Uit het kerkelijk leven
De kwestie zuiver gesteld?
In bet „Gereformeerd Weekblad" van 28 September lazen wij onder het opscbrift „Onze Kerkbeschouwing" bet volgende:
Ds. M. Jongebreur van Veenendaal heeft een referaat gebonden, dat tot titel draagt „Onze Kerkbeschouwing". Hij bestrijdt daarin degenen die het lidmaatscbap van de inwendige kerk, zooals hij haar noemt, het voornaamste achten en het lidmaatscbap van de uitwendige Kerk niet zoo hoog stellen. Laten wij zijn eigene woorden overnemen.
Lidmaat van de inwendige Kerk te zijn beschouwt men op dit standpunt als het voornaamste en lidmaat van de uitwendige Kerk te wezen acht men om verschillende redenen wel niet van belang ontbloot, maar toch iets minderwaardigs, iets dat in ieder geval niet staat in eenig oorzakelijk verband met het lidmaatschap der inwendige Kerk.
Nu gelooven wij, dat de geschiedenis heeft bewezen en dat de ervaring leert, dat een dergelijk dualisme tusschen in-en uitwendige, tusschen onzichtbare en zichtbare Kerk de bron van allerlei dwalingen is.
Maar nu vraag ik toch in gemoede of lidmaat van de „inwendige" Kerk te zijn, dat is lid te zijn van dat geestelijk lichaam, waarvan Christus het hoofd is, dat Hij kocht met zijn bloed, dat Hij in den tijd zeker toebrengt waarvan er geen enkele verloren gaat, of dat niet het voornaamste is? Ook ik acht het lidmaatscbap van de uitwendige Kerk niet van belang ontbloot, want de Heere zelf heeft den dienst des Woords ook in dien uitwendigen vorm ingesteld, en de Heere gebruikt hem nog om Zijn volk te verzamelen en op te bouwen in het dierbaar geloof, maar als het er op aankomt, dan is dat uitwendig lidmaatschap niet alleen minderwaardig, maar valt zelfs geheel weg. Niet de vleeschelijke geboorte uit Abrabam maar de geestelijke geboorte van boven maakte Israël tot het ware Israel. De offeranden en sabbathen en gebeden waren ook instellingen Gods, maar lees eens wat in Jesaja 1 gezegd wordt. Van al die instellingen, die God zelf ingesteld heeft, vraagt de Heere: Wie heeft zulks van uwe hand geëischt, dat gij mijne voorhoven betreden zoudt? Niet de besnijdenis van den voorhuid, maar de besnijdenis des harten, daarop komt het aan. En nu is het lidmaatschap van de uitwendige Kerk niet van belang ontbloot, maar het andere is het voornaamste. Dat gevoelt men ook als men samen is met dezulken, die tot eene andere kerkinrichting behooren. Als zij lidmaten zijn van de Kerk, van de Kerk van Christus, en zij hebben leven aan hunne ziel, dan valt het verschil in kerkelijk standpunt geheel weg en of men dan bij de Chr. Gereformeerden of Gereformeerden, bij de Oud-Gereformeerden of bij de Hervormden kerkt, daarnaar wordt dan niet gevraagd. Dan is het: „zoete banden die mij binden aan des Heeren lieve volk!" Hoe wij dan de Kerk beschouwen? Wel het uitgangspunt van Ds. Jongebreur is wel goed, want bij gaat uit van den Catechismus en de geloofsbelijdenis. Hij zegt:
Het is van algemeene bekendheid dat onze Cathechismus op de vraag : Wat gelooft gij van de heilige, algemeene Christelijke, Kerk, dit antwoord geeft: dat de Zone Gods uit het gansche menschelijk geslacht zich een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren door Zijn Geest en Woord in eenigheid des waren geloofs van den beginne der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt, en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.
Geheel in overeenstemming daarmede is wat onze Nederlandsche geloofsbelijdenis in art. 27 van de algemeene Christelijke Kerk belijdt, dat zij n.l. is: een heilige vergadering der ware Christgeloovigen al hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest."
Juist dat is de Kerk van Christus. Die daartoe behoort kan niet verloren gaan in der eeuwigheid. Want die uitverkoren is door den Heere, vergaderd, beschermd en onderhouden wordt, hoe zou hij van de genade kunnen vervallen? En nu treedt diezelfde Kerk hier op naar Gods wil als instituut. En dat instituut is de uitwendige kerk. Maar die beide begrippen dekken elkander hier niet.
Bij een groote kafhoop is nog maar weinig koren. De Kerk van Christus is de pit, het instituut is de bolster, die door God ook beschikt is, maar eenmaal wegvalt. In onze uitwendige H. Kerk vindt men als kern een gedeelte van die Kerk van Christus. Een ander gedeelte vinden wij bij andere Kerkformaties. In de dagen van geloofsvervolgingen zooals ten tijde van de Hervorming is de verhouding van de levende tot de doode leden natuurlijk veel gunstiger geweest dan in onzen tijd, Nu is het geen schande meer om lid van een Kerk te zijn. Nu wordt het zelfs wel geëischt om tot eerambten te komen. Daarom ook is de wereld volop in onze en andere kerken vertegenwoordigd. En aan die leden moet het aangezegd worden, dat het niet baten zal of zij al lidmaat van een uitwendige Kerk zijn. En al de ijveraars voor Kerk en Staat moeten bet hooren, dat het er op aankomt, niet om lid te zijn van een uitwendige Kerk, maar om lid te zijn van de Kerk van Christus,
En nu moet men niet zeggen, dat God alleen weet wie daartoe behooren! Zeker Hij alleen kent ze allen met een goddelijke, dat is met een volmaakte kennis. Wij kunnen ons vergissen in anderen, in ons zelven! Maar al is dan vergissing mogelijk, toch valt daarmede de kenbaarheid van de ware kinderen Gods niet weg. De Heere geeft Zijne genadeteekenen. Proef de geesten of zij uit God zijn. En zoo is het een voorrecht, dat er ook in onze Herv. Kerk nog zijn, die verzegeld zijn door het teeken des Lams.
In onze dagen nu men weer zoo voor zuiveren kerk vorm ijvert, op zichzelf heel goed, moet men hierop, vooral wijzen, Want al hadden wij nog zoo'n goed geordende uitwendige Kerk, en de Kerk des Heeren werd er niet in gevonden, dan zou men van haar kunnen zeggen, hetgeen men wel eens van een lijk zegt: „Een mooie doode I"
P. D. L. V. W.
Naar het ons voorkwam werd in dit artikel van de hand van Dr. de Lind van Wijngaarden de kwestie zoo onzuiver gesteld dat wij aan den geachten Hoofdredacteur het volgende toezonden:
Ingezonden.
M. d. R.
Ik heb altoos gemeend dat het, vooral wanneer broeders elkaar wel eens bestrijden moeten, tot de goede persmanieren behoort, dat men dan het gevoelen dat men wenscht te bestrijden, althans poogt zoo eerlijk mogelijk weer te geven. Daarom deed het mij leed toen ik in het laatst verschenen nommer 39 van uw „Gereformeerd Weekblad" uw bespreking over mijn referaat „Onze Kerkbescbouwing" lezend, den indruk kreeg dat u daarin juist getracht hebt bij uwe lezers een gansch verkeerde voorstelling van mijn bedoeling te vestigen.
Het spreekt wel van zelf dat het uw recht is om uit mijn referaat aan te halen wat u zelf verkiest, maar naar het mij voorkomt moet ik u het recht betwisten om uit hun verband gerukte gevolgtrekkingen op die wijze aan te halen, dat de indruk gevestigd wordt dat zulk een gevolgtrekking eigenlijk de praemisse is, waarvan ik in mijn betoog was uitgegaan..
Dit nu doet gij wanneer gij aan het begin van uw opmerkingen over mijn stuk zegt: „hij bestrijdt daarin degenen die het lidmaatscbap van de inwendige Kerk, zooals bij haar noemt, het voornaamste achten en het lidmaatscbap der uitwendige Kerk niet zoo hoog stellen."
U houdt mij ten goede dat ik deze uitdrukking op zijn zachtst genomen, onjuist moet noemen. Althans in verband met wat ik aan de door u aangehaalde woorden onmiddellijk deed voorafgaan, is het verre van juist dat mijn bestrijding speciaal bet feit zou betreffen dat men bet lidmaatscbap der z.g.n. inwendige Kerk het voornaamste acht.
Wat toch is het geval? Nadat ik op blz. 4 van mijn referaat herinnerd heb aan de verklaring die in onze Gereformeerde belijdenisschriften van de Kerk des Heeren gegeven wordt, wijs ik er op, dat het een misverstand is te meenen dat onze Belijdenis hier uitsluitend op het oog zou hebben de z.g.n. onzichtbare Kerk, een misverstand dus ook dat er naast of zelfs tegenover deze onzichtbare Kerk nog een andere zou bestaan, die men de zichtbare noemt.
De hoofdzaak van mijn betoog is dus te doen uitkomen dat men vaak scheiding maakt tusschen de z.g.n. onzichtbare en zichtbare Kerken, die, naar het mij voorkomt, wel te onderscheiden, maar niet te scheiden zijn.
Dat is dus de fout die ik in dezen bestrijd en nu is het waar dat ik uit die fout andere dwalingen laat voortvloeien en o. m. ook die, welke in de betrokken aanhaling wordt genoemd, maar u hadt het niet mogen voorstellen alsof deze gevolgtrekking die ik maakte, de praemisse was waaruit ik haar afgeleid heb.
Wanneer gij dan ook in plaats van deze gevolgtrekking, mijn hoofdstelling hadt aangetast, hetgeen uw recht en, als gij mij wildet bestrijden, naar mijn bescheiden meening, ook uw plicht was geweest, geloof ik niet, dat u van een inwendige Kerk, zooals hij haar noemt (ik cursiveer) gesproken zoudt hebben.
Immers uit mijn gansche betoog blijkt duidelijk dat ik dien naam „inwendige Kerk" niet voor mijn rekening neem, en uit uwe opmerkingen wordf bet weer bij vernieuwing duidelijk, dat dit woord juist past in het kader van hen die ik in dezen bestrijd.
Zou het nu niet beter geweest zijn indien wij over dit punt eens van gedachten gewisseld hadden en indien gij mij op grond van Gods Woord en onze Belijdenis hadt trachten te bewijzen dat mijn meening, dat er geen twee Kerken zijn, maar dat er slechts een zichtbare en een onzichtbare zijde van de éêne Kerk bestaat, op verkeerde gronden berust?
Immers wat gij nu zegt over vleeschelijke en geestelijke geboorte, over besnijdenis van voorhuid en besnijdenis des harten, beaam ik ten volle. En wat gij nu zegt over de pit en de bolster, daarmee doelend op het organisme en op het instituut der Kerk en dat die beiden elkaar niet dekken, ik ben het er volkomen mee eens. Het wordt trouwens ook in mijn referaat niet anders geleerd.
Maar dat is niet de kwestie die hier aan de orde is. Die kwestie is eenvoudig deze : Wordt in Zondag 21 van onzen Catechismus en Art. 27 van onze Geloofsbelijdenis de Kerk bedoeld die men de inwendige Kerk heet, of wordt er eenvoudig bedoeld de Kerk, afgezien van haar zichtbare of onzichtbare zijde. En nu meen ik op blz. 8 van mijn referaat op goede gronden te hebben aangetoond, dat onze Belijdenis hier niet de onzichtbare en ook niet de zichtbare Kerk op het oog heeft gehad, maar wel de Kerk, die van Gods zijde altoos onzichtbaar is, maar voor ons menschelijk bewustzijn zich zichtbaar openbaart.
Het punt waarin wij van elkander verschillen is dus niet dat gij in Zondag 21 en in Art. 27 ziet de onzichtbare en ik de zichtbare Kerk. Zoo tracht gij het wel te doen voorkomen, maar dat vind ik juist het oneerlijke van uw voorstelling. Neen, ons verschilpunt in kwestie moet, naar het mij voorkomt, aldus geformuleerd: gij ziet in Zondag 21 en in Art. 27 de inwendige Kerk en ik zie daarin niet de uitwendige, maar kortweg de Kerk.
Wanneer gij dit bedacht hadt, dan hadt gij niet behoeven te zeggen dat het den leden van de uitwendige Kerk moet aangezegd worden „dat het niet baten zal of zij al lidmaat zijn van een uitwendige Kerk", en „dat al de ijveraars voor Kerk en Staat het hooren moeten dat het er op aankomt, niet om lid te zijn van een uitwendige Kerk, maar om lid te zijn van de Kerk van Christus."
Dit zijn, mijn waarde, voor ieder Gereformeerd denkend en levend menscb „waarheden als koeien", maar nog eens, dat is de kwestie niet waarover het gaat. De opvatting die ik in mijn referaat bestreden heb is niet deze, dat men de z.g.n. inwendige Kerk als het voornaamste beschouwt; — dat doe ik evengoed als u — maar dat men dit doende het lidmaatscbap der uitwendige Kerk als iets minderwaardigs en zoo goed als van nul en geener waarde acht te zijn, dat men, zooals u het uitdrukt, „als het er op aankomt", dat lidmaatschap der uitwendige Kerk geheel laat wegvallen.
„Als het er op aankomt"! Maar wanneer komt het er op aan ? Bedoelt u daarmee, als we in de bedeeling der eeuwigheid zullen zijn? Dan ben ik het natuurlijk volmaakt met u eens, want dan geloof ook ik dat al het uiterlijke zal weggevallen zijn. Of bedoelt u daarmee, als we nu eens recht geestelijk gesteld mogen zijn? Wilt u daarmee dus zeggen dat hoe geestelijker men is, hoe minder oog men voor de zichtbare zijde der Kerk moet hebben; maakt u dus, zooals zoovelen in onze dagen, de begrippen „geestelyk" en „kerkelijk" — in den zin van kerkrechterlijk — tot een tegenstelling, dan ben ik zoo vrij met u van gevoelen te verschillen en dan meen ik in mijn referaat duidelijk aangetoond te hebben dat niet uw, maar wel mijn gevoelen op de leer van Caivijn en van onze Gereformeerde vaderen rust.
Meent u dat dit niet het geval is en dat ik in dezen afwijk van de lijn die èn in onze Belijdenisschriften èn in onze formulieren is uitgestippeld, dan zal mij niets aangenamer zijn dan in dezen door u van mijn ongelijk overtuigd te worden.
Beleefd verzoek ik u echter dan de formuleering van ons geding zuiver te stellen, en niet met termen als „een mooie doode" bij uw lezers den indruk te wekken, als zou het ons om het uitwendige en u om het inwendige gaan. In dat geval toch zal ik zoo vrij zijn niet verder met u in discussie te treden en het woord van den apostel tot het mijne te maken: „Ziet gij aan dat voor oogen is? Indien iemand bij zichzelven betrouwt dat bij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs bij van Christus is, wij ook van Christus zijn."
U bij voorbaat dankend voor de opname dezer regelen, verblijf ik,
Hoogachtend, uw dw. medebroeder,
M. JONGEBREUR.
Veenendaal, 30 Sept. 1912. In bet „Gereformeerd Weekblad" van 5 October berichtte Dr. de Lind van Wijngaarden in zijne „Correspondentie", dat hij een ingezonden stuk van Ds. J. te V. had ontvangen en dat dit, omdat het te lang was, in de twee volgende nummers geplaatst zou worden, met toelichtingen van zijne band voorzien.
Aangezien wij echter meenden dat ons ingezonden stuk aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat en dus geen toelichting van de hand van den hoofdredacteur van het „Gereformeerd Weekblad" behoeft, vindt onze discussie thans een plaats in dit blad en laten wij aan den onbevooroordeelden lezer de beslissing of door onzen geachten opponent de kwestie al dan niet zuiver is gesteld.
V. J.
Een medewerker schrijft ons:
Het beroep naar Someren.
Was het de benoeming van een hoogleeraar in de theologische faculteit van Utrecht's hoogescbool, welke voor een paar maanden tal van pennen in beweging bracht, thans is het de beroeping van een predikant naar het vergeten plaatsje Someren, die het onderwerp uitmaakt van een min of meer onverkwikkelijke persdiscussie. Het gaat nl. over het feit, dat de heer F. W. Willekes, vroeger godsdienstonderwijzer hier te lande, thans dominee in de Engelsch Presbyteriaansche kerk in Amerika, een beroep naar genoemde gemeente ontvangen heeft en langs dezen weg predikant in onze kerk zal worden. Het is niet de eerste maal, dat een zoodanig geval zich heeft voorgedaan. Wij weten ook, dat een paar jaar geleden een godsdienstonderwijzer zich naar Amerika heeft begeven om predikant te worden, met het uitgesproken doel na een ambtsvervulling aldaar van enkele jaren, gelijk de heer Willekes, in onze kerk beroepen en toegelaten te worden tot het afleggen van een colloquium doctum, gelijk staande met het proponentsexamen.
De reden, dat deze godsdienstonderwijzers een zoodanigen weg bewandelen, is geen andere dan dat onze kerk thans geen artikel meer heeft, waarbij degenen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt kunnen worden toegelaten, alhoewel ze bogen mogen op „singuliere gaven" (art. VIII van de Dordtscbe Kerkenordening).
In de Geref. kerken, waar men, zooals bekend, tot de Dordtscbe Kerkenordening is teruggekeerd, wordt genoemd artikel af en toe nog wel eens toegepast. Het komt daarom ook voor, dat godsdienstonderwijzers van Geref. beginselen in de Ned. Herv. Kerk, die Ds. voor hun naam willen hebben, om deze reden lid worden der Geref. kerken, liever dan den langen weg over Amerika te bewandelen.
Dat er onder de aldus als predikanten , toegelatenen waarlijk mannen zijn geweest met singuliere gaven als een Gispen Sr. en een v. d. Valk Sr., wie zal dit willen ontkennen? Ze hebben het meerendeel der aan de Theol. School gevormden verre achter zich gelaten. Ze hebben metterdaad bewezen, dat men langs anderen dan den gewonen weg een uitnemend sieraad van den kansel kan worden.
Echter is dit het gevaar, dat er in het toepassen van een zoodanig artikel schuilt, dat bij gebrek aan gestudeerde predikanten wel eens wat al te spoedig godsdienstonderwijzers e.a. tot mannen met singuliere gaven worden gepromoveerd. In den eersten tijd na 1886 bv., toen er geen voldoend aantal leeraren was om de doleerende gemeenten in hare geestelijke behoeften te voorzien, zijn er, indien wij ons niet vergissen, verscheidenen op grond van art. 8 als predikant toegelaten.
Zoo iets behoort echter een hooge uitzondering te blijven, vooral in onze tegenwoordige omstandigheden. De klacht, dat slechts weinige zonen uit patricische families bereid zijn dominee te worden, is al van ouden datum
In de laatste vijftig jaren is het in 't bijzonder in vele ongeloovige kringen gewoonte geworden met een soort schouderophalen het feit te begroeten, wanneer eens iemand van deftigen stand het predikambt verkiest. Dat iemand advocaat, dokter of ingenieur wordt, kan men zich begrijpen, maar hoe iemand het in zijjn hoofd krijgt — vooral wanneer men iemand met hersens is — om voor predikant te gaan studeeren, daar kunnen sommigen heelemaal niet bij. 't Zal toch niet lang meer duren — zoo profeteerde men — of alleen jongens uit lagere kringen zullen daar lust in hebben, om een sport hooger te komen op de ladder der maatschappij en nog een generatie verder, zal niemand, die in de gelegenheid is Academisch onderwijs te volgen, er aan denken de loopbaan te kiezen van predikant: alleen ongestudeerden, schoenmakers en kolendragers, e. a., die over een natuurlijke gave van welsprekendheid, liever nog over een groot praatvermogen beschikken, zullen het nog begeeren.
Nu ziet het er gelukkig weinig naar uit, dat die ongeloofsprofetieën weldra werkelijkheid zullen worden. Immers velen nog hebben in de laatste twintig jaren zich groote opofferingen getroost, met het vooruitzicht, dat aan het eind van de veeljarige studie hun een beroep naar een afgelegen plaats met een karig tractement wachten zou. Het feit, dat er onder de orthodoxen, al is dit bij ons gereformeerden in engeren zin tot dusverre anders, een overvloed is van candidaten, niettegenstaande het weinig aanlokkelijke van de uiterlijke positie, pleit zeker voor belangstelling in de dingen, die de religie aangaan, is ten minste een beter symptoom voor den standaard van het geestelijk leven dan een jaren lang tekort aan proponenten.
We hebben evenwel toe te zien, dat de wetenschappelijke opleiding der predikanten, waar de eischen op allerlei gebied steeds toenemen, zoo hoog mogelijk sta. Dat we daarom er toe zouden behooren over te gaan om, gelijk bij de Remonstranten het geval is, te vorderen, dat de toekomstige herder der gemeente Doctorandus in de godgeleerdheld is, lijkt ons op zijn zachtst genomen, al heeft ook Prof. Knappert dit een paar jaren geleden voorgesteld, overdreven. Er zijn toch tal van redenen, die aan de inwilliging van dien eisch in den weg staan, of men zou het doctoraal-examen vrijwel tot een paskwil moeten maken. Dit moet echter geen reden wezen om de candidaten in de godgeleerdheid met een minimum van kennis toe te laten: integendeel zou het zeer wenschelijk zijn, wanneer ten minste in de Ned. Herv. Kerk op dogmatisch en dogmenhistorisch gebied van de aanstaande predikanten wat meer werd verlangd.
We hebben daarom zoo weinig mogelijk voet te geven aan het verlangen van velen, die meenen, dat, wanneer iemand naar het hart van Jeruzalem weet te preeken, deze maar aanstonds Ds. moet worden. Zoo ook hebben onze vaderen het in den regel begrepen. Zelfs werd sinds 1650 Art. 8 van de Dordtsche Kerkenorde niet meer toegepast. Dat er op die manier sommigen buiten gesloten worden, die meer dan menige gestudeerde verdienen als predikant op te treden, we kunnen het niet ontkennen. Het gevaar is evenwel niet denkbeeldig, dat in ongeloovige wetenschappelijke kringen bij een veelvuldige toepassing van een dergelijk artikel de achting voor het peil van den predikantenstand steeds meer zal dalen.
Zeker — we hebben om deze reden niet de invoeging van een zoodanig artikel na te laten. We willen gaarne erkennen, dat er in theorie veel voor valt te zeggen en het in de practijk bewezen is, dat op die manier schoone talenten tot hun recht kwamen, maar toch meenen we, dat men met de toepassing daarvan uiterst behoedzaam moet zijn, dat men niet alleen met de wenschen van bijzondere gemeenten (en van „bijzondere" personen in de gemeenten) moet te rade gaan, maar bovenal met het algemeen belang der Kerk (Art. 57 Reglement op de "Vacaturen). Hoezeer we alles behalve bewonderaars zijn van den Reglementenbundel onzer Kerk, moeten we verklaren, dat wé de artikelen ten dezen opzichte tot de beste rekenen en het gaat o.i. niet aan, dat men op listige wijze door de mazen dier artikelen tracht heen te sluipen.
Wil men een artikel soortgelijk aan Art. der 8 Dordtsche Kerkenordening, we zijn er niet per se tegen. Het is echter niet goed te keuren, dat men via Amerika, waar men heel gemakkelijk met ternauwernood de helft der kennis, die hier geëischt wordt. Ds. kan worden, wijl een groote woordenrijkdom er de doorslaggevende factor is, in onze Kerk tracht binnen te komen. Gelijk het vroeger geschiedde, dat men te Lausanne ging studeeren, wijl de eischen daar minder waren, maar hieraan enkele jaren geleden op doeltreffende wijze een eind is gemaakt, zoo ook behoort men o. i. er paal en perk aan te stellen, dat iemand voor den vorm een paar jaar predikant wordt bij de Engelsch Presbyteriaansche Kerk en daarna zich als zoodanig wettig kan aanmelden bij onze Kerk. Op die manier wordt er van een goed artikel een gebruik gemaakt, dat daarmee niet is bedoeld.
Men zal opmerken, dat het colloquium doctum den waarborg biedt, dat genoemd euvel niet kan binnensluipen. Nu hebben we zulk een colloquium, dat met gesloten deuren plaats vindt, nooit bijgewoond. Dat het een onderhoud is, willen we wel gelooven; dat het er geleerd naar toe gaat, wagen we voorshands nog te betwijfelen, wijl dan allicht nu deze en dan die niet het voornemen zal opvatten een zoodanigen weg te bewandelen om zijn voornemen meestentijds met goed gevolg bekroond te zien. Er zouden in Amerika wel de spreekwoordelijke wonderen moeten gebeuren, wanneer iemand op leeftijd daar te midden van zijn ambtsbezigheden zich in een paar jaar van de kennis weet meester te maken, die van jongeren hier te lande een tiental jaren vordert.
Wil men echter de mogelijkheid niet afsnijden om anderen dan academisch gevormden in de Ned. Herv. Kerk als predikant te laten optreden, zouden dan de Provinciale Kerkbesturen van Noord-Brabant en Limburg en van Utrecht niet kunnen beginnen voorstellen aan de Algemeene Synode te doen, om de leerlingen van de meer seminaristisch getinte Theologische Scholen te Kampen of te 's-Gravenhage b.v. tot het proponents-examen of een colloquium doctum — dat is alevel hetzelfde — in onze kerk toe te laten, waar die van de Vrije Universiteit immer zoo zorgvuldig werden geweerd? We zien van genoemde Kerkbesturen voorstellen in dien geest tegemoet, al zullen we waarschijnlijk wel een poosje moeten wachten!
Dordrecht.
Het is nog niet uit te Dordrecht. 49 lidmaten der Ned. Herv. Gem. aldaar hebben nu weer bij den Kerkeraad een protest ingediend tegen de toelating der moderne heeren, die benoemd zijn tot ouderling en diaken.
Dat is recht! Onze Kerk heeft oen belijdenis, waarvan geest en hoofdzaak bekend genoeg is. N.l. geest en hoofdzaak van de kerkelijke belijdenis. Van de belijdenis die ving Ds. Bakker zijn rede aan, hem gezegd, het wettig eigendom is onzer Herv. Kerk.
Men heeft de 12 geloofsartikelen maar op te slaan, men heeft maar in te zien onzen ouden Heidelberger, men heeft maar te bladeren in de 37 artikelen, men heeft maar na te gaan de 5 leerregelen van Dordt — en tot „geest en hoofdzaak" van die belijdenis behoort zeker en gewis: de godheid van Christus, de verzoenende kracht van Zijn bloed, de opstanding uit de dooden ten derde dage, de opstanding des vleesches op den jongsten dag enz.
Althans voor een orthodox Classicaal Bestuur is dat zoo duidelijk als 2 X 2 vier is.
En de moderne heeren te Dordt hebben voor de commissie uit het Classicaal Bestuur van Dordt den 28sten Maart 1912 uiteengezet wat hun belijdenis is, welke belijdenis wel strookt met hun ideiën, maar niet met de beginselen der Herv. Kerk.
En daarom is het heel natuurlijk, dat er lidmaten der Herv. Kerk zijn, die zeggen: die moderne heeren mogen niet in het ambt bevestigd worden.
Ons aller oog moet op deze zaak zijn, evenals heel de moderne partij op deze zaak acht geeft.
Wel zeggen de modernen bij monde van Dr. Iterson te Dordt: laat orthodoxen en modernen toch rustig voortwerken in de Herv. Kerk. Maar die de tegenstelling van orthodox en modern voelt kan en mag zoo niet spreken. Die weet dat de strijd van den moderne tegen het orthodoxe geloof, de strijd is waarvan de Heere overal in Zijn Woord spreekt, Zijn gemeente betuigende: wees vurig van geest en wedersta de valsche leeringen, die niet uit God zijn.
't Is voor den orthodoxe een zijn of niet zijn. De orthodoxe moet zich verzetten tegen 't geen 't modernisme leert, 't Gaat om ons allerheiligst, om ons dierbaar, ons ongetwijfeld, ons christelijk geloof.
Daarom zouden we zoo gaarne willen, dat allen die op den bodem onzer gereformeerde, kerkelijke belijdenis staan, eens opwaakten om óp te komen voor ons dierbaar geloof.
Niet om die paar moderne mannen in Dordt te weren alleen.
Maar voor héél ons kerkelijk leven. Men praat over de Overheid en haar taak ten opzichte van de Kerk. Men loopt te hoop rondom Art. 171. Men strijdt voor de eere der Kerk. Men wijst op mijnen, die onder die Kerk gegraven worden, op mannen en bonden in die Kerk, voor die Kerk ten verderve.
Maar waarom gaat er niet een poging van ons allen te zamen uit, om te doen wat onze hand vindt om te doen, dat in onze Herv. Kerk ons dierbaar geloof niet gelasterd wordt?
Waarom schreeuwt de Kerk niet? Waarom protesteert men niet tegen alle knoeierij in zake de leer?
Waarom wordt voor proponenten, voor godsdienstonderwijzers, voor degenen die belijdenis wenschen af te leggen, niet een eerlijke, duidelijke, christelijke verklaring opgesteld, overeenkomstig ons christelijk geloof?
Waarom doet men dat niet? terwijl men blijft spreken van „leer" en „belijdenis"?
Als de Kerk zélf niet opwaakt, dan is er ook niet te verwachten, dat God haar zal behoeden.
We vergaan — en dan door eigen schuld. Door eigen ongerechtigheid, door eigen laksheid, door eigen betweterij, door eigen pikanterie, door eigen verdeeldheid en haarkloverij.
De Heere geve nog van Zijn Geest, die kome om saam te binden en aan te blazen.
De nood is groot! En we zien het niet....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's