De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

5 minuten leestijd

25) John Bunyan.

Zij weten niet welken weg ze kiezen moeten, en terwijl ze staan te denken en te praten, zie, daar kwam een man tot hen, zwart van vleesch, maar gehuld in een zeer wit gewaad en vroeg hun, waarom zij daar zoo stonden:

Zij antwoordden „dat zij naar de Hemelstad gingen, maar niet wisten, welke van deze twee wegen zij inslaan zouden".

„Volgt mij maar" zeide de man „want daarheen ga ik ook".

Zij volgden hem toen op den weg, die op den grooten weg uitkwam, doch die langzamerhand draaide en hen zóo afwendde van de stad, waarheen zij wenschten gaan, dat binnen korten tijd hunne aangezichten van die stad, afgekeerd waren. Toch bleven zij hem volgen I

Maar welhaast, voor zij het bemerkten, had hij hen beiden binnen het bereik van een net geleid, waarin zij beiden zóo verward raakten, dat zij niet meer wisten, wat te doen — en meteen viel het witte kleed van des zwarten mans rug af.

Toen zagen zij waar zij waren. Maar helaas! te laat. En geruimen tijd lagen zij te jammeren, want zij konden er zich niet uit redden.

Toen zeide Christen tot zijn makker: nu zie ik zelf, hoe ik gedwaald heb. Hebben de Herders ons niet bevolen, dat wij ons hoeden zouden voor de Vleiers. Nu ondervinden wij, hetgeen de wijze man in een spreekwoord zegt: Eén man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen." Spr. 29 : 5.

Hoop: Zij gaven ons ook eene aanwijzing van den weg, opdat we dien te zekerder vinden zouden, maar wij hebben vergeten, daarin te lezen en hebben ons niet gehoed voor de paden van den verderver. Hierin was David wijzer dan wij, want hij zegt: aangaande de handelingen der menschen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers." Ps. 17:4.

Zoo lagen zij zichzelf te beklagen in het net. Ten laatste ontwaarden zij een persoon. Blinkende, die naar hen toekwam, met een geesel van kleine touwtjes in zijne hand. Op de plaats, waar zij lagen, gekomen zijnde, vroeg hij hun, vanwaar zij kwamen en wat zij hier deden. Zij vertelden hem, dat zij arme pelgrims waren, die naar Sion gingen, maar uit hun weg gevoerd waren door een zwarten man, in het wit gekleed, die ons beval hem te volgen, want hij ging daar ook heen.

Toen zeide Blinkende, die den geesel in zijne hand had: Dat is Vleier, een valsche profeet, die zich veranderd heeft in een engel des lichts" (Spr. 29 : 5, Dan. 11:32, 2 Oor. 11:13, 14).

Daarop verscheurde hij het net en liet die beiden er uit. Hij zeide toen tot hen: „volgt mij, opdat ik u weder op den rechten weg helpe." Zoo leidde hij hen weder terug naar den weg, dien zij verlaten hadden, om den Vleier te volgen. Toen vroeg hij hun, zeggende: „waar sliept gijlieden dezen nacht? " Zij antwoordden: „bij de Herders op de Lieflijke Bergen." Hij vraagde verder, of zij van die Herders geen aanwijzing van den weg ontvangen hadden, en als zij daarop „ja" antwoordden, vroeg hij hun, of zij, toen zij geen raad meer wisten, niet die aanwijzing uit hun boezem gehaald hadden en gelezen ? Zij antwoordden: „Neen." En toen hij hun vraagde: waarom niet? zeiden zij, dat zij dit vergeten hadden.

Verder vroeg hij, of de Herders hun niet bevolen hadden, dat zij zich zouden wachten voor den Vleier. „Ja", antwoordden zij, „maar wij dachten niet, dat deze schoonsprekende man de Vleier was" (Rom. 16:18).

Toen zag ik in mijn droom, dat hij hun beval te gaan liggen, hetgeen zij deden.

Daarop kastijdde hij hen zeer, om hun alzoo den rechten weg te leeren, opdat zij daarin zouden wandelen. (Deut. 25:2).

En als hij hen kastijdde, zeide hij: degenen, die Ik liefheb, bestraf en kastijd Ik, weest dan ijverig en bekeert u" (Openb. 3:19, 2 Cor. 6:26, 27).

Toen hij dat gedaan had, beval hij hun, dat zij hun weg zouden vervolgen en goed acht geven op de verdere aanwijzingen van de Herders.

Zij bedankten hem voor zijne goedheid en gingen zachtkens voort op den rechten weg, zingende: Kom hierheen gij, die wandelt op de baan, Zie, hoe het pelgrims gaat, die dwalen gaan; Hoe zij gevangen raakten in een net: Zij hadden niet op goeden raad gelet, 't Is waar, zij zijn gered, maar ook daarbij Gegeeseld; dat u dit tot leering zij!

Nu bemerkten zij een poosje daarna iemand, van verre zachtkens aankomende, die geheel alleen den grooten weg wandelde, om hen te ontmoeten. Toen zeide Christen tot zijn makker: „ginds zie ik een man met zijn rug naar Sion gekeerd, hij komt op ons aan."

Hoop: „Ik zie hem ook, laat ons nu zorg dragen voor onszelven, hij mocht ook blijken een vleier te zijn."

Intusschen kwam hij al nader en nader en ten laatste kwam hij bij hen. Zijn naam was Atheïst (Godloochenaar). Hij vroeg hun, waar zij heengingen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's