Staat en Maatschappij.
Bedenkelijk.
De wijze waarop bijzonderlijk in den laatsten tijd sommige voormannen der Confessioneele richting optreden, is niet van bedenking vrij te pleiten.
In stede dat men van die zijde tegenover den tegenstander positie neemt en dien bestrijdt, richt men integendeel bij voorkeur zijne scherpste pijlen naar den kant van hen, die krachtens hunne beginselen in menig opzicht het kenmerk van geestverwantschap bezitten.
Men keurt het separatisme af en veroordeelt den ander, dat hij steeds bezig is de afscheidingsbeginselen op de spits te drijven, maar zelf doet men niet anders dan de kloof verbreeden en de afscheiding in de hand werken.
Vooral is het de Gereformeerde Bond, die daarbij als mikpunt dienen moet. Die Bond is een sta-in-den weg om eigen positie te sterken. Met een gevoel van tegenzin ziet men den invloed toenemen, die van den Bond zoowel voor het kerkelijk als staatkundig leven van ons volk in de Ned. Herv. Kerk gaandeweg uitgaat. In den politieken strijd b.v. moesten de vrienden van den Bond zich, naar de meening dier Confessioneelen, niet als Antirevolutionairen aandienen, maar als* Christelijk-Historischen. Zij behoorden zich één te gevoelen met alle Hervormden, die als zoodanig tot een politieke partij zijn vereenigd.
Dat dit laatste uithoofde van allerlei beginselkwesties niet mogelijk is, is door ons reeds zoo menigmaal bij tal van gelegenheden uiteengezet, dat wij vermeenen de verschilpunten niet nogmaals te moeten aangeven.
Is daar nu verschil van gevoelen tusschen de Confessioneelen en ons, dan zal ons niets aangenamer zijn, dan daarover op broederlijke wijze van gedachten te wisselen. Maar dan make men ook ons dit niet onmogelijk.
Wij juichen het toe als men voor eigen overtuiging opkomt, als men voor eigen beginselen propaganda maakt, desnoods kunnen wij ons indenken, dat men tegen de coalitie waarschuwt. Doch het is beslist afkeurenswaardig, als men door het bezigen van onware voorstellingen een ander in een verdacht licht stelt.
En daarover heeft de Gereformeerde Bond te klagen, als hij aangevallen wordt door Confessioneele voormannen op een wijze, als Ds. Lingbeek van Spijk dit doet en gelijk nu weer te Amsterdam gebeurde door Ds. Bakker uit Koudum.
Blijkens een verslag in de Nederlander van 10 October 11., vroeg Ds. Bakker in een rede, die hij op 9 October in de hoofdstad des lands hield: Is het niet verschrikkelijk, dat de mannen van den Geref. Bond evangelisaties oprichten in plaatsen waar het zuivere Woord Gods gepredikt wordt? In welke gemeente van ons land, zoo zouden wij Ds. Bakker willen vragen, doen de mannen van den Gereformeerden Bond dit?
Laat men nu eens feiten noemen. Zoo ook kwam Ds. Bakker, naar een verslag in de Standaard, mededeelen, dat de Gereformeerde Bond „boedelscheiding" voorstaat.
Is dit waar? Weet Ds. Bakker dit niet beter? Wordt hier met eerlijke wapens gestreden ?
Dat het op die vergadering te Amsterdam nogal grof toeging, waarbij de spreker het ook niet weinig op Dr. Kuyper en op de coalitie, vooral wat de benoeming van Prof. Visscher te Utrecht betreft, voorzien had, blijkt wel hieruit, dat Dr. Kromsigt als leider der samenkomst meende ook op het goede te moeten wijzen dat Dr. Kuyper voor ons volk verricht heeft.
Sprak uit de woorden van Dr. Kromsigt een waardeerende toon, wij moeten tot ons groot leedwezen zoo telkens opmerken, op welk een verdachtmakende wijze uit zekeren hoek der Confessioneelen, de mannen van den Gereformeerden Bond beoordeeld en veroordeeld worden.
Het moet haast als een schande aangemerkt worden als men zich bij dien Bond heeft aangesloten.
Kan aan zulk een bedenkelijke wijze van strijdvoeren geen einde komen?
Gevaarlijk spel.
Indië maakt moeielijke dagen door. In vrijzinnige kringen laait sterker dan ooit te voren de vijandschap op tegen de Christelijke Zending. Men gevoelt zoo den grooten invloed die van de Zending uitgaat. De landen zijn wit om te oogsten en telkens komen er nieuwe arbeiders om den Javaan en Maleier met het Evangelie des kruises bekend te maken.
Dit verdriet den Logeman, die tot op heden het hecht in handen had, en die vrijelijk naar zijn vrijzinnig beginsel kon handelen.
Maar wat nood, de Mohamedaansche bevolking is op het oogenblik nog heel wat machtiger en sterker dan dat deel der bevolking, dat de zendingsgemeenten uitmaakt. De Indo's en de Hadji's (priesters) zijn wel te mobiliseeren, ook al houdt de Mohammedaan zich rustig en draagt deze de Zending een goed hart toe.
En nu wijst men op vermeende rustverstoringen, welke van het optreden der Zending het gevolg zouden kunnen worden.
De Gouverneur-Generaal Idenburg draagt voor die rustverstoringen de verantwoordelijkheid.
Daarom moet aan de actie der Zending een einde komen, wil de rust op Java terugkeeren
Als men dit alles nu maar gelooven wil, dan hebben de vrijzinnigen het pleit gewonnen.
Men speelt in Indië van de zijde der vijanden van de Zending gevaarlijk spel, om te trachten den Javaan tegen het Gouvernement op te zetten.
Krijgt de vrijzinnigheid ten slotte haar zin, dan is het met de Zending gedaan, of althans zal de voortgang der Zending gebreideld worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's