkstuk der schepping. Was er één schepsel dan was de mensch met eer en heerlijkheid gekroond. God deed hem heerschen over de werken Zijner handen. Alle dingen waren onder zijne voeten gezet. En nu is het wel waar, dat de heerlijkheid des menschen door de zonde veelszins is verdonkerd geworden. Maar die zonde kan Gods plan niet verijdelen en doet Zijn raad niet te niet. Immers in Christus heeft de Heere Zich een nieuwe menschheid geformeerd en niettegensfaande nu de zonde tusschenbeide kwam, blijft het waar dat alles er op aangelegd is om den mensch te dienen, opdat de mensch de kroon zijner eere weer zal nederleggen aan de voeten van Hem, die waardig is door engelenstem en menschentong verheerlijkt te worden, omdat alleen Zijn raad bestaat en Hij al Zijn welbehagen zal doen.

(Wordt vervolgd.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's