De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

16 minuten leestijd

Een medewerker schrijft ons:

De wederopleving van het modernisme.

Onder de verschijnselen, die in de laatste jaren de aandacht trekken van hem, die zich bezig houdt met den gang der godsdienstige, nader nog der kerkelijke ontwikkeling in ons vaderland, behoort zeker de herleving van het beginsel, dat voor ruim veertig jaren door Dr. A. Kuyper in een naar vorm en inhoud waarlijk schitterende lezing als een „fata morgana" werd gekwalificeerd. Scheen het voor een tiental jaren, dat het modernisme den weg zou gaan der Evangelische richting die ruim een halve eeuw geleden door het overgroote deel der predikanten onzer Kerk werd aangehangen, maar thans ternauwernood meer een schaduw is, van hetgeen zij eertijds was, het is niet te ontkennen dat het modernisme bezig is zich te verjongen, ten minste dat het alle kracht inspant om het verloren terrein te herwinnen en niet zonder succes. Dordrecht's Herv. Gemeente telt thans weer onder hare leeraren twee moderne predikanten. Middelburg en Alkmaar zullen bij eventueele vacatures weldra volgen en in Brielle heeft het slechts ééne stem gescheeld of de aftredende orthodoxen in het kiescollege waren door vrijzinnigen vervangen, 't Zijn voorteekenen van een nieuwe aera die er voor het modernisme zal aanbreken zegt de een; het is niets anders dan een oplaaiend stroovuur, de laatste stuiptrekking van een ten doode gedoemde richting, beweert de ander.

Om tot een rechte waardeering van bovengenoemd verschijnsel te geraken, zal het ook hier wel noodig zijn tot de oorzaken daarvan terug te gaan. Welke zijn deze ? In de eerste plaats, naar het ons voorkomt, dat velen onder de liberalen die op politiek gebied de dagen hunner glorie gehad hebben en alleen in bond met de sociaal-democraten in staat zijn misschien het Christelijk ministerie omver te werpen — of zij ook tot regeeren bekwaam zullen zijn, is een andere vraag — nu op kerkelijk gebied, waar zij alleen om zoo te zeggen een deel der tegenwoordige coalitie, n.l. de orthodoxen der Herv. Kerk, tegenover zich vinden toonen willen wat zij vermogen en aldus het bewijs te leveren dat zij er ook nog terdege zijn: een soort acte de presence. De begeerte om de gehate orthodoxie te „nekken", spijt over de verloren machtspositie op politiek terrein en het daarom dubbel behagelijk gevoel, nu ten minste op meerdere plaatsen in de Kerk dan tot dusverre het geval was de lakens te kunnen uitdeelen zijn o.i. de voornaamste drijf veeren.

Het feit toch, dat de Nieuwe Rott. Cour. die er vroeger mee volstond onder de rubriek van het kerknieuws alleen de beroepen te vermelden, thans hare kolommen openstelt voor breede beschouwingen op godsdienstig en kerkelijk gebied, heeft zeker dienaangaande wel iets te zeggen. Daarnaast mogen dan nog andere factoren meewerken: de tegenwoordige afkeer van het platte materialisme en de erkenning van het goed recht der hoogere aandoeningen, vau de „stemmingen" der mystiek sturen ook in de richting om het modernisme nieuw leven in te blazen — voor hoelang?

De voorstanders er van wijzen b.v. op hunne openluchtsamenkomsten, die bijzonder in het Noorden des lands door honderden worden bezocht, een teeken dus zijn dat de vroegere onverschilliglieid voor steeds toenemende belangstelling blijkt plaats te maken. Men zou echter verkeerd doen om aan die openluchtsamenkomsten veel gewicht te hechten. Daargelaten het feit, dat ze een late nabootsing van hetgeen reeds sinds jaar en dag onder de orthodoxen in zwang is (hoe komt daarin niet treffend uit, wat Dr. Kuyper in zijn bovengenoemde lezing over de scheppingskracht van het modernisme al voor veertig jaren beweerd heeft) zal het te bezien staan of ze die honderden nog zullen trekken, wanneer „het nieuwtje" er af is en men ze enkele keeren heeft bijgewoond. De begeerte om eens op gepaste wijze een dag „uit" te zijn, vrij van zijn dagelijksch werk en dien dag in Gods heerlijke natuur door te brengen is zeker voor dergelijke samenkomsten van een niet te onderschatten gewicht — hetgeen natuurlijk ook geldt voor onze zendingsfeesten.

Om daarom den standaard van de belangstelhng der vrijzinnigen in de kerkelijke aangelegenheden juist te taxeeren, doet men beter om die openluchtsamenkomsten, welke een enkele maal in de zomermaanden gehouden worden, te laten voor wat zij zijn en te letten b.v. op het geregelde kerkgaan der modernen week aan week. Zoo ergens dan kan daarin het best uitkomen of hunne richting de schare die haar in beginsel is toegedaan, duurzaam weet te boeien. We gaan zeker niet te ver wanneer we zeggen dat hunne belangstelling ten dezen opzichte op vele plaatsen treurig is. Hoe zou het ook anders kunnen ? Waarom toch zou men zich keer op keer onder die prediking terneer zetten ? Soms om te hooren dat men „sympathiek" moet wezen onder elkander en de „humaniteit" moet aankweeken ? Arme, die de moeite neemt zijn kostelijken Zondagmorgen daaraan te besteden! Dat kan men zonder dio prediking ook wel weten. De uitkomst leert, dat dit metterdaad het geval is.

Wanneer men als zendeling wordt uitgezonden onder heidenen of MIohammedanen, dan kan men verwachten dat het langen tijd een ploegen op rotsen zal zijn en dat er jaren soms kunnen voorbij gaan voordat men eenige vrucht op zijn arbeid ziet. Er is zeker veel voor noodig, om daaronder dan den moed niet te verliezen, en met opgewektheid zijn werk te blijven doen.

Het is zeker ook moeilijk het feu sacré (het heihge vuur) er immer in te houden, wanneer men gelijk zoovele predikanten te midden van een geheel Roomsche omgeving in Noord-Brabant en Limburg en in het land van Maas en Waal week aan week moet optreden voor ternauwernood twintig a dertig menschen, groot en klein bij elkander. Zeker, die twintig of dertig hebben het evenzeer noodig als tweehonderdof driehonderd, maar het is nu eenmaal niet anders, dat het menigwerf een gevoel van onvoldaanheid laat, en deprimeerend werkt, te weten dat al die arbeid die er aan een preek soms wordt besteed, geschiedt voor een luttel aantal menschen. Men weet evenwel van te voren, dat, wanneer men de roeping naar een zoodanige gemeente opvolgt, dit het geval zal zijn — eenvoudig, omdat de Protestanten daar een bedroevend kleine minderheid uitmaken.

Hoeveel afmattender en ontzenuwender moet het echter niet wezen, zoo men week aan week optreedt voor een schare van vijf en twintig, ja ten hoogste vijftig menschen, terwijl er toch vijf a zeshonderd gemakkelijk tegenwoordig zouden kunnen zijn, die hun dominee jaar in jaar uit laten preeken, maar zelf schitteren door afwezigheid. Toont dit feit niet veel meer de weinige bezieling die er van de moderne prediking uitgaat dan dat de openluchtsamenkomsten, die een paar jaar geleden zijn ontstaan en over een paar jaar misschien zijn vergaan, het bewijs zouden zijn, dat het er beter mee is gesteld? We willen niet in algemeenheden blijven hangen, maar liever — zooals het volk zegt — man en paard noemen.

In Rolde b.v., — wanneer we in de volgende regelen onwaarheid spreken, dan doen we het in commissie: we geven alles, zooals we het uit de eerste hand mochten ontvangen, — een gemeente van 1300 zielen, komen er doorloopend een dertig a veertig in de kerk. Wanneer er vijftig aanwezig zijn, zegge vijftig, is het een „volle" beurt.

" We kunnen begrijpen, dat de predikant dier plaats er niet bijster op gesteld is, dat er othodoxe „Hollanders" bij zijn : die komen het land maar verspieden. Zoo achterlijk als men er overigens moge wezen, in vooruitstrevendheid behoeft men daar voor de mondaine stadskringen niet onder te doen: het gebed voor en na het eten is er al lang afgeschaft.

In Zuid of Noord Scharwoude b.v., in Noord-Holland, moet het al niet veel beter zijn. Iemand uit een dezer plaatsen afkomstig vertelde ons, dat er — 't is een gemeente van 800 a 900 zielen — doorloopend vijf en twintig zich opmaken om te hooren wat. de dominee te zeggen heeft.

Toen in een vacature een der vrijzinnige ringpredikanten in Alkmaar preekte, moet hij den man beklaagd hebben, die daar later als modern dominee zal optreden: men liet hem eenvoudig voor stoelen en banken staan..

Op de moderne plaatsen van Zuid-Holland is het niet anders. Wanneer er in Boskoop b, v. stemming was voor het kiescollege, werd door de modernen ban en achterban opgeroepen, ontzag men zich niet — wetend dat het er zou kunnen spannen — eventjes een vijftig van de straat aan te nemen, gelijk dit ook in de classis Heerenveen steeds meer in vrijzinnige gemeenten gewoonte schijnt te worden. Had men nu zijn doel bereikt, door de orthodoxen weer voor een jaar af te slaan, dan had men natuurlijk daarmee ook zijn bestaansrecht wèl bewezen, 't Was alles verder zeer goed: „der Mohr hat seine Schuldigkeit gethan. Der Mohr kann gehen". In het Evangelisatiegebouw kwamen er doorloopend vijfhonderd, ja bij enkele gevierde redenaars zeshonderd, ter kerk. Da vorige moderne predikant echter, die naar evenredigheid, voor een gehoor van zes è. zevenhonderd zou moeten optreden, wist er niet meer dan meestentijds een veertig a vijftig te boeien. Ds. Tuiustra kon als ' malcontent de wat dieper aangelegde naturen trekken, die zich echter een beetje schaamden om naar „een gebouw" te gaan en daarom liever in „de kerk" bleven. Hij had er dan ook menigwerf niet minder dan negentig a honderd onder zijn gehoor. In Oudshoorn, waar eveneens een bloeiende Evangelisatie bestaat, is het precies eender.

Of het dan in de provinciesteden niet beter gesteld is? 't Mocht wat. 't Is er zoo mogelijk nog minder. In Zalt-Bommel b.v. — we willen ons niet tot één provincie beperken, om niet eenzijdig te wezen preekte eens een Gereformeerd predikant uit den ring voor het daar ter plaatse ongekende getal van 99 menschen. Toch kon het, kerkgebouw de schare nog wel bevatten: er zijn nl. pl. m. 500 zitplaatsen. *)

Waarlijk, degenen die in zulke gemeenten het leeraarsambt hebben te vervullen — over het herdersambt zullen we maar niet spreken — zijn „beklagenswaardige predikanten." Wanneer men in zulke omstandigheden bij zoo bitter weinig belangstelling van zijn eigen geestverwanten met lust en opgewektheid zijn arbeid kan blijven doen en den moed er inhouden, dan verhelen wij het niet, dat wij die moderne dominees den tol onzer bewondering ten dezen opzichte niet kunnen onthouden. Wie herinnert zich echter niet de droeve klacht door Ds. Riepema bij zijn afscheid te Westzaan geuit ?

Het kerkbezoek der vrijzinnigen in een stad als Utrecht is met dat der orthodoxen niet te vergelijken. Terecht heeft Dr. Bronsveld daarop nog niet zoo lang geleden gewezen. De Doopsgezinde en Remonstrantsche kerkgebouwen, met de zaal van den Protestantenbond, bevatten saam niet de schare die b.v. vereenigd is in de Domkerk, wanneer een der belijdenisgetrouwe leeraren optreedt, terwijl de andere kerken, zooals de Jacobi-en Buurkerk, dan menigwerf een even groot getal hoorders binnen hare muren zien, zij het ook van een andere nuanceering. Wanneer het op stemming voor de Tweede Kamer en de Provinciale Staten aankomt, dan zijn Roomsch-Katholieken, Gereformeerden en de orthodoxen der Herv. Kerk — we vergeten niet, dat met name in Utrecht nog vrij velen der laatstgenoemde groep links stemmen — saam verbonden ternauwernood tegen de liberalen opgewassen. Of dus ook een groot percentage van hen ter kerk gaat!

Sïerker nog dan hetgeen wij tot dusver gememoreerd hebben, is zeker wel het feit, dat tal van moderne kerkeraden als laatste redmiddel een orthodoxen candidaat beriepen. Niemand toch kwam er meer ter kerk, de plaatsen bleven onverhuurd, de collecten brachten niets op, de armen konden niet worden bedeeld, kerk en pastorie niet onderhouden. Wel mocht in het moderne tijdschrift „Teekenen des Tijds", onder redactie van Ds. Pare en Dr. Rutgers v. d. Loeff e. a., voor enkele jaren er schande over worden gesproken, dat de belangstelling der vrijzinnigen in den godsdienst zoo gering was dat dit kan geschieden, maar veel schijnt die stem niet te hebben geholpen. Immers onlangs weer is er een moderne kerkeraad toe overgegaan, om op deze wijze de gemeente weer op peil te brengen, gelijk op dit oogenblik de kerkeraad van een andere moderne gemeente om dezelfde reden in correspondentie staat met candidaten van orthodoxe — zij het ook van meer ethische — richting. Niettegenstaande de „vrijzinnige" consulent (uit den aard der zaak noemen wij geen namen, maar voor de waarheid staan wij borg) de vrijheid neemt om de brieven, die hij van die orthodoxe candidaten in zijn kwaliteit in handen krijgt, te verdonkeremanen, schijnt de kerkeraad aan zijn voornemen vast te houden, in de overtuiging dat het toch vroeg of laat dien kant uit moet.

Zoo iets in staat is om de krachteloosheid en futloosheid van het moderne beginsel, in vergelijking met de levenskracht der orthodoxie, aan te toonen, dan is het wel dit bewijs uit het ongerijmde. We zouden Dr. Niemeyer, Ds. Eilerts de Haan en Nobel wel eens willen vragen: zijn U soms orthodoxe kerkeraden bekend, die er uit nood toe overgingen om een modernen candidaat te beroepen, wijl de belangstelling hunner gemeente zoo treurig en beneden critiek was, dat naar dit middel moest worden omgezien ? , (We zijn zoo vrij voor het gemak den naam orthodox bij te houden in de beteekenis, die hij in het leven heeft, n.l. de aanduiding voor de Protestanten, die de 12 Artikelen kunnen onderschrijven). Dat gematigd orthodoxe kerkeraden, wanneer hun gemeente in verval was, gereformeerde predikanten en candidaten beriepen, is zeker meermalen geschied, maar dat zij hierom heil zochten voor kerk en diaconie in een modernen dominee, dat is tot dusverre onvertoond.

Men zegge niet, dat dit bewijs uit het ongerijmde al zeer ongerijmd is. Zeker — we weten wel, dat het in kerkgaan niet zit, maar om met Dr. Laurillard, hun geestverwant te spreken: in het thuis blijven zit het toch zeker niet. Ieder, niet door partijzucht bevooroordeeld en verblind mensch zal moeten toegeven, dat die richting zeker geen toekomst heeft, welke zoo weinig tot het hart des volks blijkt te spreken, dat zij op de eene plaats tenauwernood een tiende trekt van degenen die er konden zijn en op een andere plaats door bloedarmoede een roemloozen dood sterft, of beter nog in liquidatie overgaat en de voortzetting aan haar erfvijandin overdraagt.

't Was kras wat onlangs iemand tot ons zeide van ethische richting, dat het modernisme bij het volk — afgezien van de leiders die tegelijk ook lijders zijn van een hoogstaand man als Prof. Cannegieter b.v. — in de praktijk op heidendom uitloopt.

Wanneer wij daarom den feitelijken toestand beschouwen waarin het modernisme in Drente en Gelderland, in Noord-en Zuid-Holland op tal van plaatsen verkeert, en ons niet laten overbluffen door de wonderboompjes van openluchtsamenkomsten en stembus-successen door de „N. R. Ct."alle getrouwelijk vermeld, kunnen wij orthodoxen, in het bijzonder wij gereformeerden, de toekomst in dit opzicht gerust tegemoet zien, omdat de herleving van het vrijzinnig beginsel is als wolken en wind, waar geen regen bij is. Zij zal weldra voorbij zijn. Nebula est, transibit.

Mag ieder prediken ?

De bekende Tohmas Watzon schrijft aldus : Vr. Waarom mag de eene zoowel niet prediken als de ander?

Antw. Omdat Godt (die een Godt van order is) het werk der bedieninge als een bysonder ampt van andere bedieningen heeft onderscheyden. Gelijk in het natuurlijk lighaam de lidtmaten haar onderscheydelijke amp ten hebben; 't oog is om te zien, de handt om te werken. Vraagt gij, waarom de handt zoo wel niet en ziet als het oog? De antwoord is gereet: om dat Godt tusschen beyden onderscheyt gemaakt heeft. Hij heeft de kragt om te zien aan 't eene en .niet aan't andere gegeven.

Zoo hier, Godt heeft onderscheyt gemaakt tusschen het werk der bedieninge en andere beroepingen.

Vr. Waarin bestaat dit onderscheyt? Antw. 1. Wij vinden in de Schriftuureen onderscheyt tusschen Horder en kudde. 1 Petr. 5:2: de Ouderlingen (of Opzieners hoedanig de Dienaars des Evangeliums zijn) vermane ik, weydet de kudde Gods die onder u is." Zoo de een of de ander prediken mag, zoo mengen se na dezelve regel alle prediken, en waar blijft dan 't onderscheyt van de Apostel ?

Waar zal de kudde Gods zijn, zoo ze alle Herders willen wesen?

2. God heeft het werk des Dienaars dat hem eygen is, en niemand anders toekomt, uytgesondert.

1 Tim. 4:13. „Houdt aan in hetlesen, in het vermanen, in het leeren, weest hierin bezig." Of, gelijk in de Grondtext staat: zijt daar 'geheelijk in."

Deze last gaat den Dienaar des Woords aan, en raakt niemand anders.

't Is niet geseyt tot den koopman dat hij hem selfs geheel en al moet overgeven aan 't leeren en vermanen. Neen, laat hem op zijn winkel passen.

't Is ook niet gesproken tot den Bouwman, dat hij hem geheel op 't prediken moet toeleggen. Neen, laat hem zijn ploeg vlijtig volgen, 't Is de last van een Dienaar des Woords. De Apostel spreekt tot Timotheus en in hem tot al degene, die de handen opgelegt zijn „Beneerstigt u om u zelven Gode beproeft voor te stellen, eenen arbeyder die niet beschaamt en wordt, die het woordt der waarheyt regt snijt". Dit moet bysonderlyk van de dienaren des Woords verstaan worden.-

Een yder, die het woord regt kan lesen, kan het woordt niet regt snijden, zoodat het werk der bedieninge geen algemeen, maar een bysonder werk is, den Dienaren des Woords alleen eygen. Niemand mogte de Arke aanraken als de Priester. Niemand mag dezen Kerken dienst aanvaarden, dan degene die daartoe geroepen zijn.

Vr. Maar indien iemand gaven heeft, zijn die niet genoeg?

Ant. Neen! Gelijk genade niet genoeg ig om iemand tot de bedieninge des woords bequaam te maken, zoo ook geen gaven. De Schriftuur maakt een onderscheyt tusschen de gaven en senden. Rom. 10:15 „hoe zullen zij prediken, indien zij niet gesonden en worden".

Indien gaven genoeg waren om een Dienaar des Woords te maken, zoo zouden de Apostel .gesegt hebben „hoe zullen zij prediken, indien zij geen gaven en hebben." Maar hij segte „indien zij niet gesonden en worden." Gelijk in andere beroepingen: de gaven maken geen Magistraat. De Advocaat, die voor de rechtbank pleyt, mag zulke goede gaven hebben als de Richter die op' de Rechterstoel zit, maar hij moet. eerst last en bevel hebben, eer hij als Richter op de Richterstoel kan zitten. En is het zoo gelegen in de borgerlijke saken, veel meer dan in Kerkelijke en Goddelijke; die dingen van de hoogste aan gelegenheit zijn.

Die dan de heilige bedieninge zonder wettelijke beroepinge en last onderkruypen en innemen, toonen meer hovaardije als ijver, zij werken buijten haar eijgen cirkel en zijn schuldig aan dieverije; zij stelen het volk. En gelijk als zij komen zonder beroepinge, zoo staan ze ook zonder zegeningen. Jer. 23:32. „daar Ik ze niet gesonden en hen niets bevolen en hebbe, en zij dezen volke gansch geen nut en doen, spreekt de Heere."Daar se den Heere niet gesonden heeft, daar zullen ze ook den volke gansch geen nut doen.

~~*) Wanneer wij in het bovenstaande beweringen
hebben geuit, die met de waarheid in strijd zijn, dan is
dat niet onze schuld: we herhalen met nadruk, dat
wij niets anders te berde brengen dan hetgeen, naar
wij vertrouwen, geloofwaardige berichtgevers ons hebben
meegedeeld.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's