De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Gij zijt het licht der wereld enz. Matth. 5:14—16.

Het licht der wereld.

Er zijn christenen, die zich van de practijk der godzaligheid weinig aantrekken. Die zeggen, dat zij tot geen goed ding bekwaam zijn en dat in een hoekske met een boekske toch maar de beste plaats is!

Voor de openbare godsdienstoefening voelen ze niet veel; om met de gemeente aan te zitten aan 'sHeeren verbondstafel, vinden ze niet aantrekkelijk; om zich met Kerk en School te bemoeien — ach! zoo zucht men, daar is men „af" gebracht. Met maatschappelijke vraagstukken laten ze zich niet in. Met politiek bemoeien ze zich heélemaal niet. Een christelijk dag-of weekblad lezen ze niet; voor dat „christelijk" trekken ze de schouders op en een „nieuws-en advertentieblad" is doorgaans... goedkooper I

De Bijbel en een neutraal (? ) nieuwsblad op tafel en dan een warme kachel en een gemakkelijke krukstoel met groen kussen in den hoek — we hebben ze zoo o! zoo dikwijls zien zitten!

Of het dan niet 't voornaamste is om te bebooren tot het volk van God; om begrepen te zijn in het bundelke der uitverkorenen; om zijn ziel uit de wereld als een bult te mogen uitdragen?

Och — laten we de dingen niet zoo jammerlijk door elkaar halen!

Zeker is de vergadering der uitverkorenen het wezen van de kerk en het volk der gekenden is het sieraad en de kroon van Sion's Koning. Dat is de kerk, die zal zalig worden en er zal er niet één van verloren gaan.

Ja, om z'n ziel gered en geborgen te mogen weten in de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus; om z'n zonden verzoend te mogen weten in dat dierbaar Middelaarsbloed; om arm van geest, rijk in Christus te mogen zijn en geen andere hope te mogen kennen dan op Gods trouwverbond. O ja! dat is het voornaamste.

Maar ... de uitverkorenen, die waarachtiglijk de merkteekenen Christi aan hun ziele mogen hebben door de toepassing des Geestes, die mogen niet zeggen, dat het 3de deel van den catechismus, het stuk des levens in dankbaarheid, gemist kan worden, en dat een stille en verborgen omgang met God het hoogste is, wat een ziel kan en mag genieten, in de eenzaamheid vér van de wereld, vér van de kerk, vér van de bondszegelen.

Integendeel, de Heere geeft andere kenmerken in Zijn dierbaar Woord voor Zijn ware kinderen.

En onze Geref. Vaderen, die den Heidelberger als Schatboek aannamen wisten het, dat de Heere nog iets anders voor Zijn kinderen heeft weggelegd en nog iets anders van Zijn ware kerke eischt.

Nergens, noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament wordt voor Gods ware kerk als hoogste ideaal geteekend een stil en verborgen leven met God te mogen hebben. Integendeel, het Woord is er vól van om te bewijzen, dat het een hoógen zielestand verraadt, als er gesproken mag worden van Gods heil en van Zijn dienst en van Zijn inzettingen in de kerk, huis, school, maatschappij en staat.

Hoort den Psalmdichter zeggen: „O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde" — om dan te belijden: „ik zal den Heere loven met mijn gansche hart; ik zal al Uwe wonderen vertellen". O! wat voelt de dichter van Ps. 7, dat Gods volk weinig is, dat Gods volk uit en van zich zelf traag en onbekwaam is tot het goede; maar dan mag hij genade ontvangen om in de roeping van Sion in te zien en te staan naar het hoogste, waarom hij biddend roept: „wees mij genadig Heere! opdat ik uwen ganschen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil — dat ik de daden des Heeren verkondige onder de volkeren".

Dan bidt de dichter van Ps. 12 „behoud o Heere! want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenen — Gij Heere! zult hen bewaren. Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid"

O! het was een jubelkreet van David in Ps. 20 om te zeggen: „wij zullen juichen over uw heil en de vaandelen opsteken in den naam onzes Gods" — en de dichter van Ps. 97 getuigt: „gij rechtvaardigen! verblijdt u in den Heere en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid". Of dat makkelijk is?

O! vraag dat aan David en hij zal u vertellen van een land vol van duistere moordspelonken; hij zal u vertellen van vleiende lippen, die het kwade bedoelden; van vijanden die zijn vleesch wilden eten, van... ja, van wat niet al?

En dan voelt hij, dat de ware godzaligheid gaat om God en de eere Zijns Naams, en hij hijgt er naar om getrouw makende genade te mogen ontvangen en er niet „af" gebracht, maar er „aan" gebracht te mogen worden en de vaandelen te mogen opsteken, met zijn God over een muur te springen, met zijn God door een bende te dringen, om niet te zwijgen, maar alom Gods lof te verkondigen, alom te spreken van Gods rechten en inzettingen.

„Tot een lof op aarde heeft de Heere dan ook Zijn ware kerke gesteld. Hij heeft ze geroepen om te verkondigen de deugden desgenen, die hen riep uit de duisternis en hen overbracht in Zijn wonderbaar licht.

Neen, de Name des Heere wordt niet genoemd een olie, die in een flesch besloten blijft, maar die uitgestort moet worden om allen te doortrekken.

De Heiland getuigt van Johannes den Dooper in Joh. 5:35 „hij was eene brandende en lichtende kaars en gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen" en alzoo is het de goddelijke roeping van Gods erfvolk, om „vurig van geest" (Rom. 12:11) „daders des Woords" te zijn (Jac. 1:22), bedenkende alles wat waarachtig en eerlijk is, wat lieflijk is en wel luidt, en zoo er eenige lof is, daarvan te spreken — waarbij de God des vredes met hen zijn zal (Fil. 4:8).

't Is de natuur der godzaligheid, om niet verborgen te willen blijven. Wat dood is schuilt weg in het donker. Maar wat leeft breekt dóór en straalt uit. Een lijk hoort in de donkere doodenkamer; dan blijft het nog 't langst goed. Maar het levende zaad in de donkere aarde geborgen, breekt door, breekt uit, werkt zich omhoog, 't hijgt naar het licht, naar het leven dat openbaar is en zich ontplooien kan in de hoogte en in de breedte.

En zoo met het ware volk van God!

De levende gemeenschap met God is niet om verborgen te blijven, is niet voor een hoekske, is niet voor een klooster, is niet om overal „af" gebracht te worden.

Neen, de waarachtige godsvrucht brengt in Gods huis, bij de openbare verkondiging van het Woord; brengt bij de gemeenschappelijke maaltijd aan 's Heeren tafel, om te eten van het brood en te drinken van den wijn; doet in het huisgezin spreken tot vrouw, kinderen en maagden; laat zich in met de kerk en met de school; bemoeit zich met lager, middelbaar en hooger onderwijs; laat zich in met de toestanden in de maatschappij, waar onze naaste leeft en zich beweegt; vraagt naar de dingen belangende den Staat en de Overheid.

Neen — het derde deel van den Catechismus mag maar niet weggestopt worden. Het is niet uit met „een armen zondaar en een rijken Christus" — als men dan dien rijken Christus met Zijn rijk leven niet kent en niet geniet, om alzoo te komen tot Zijn Woord: „gij zijt het licht der wereld; eene stad, boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.

Noch men steekt eene kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar en zij schijnt allen, die in huis zijn. Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien en Uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken".

Dat behoort oók tot dien rijken Christus. Dat is weggelegd voor de levende ranken, Hem ingeplant!

Om Hem kennende, dan godzaligheid te mogen genieten, die een roeping heeft voor elk terrein des levens en beloften voor het tegenwoordig en toekomend leven. Met een rijken Christus heeft men godzaligheid, die verder gaan wil dan 't hoekske, verder dan het kringetje, verder dan het huis, verder dan eigen kroost, verder dan eigen lust. Dan leert men verstaan, dat het Gods eisch is, om in het midden van een krom en verdraaid geslacht te wandelen als kinderen des lichts en als brandende lichten te schijnen in een duistere wereld.

Het is historisch goed te verklaren, dat vele christenen in de war geraakt zijn met de practijk der godzaligheid. Vele jaren is ons volk verkeerd onderricht. Van zonde en ellende hoorde men zoo weinig; van de verdoemelijkheid van alle vleesch voor God sprak men niet; van gruwel en onmacht gewaagde men niet. De geest van Rousseau leerde: laat de mensch zich ontwikkelen zooals hy is en hij zal een licht der wereld zijn, En de lichtgevende menschen in de dagen vóór de Fransche revolutie groeiden bij honderdtallen aan! Maar de boel vloog in brand in Parijs. Men moordde en plunderde alles uit in Frankrijk. Dat was de walm die dat licht van Rousseau naliet. De rosse gloed, boven de stroomen bloeds, die verkondigde wat de mensch vermocht te doen!

Die geest van „de rede" en van „de deugd" werkte na ook op de kansels. De mensch was zoo braaf, zoo godsdienstig, zoo vroom, zoo heilig. En het was een deugdprediking, waarbij de mensch aan 't werk gezet werd. De deugdzame mensch achter en naast den deugdzamen Meester!

Daar kon Gods volk het niet bij uithouden. Van steenen kan men niet leven. En van dat vrome, deugdzame leven kreeg men een walg. Gods volk vroeg om Gods woord. Het wilde hooren van zonde en oordeel. Van vrije genade en heil in Christus. En men trok zich terug. Men ging her-en derwaarts. Alles in het land lag in de war: in kerk, school, maatschappij en staat. Het brutale ongeloof had los gewoeld de hechte grondslagen van het waarachtig Christelijk geloof. Leugenleer en bijgeloof kwam alles verderven. En Sion liet het los. Men gaf het over. Sion vluchtte weg in een hoekske met een boekske.

Maar... nu is de roeping van Christus' kerk niet weggenomen. Nu is Gods kind niet los van Gods eisch: wandel als een kind des lichts in het midden der wereld! wees Mijn getuige; wees een zegen!

Degenen voor wie geen verdoemenis meer bestaat in Christus Jezus hebben een zoo hooge, heilige, goddelijke roeping, wandelend naar den Geest.

Ze moeten hun geloof toonen in hunne werken.

Ze moeten bij zich zelf verzekerd worden van hun roeping en verkiezing, door de merkteekenen Christi, die door Gods Geest zijn: een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en lust en liefde, om niet naar sommige maar naar al de geboden Gods te leven.

Neen, in het boek des levens, des Lams, laat de Heere Zijne kinderen niet inzien; de verborgene dingen zijn voor den Heere onzen God; en de mensch moet als een nieuwsgierige dwaas telkens buiten gezet worden uit hetgeen Godes is — maar toch geeft de Heere onderwijzing door de dingen die openbaar zijn. Waar ligt de lust des harten? Waar is de schat der ziel? Waarheen gaan de genegenheên? Mag het wezen: „leer mij, o Heer' den weg door U bepaald ? " Mag het zijn: „Heere Gij hebt Uwe bevelen gegeven, ooh, dat mijne schreden in Uwe wegen gingen"? Mag er gehoord worden: Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest in de dagen mijner vreemdelingschappen" ?

Dat boek laat de Heere zijne kinderen lezen. En daar wil Hij, dat een ieder zich nauw, zéér nauw onderzoeke, of hij ook in het geloof staat en in het geloof leeft.

Of leerden onze Geref. vaderen niet, dat elk bij zich zei van zijn geloof, uit de vruchten verzekerd moet worden (Zond. 32 ant, 86) of zooals er in de Leerregels van Dordt (hoofdst. I § 12) staat, dat de geloovigen niet verzekerd worden „als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken", maar „als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing in het Woord Gods aangewezen, in zichzelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen". Welke onfeilbare vruchten dan zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid.

Waarbij § 13 dan zegt: „Uil het gevoel en de zekerheid van deze verkiezing nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zich zelven voor God te verootmoedigen, de diepte van Zijne barmhartigheden te aanbidden, zich zelven te reinigen en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft lief gehad, wederom vurigligk te beminnen. Zóo verre is het van daar, dat zij door deze leer van de verkiezing en door de overdenking daarvan, in het onderhouden van Gods geboden vertragers of vleeschelijk zorgeloos zouden worden".

Terwijl onze Geref, vaderen er bovendien nog aan toevoegden (kennende de arglistigheid van het hart en de dwaze redeneeringen onder de menschen) „het vertragen in het onderhouden van Gods geboden en het vleeschelijke zorgeloos voortgaan pleegt, naar Gods rechtvaardig oordeel, te gebeuren bij degenen, die of zichzelven de genade der verkiezing lichtvaardig toeëigenen óf er ijdel en dartel over spreken".

O! Wat ligt er dan een heilige roeping en goddelijk werk voor het Sion Gods in dit leven, naar Gods bevel.

We hebben wel eens gehoord: voor Gods kind heeft God geen enkelen eisch.

Maar, die dat zeggen spreken „ijdel en dartel".

Want ja — o I eeuwig wonder en oneindige ontferming — in Christus is aan al Gods eischen voldaan voor Zijn arm en in zich zelf verloren gunstvolk.

En geen zaliger stond dan dat ook ónze ziel in den volzaligen en juist gepasten Verbonds Middelaar mag wegschuilen voor God, met verzoening van onze zonden.

Maar met onze Geref. vaderen blijven we belijden: er is ook een 3de stuk in den Catechismus, waar op de 1ste bladzijde staat: „het is onmogelijk, dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid" (Zond. 24). Wat aldus vervuld wordt: „Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrij gemaakt heeft, ons ook door Zijnen Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar' voor Zijne weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde" (Zond. 32).

Zijt gij dan wedergeboren, M. Br. en Z.? . Hebt gij hoop voor de eeuwigheid?

Hebt gij een taak voor dit leven? Hebt gij een keuze des harten, om biddend te vragen: Uw goede Geest leide mij in een effen pad?

O! de vreugd van het ware Godsleven en de blijdschap des geloofs is en blijft, om geen roem te kennen, dan in de toegerekende borggerechtigheid Christi, tot een volkomen en eenige bedekking onzer zonden, door het geloof omhelsd, — dat met den Catechismus dan zegt: het is een hartelijke vreugd in God door Christus en lust en liefde, om naar den wil Gods in alle goede werken te leven.

M-Br. en Z., moogt gij ook zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mensch ?

O, laat uw licht dan ook schijnen voor alle menschen!

De Heere wil er genade voor geven; Hij wil hulp en bijstand verleenen aan allen, die op Zijn Naam vertrouwen en Hem aanloopen in den gebede.

En vrucht voor eigen ziel is blijdschap en vrede.

Terwijl de Heere in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid onzen naaste nog wil lokken en Zijn eigen Naam eere bereiden.

Welgelukzalig dan het volk, welks God de Heere is, dat naar Zijne geboden mag handelen en wandelen.

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's