Stichtelijke overdenking.
Ps. 119:17a . "Doe wel bij Uwen Knecht, dat ik leve".
Leven.
Ps. 119 wordt veelal genoemd het „dagboek van David".
't Is niet zeker, dat David de dichter is; ook worden Jeremia en Ezra genoemd; zoodat het niet met zekerheid is uit te maken wie de schrijver is.
Maar dat is zoo erg niet, want het gaat niet om den persoon, maar om het getuigenis dat hij heeft gegeven, als een getuigenis des Geestes.
En daarom hebt gij bezwaar om Ps. 119 „het dag-en reisboek van David" te noemen, noem het dan „het gouden ABC boek der geloovigen".
Een gulden boekske is Ps. 119; kunstig ingedeeld, in 22 afdeelingen; net zooveel als er letters in het Hebr. alphabet zijn.
't Bizondere van dezen Psalm, de grootste uit heel het Psalmboek, is, dat het voortdurend over het zelfde onderwerp gaat, en wel over Gods Woord.
176 verzen — en 176 maal gaat het over Gods wet, over Gods inzettingen, over Gods getuigenissen. En 176 maal wordt door den dichter de lof gezongen van Gods Woord, om te verhalen dat hij dat woord lief heeft en dat woord niet missen kan. Dat daar zijn leven ligt.
Een Perzisch dichter moet eens 100 spreuken gemaakt hebben op de roos, om die schoone bloem te prijzen en te roemen.
Maar de dichter van Psalm 119 weet het nog anders te doen met Gods Woord.
En o! denk toch niet, dat zal vervelend worden altijd het zelfde te zeggen en altijd het zelfde te hooren, 176 maal achter elkaar over Gods getuigenis en Gods Waarheid — want 't is voor den dichter geen vervelende zaak geweest het uit te roepen en het is voor Gods kinderen nooit vervelend om er naar te luisteren.
Waarom niet? Vindt de visch het dan vervelend om in een volle rivier te spartelen en vindt de vogel het dan vervelend om rond te vliegen in die breede luchtruimte?
Neen, dag aan dag schiet de visch door de frissche stroomen en dag aan dag doorklieft de vogel de lucht, 't Is hun element.
En zoo is het 't levenselement voor den vrome om Gods Woord te bepeinzen, te bespreken, te prijzen! Dat Woord kan nooit genoeg onderzocht worden, en er kan nooit genoeg van gezegd worden — zalig die dat bij ervaring weten mag!
Want... Gods Woord wordt ook wel eens meer geprezen, dan gelezen!
Maar 't moet gegeten worden als brood, gedronken als water, dan zal men proeven en smaken, dat het goed is. Dan zal men God zien!
De dichter van Psalm 119 zit er aan vast. Hij zwoer er naar te zullen leven, 's Heeren gebod zéér te bewaren en het niet te vergeten.
Terwijl hij diep beklaagt allen, die aan dat Woord vreemd zijn en onverschillig voor Gods getuigenis voort leven. Hij weet, dat ze vallen zullen in den dood, verdwalen in donkerheid en ellendig omkomen, allen die Gods Woord verachten en Gods wegen verlaten.
Wonderlijk, dat de een het Woord zoo rijk vindt en de ander er niets van wil hooren.
Geen grooter vijandschap dan tegen het Woord.
Geen grooter verachting dan voor Gods getuigenis.
Maar ook geen zoeter genot dan Gods openbaring en geen zaliger bezit dan Gods waarheid.
Of belijdt Gods volk niet, dat Gods Woord een Gids op de reis is, een licht op het pad, een zwaard ter verdediging, brood om te voeden, wijn om te verkwikken, honigzeem om ons te verheugen, een schat om rijk te maken, een kleed om ons te dekken, een harp om op te spelen, een lied om te zingen, een anker der hope, een hemel vol sterren, een heerlijk Paradijs?
Zooveel sterren als er blinken aan den hemel, zooveel engelen als er zingen voor Gods troon, zooveel druppelen waters als er .zijn in den Oceaan, zooveel korrels zand aan den oever der zee — zooveel schatten zijn er in Gods Woord, kostelijker dan robijnen en edeler dan fijn goud.
Is het wonder, dat de dichter van Ps. 119 176 verzen noodig heeft om over dat Woord te spreken? bekennende dan, dat Gods gebod zéér wijd is, ja, dat er geen eind aan is?
„Doe wel bij uwen knecht, dat ik leve". De dichter vraagt om leven.
Leven. Wie wil er niet gaarne leven? Immers ieder schepsel, mensch en beest!
Het dier huivert er voor terug om het slachthuis binnen te gaan en ziet smachtend op naar den mensch om hulp, als het sterven moet.
En de mensch — wat is er meer tegen z'n natuur dan dat hij sterven moet. O! als de dood aanklopt of in de verte wenkt, dan siddert de mensch tot in z'n binnenste.
Leven. Wat doet de mensch al niet om te leven, om lang te leven, om prettig te leven, om brood te hebben om te leven, om den levensstrijd te strijden en den levensbaan te loopen.
Wat moeilijk is het voor velen om door 't leven te komen en wat wordt er dan niet gedaan om er door te worstelen, om 't hoofd boven water te houden, om te krijgen wat het allernoodzakelijkste is.
O! de mensch leeft zoo gaarne. En er zijn honderden en duizenden die vragen: gun ons toch te leven. Geef ons brood. Geef ons werk. Geef ons geld. Geef ons een bestaan. Geef ons leven voor ons gezin.
En ach — 't is zoo moeilijk soms. Maar men worstelt op leven en dood.
Leven. Duizenden leven hun leven uit in vroolijkheid, in pracht, in weelde, in zingenot.
De dagen der week zijn hun te weinig. Den Zondag zouden ze niet gaarne missen. De dag is hun te kort. Den nacht er bij te nemen is zoo zoet.
Leven — o! wat is het een genot om te leven, zegt men. En de gedachte van den dood moet verre gehouden worden.
Leven — ol om te leven voor de kunst, voor de wetenschap. Om te leven tot reizen en trekken. Om te leven tot volbrenging van een voorgesteld doel en tot bereiking van een gesteld ideaal, wat is het zoet zeggen anderen.
Leven — worsteling op worsteling om te leven. En de gedachte aan den dood moet zelfs niet gewekt worden, o! neen.
Maar.... zulk „leven" bedoelt de dichter van Ps. 119 niet. Zulk leven is langzaam sterven en voor eeuwig omkomen.
Wat geeft het mij en mijn huis of we brood hebben om te leven. Dat leven krimpt in. Dat vliegt weg. 't Uitnemendste is zorg, moeite en verdriet. En dan komt de dood toch.
En dan na den dood... ! Wat geeft het of ik nacht en dag, door de week en des Zondags prachtig gekleed ga en eet en drink en zing en spring — en dan op mijn ziekbed word geworpen, dan sterf, ... dan de oogen opsla in de hel ? !
Wat geeft het, of ik werk verricht voor kunst en wetenschap, voor ontwikkeling en verfraaiing, voor beschaving en verstand — als mijn dagen kort zijn en mijn einde vol teleurstelling, om te laat te ontdekken, dat de mensch niet leven kan van dat alles?
Neen, neen de dichter van Ps. 119 vraagt niet om zoo'n leven. Dat is ook het ware leven niet. De dichter vraagt om leven, dat uit God is en in Zijn Woord alom geprezen; dat hij zelf nader aldus omschrijft:
„ Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan. Welgelukzalig zijn zij, die zijne getuigenissen onderhouden, die Hem van ganscher harte zoeken; ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijne wegen" (vers. 1, 2, 3)..
Dat zijn de gelukkige menschen! Die den Heere kennen in de openbaring Zijner gerechtigheid en Zijner genade.
Die den Heere van ganscher harte zoeken; die Zijn Woord bewaren. Die in oprechtheid voor Hem leven, niets anders wetende, dan wat God zelf hun leerde en gaf.
Die zijn vol zaligheid; die zijn te benijden; die weten wat leven is.
Dat is leven; leven dat niet afneemt, maar toeneemt; leven dat niet teleurstelt en telkens meer belooft; leven, dat eiken dag nader brengt bij het eeuwige leven.
En daar heeft de dichter ook kennis aan. „De Heere is mijn deel" kan en mag hij getuigen (vers 57). „Ik ben een gezel van allen, die U vreezen en van hen, die uwe bevelen onderhouden" (vers 58). „Hoe lief heb ik uwe wet! Zij is mijne betrachting den ganschen dag" (vers 97).
Dat Godsleven mag hij kennen. Dat is het ware leven, dat zijn ziel verzadigen kan.
Oprecht voor God. Wandelend in den weg Zijner geboden.
O! die dat kennen mag, die heeft het goede deel.
Laat Abel dood geslagen worden door Kaïn — dan is toch het leven van Abel en de dood van Abel meer waard dan het leven van Kaïn. Want Abel blijft leven en Kaïn sterft weg voor eeuwig.
Dat leven is een genadegifte Gods. „Ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij", roept Paulus uit.
En van dat leven bekent hij: „niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den H, Geest".
Gelijk de Heiland zelf zegt: „tenzij iemand van boven geboren worde, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien".
Een genadegifte Gods. Waarom Paulus uitjubelt: „ik danke God, dat Hij mij wedergebaard heeft tot een levende hope".
Dan zal er om dat leven gevraagd moeten worden. Aan God gevraagd. Om gebeden.
't Is een gunste Gods om te mogen leven, om te kunnen leven.
„Heere bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn". Of zooals de dichter van Ps. 119: „doe wel by uwen knecht, dat ik leve".
Het leven dat de dichter bedoelt is een weldaad Gods. In de genieting van Gods weldaden ligt het leven, dat zalig maakt.
En daar vraagt hij om. Om het als een gunst van God te mogen ontvangen en als een gunst van God het ook te mogen genieten. Want dat zijn twee: ontvangen eerst en dan er van genieten met vreugd!
Hij doet dat vertrouwelijk. Hij heeft kennis aan God. Hij staat met den Heere in betrekking. Hij is zijn knecht.
Waardig om opgemerkt te worden. De knecht gaat tot den Meester en smeekt: „laat mij in dezelfde betrekking blijven bij U, want het is mij zoo goed nabij U te mogen zijn; vergun mij, dat ik U kenne en diene — want in uw dienst is leven, uw dienst is een zalige dienst".
Hij heeft vroeger een anderen dienst gehad. En telkens kwam hij met dien anderen dienst weer in aanraking.
Maar o! wat was dan de dienst des Heeren een goede en aangename dienst. Wat was het dan liefélijk en zalig om met den Heere in betrekking te staan!
Geen beter dienst dan de dienst des Heeren. Dat is het ware leven, waarbij de ziel kan ademhalen en zeggen: „ik ben vroolijker in den weg uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom".
Hoe dat mogelijk is, dat de mensch, die een zondaar is, het bij God zoo goed kan hebben ?
O! dat is een eeuwig wonder. Dat is één gunste Gods, die nooit genoeg te prijzen is.
Neen, de rijke jongeling deelt er niet in. Die meent te leven, maar is dood.
De dwaze maagden met hun lampen deelen er niet in, die wandelen in het donker en zullen buiten geworpen worden.
De rijke man, brassend aan de feestmaal* tijd, vol uitgezochte spijzen, is er verre van af. Hij is zonder God en zonder Christus en daardoor zonder hope in de wereld.
Maar de klager uit Ps. 116, die bidt: „och, dat mijn ziele werd gered!" — die mag opspringen van vreugd en adem halen, zeggende tot zijn ziel: wees blijde, gij zijt verlost!
Zalig de armen van geest, die treuren en klagelijk weenen. Die zullen God zien. Die zullen des Heeren Knecht aanschouwen. Die zullen in Christus vinden, wat tot bedekking der zonde is geopenbaard. Die zullen worden overgezet in een vernieuwden staat en in een betrekking tot God, vol vrede en barmhartigheid.
Dan is al het oude voorbij gegaan, ziet, alles is nieuw geworden.
En dan door Gods weldadige liefde verwaardigd te worden, in die wateren van genade zich te baden, in die stroomen van verzoening zich onder te dompelen, ziet, dat is leven, waarbij het leven van deze wereld niets, niets is!
Geen leven dan in den Borg. Geen vrede dan door Zijn bloed. Geen vreugd dan bij Zijn kruis. Geen hope, dan door Hem, die leeft. Geen toekomst, dan in den verhoogden Middelaar. En om Hem dan in den geloove te mogen omhelzen, dat er getuigd mag worden: mijn rots, mijn deel, mijn eenig goed! — ziet, dat is leven.
Genade leven. Leven door Gods gunst. Waarom de ziele van den-dichter bidt. En waarvan onze ziele geniete tot in eeuwigheid, tot roem van Hem, die Zijn Sion mint met een eeuwige, onberouwelijke liefde, in Christus Jezus gevend sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's