De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

9 minuten leestijd

Een medewerker schrijft ons:

Vrijzinnig verweer.

Het „Weekblad voor de Vrijzinnige her­vormden" van 3 Oct. 1912 doet mij de eer zijner critiek aan door de bespreking van mijn artikel in uw geëerd blad over „De wederopleving van het modernisme." Dat die critiek zeer zakelijk is, kan ik met den besten wil der wereld niet beweren. Dat ze tot op zekere hoogte welwillend is, wil ik gaarne erkennen. Er wordt toch gezegd, dat ik „het goed en eerlijk meen", hoewel daar in eenen adem wordt bijgevoegd:

»Het is in menig opzicht een onbenullig en oppervlakkig stuk, dat duidelijk des schrijvers onbekendheid bewijst met wat in vrijzinnige kringen wordt gedacht en gevoeld. Maar er klinkt toch een toon in, die aangenaam aandoet.

Nu zullen wij er maar niet verder op ingaan, aan wiens zijde wel oppervlakkigheid en onbenulligheid is te vinden. Gelijk, naar ik hoop, nog meermalen aan de lezers van uw geacht blad zal blijken, heb ik een afkeer van het gebruik van groote woorden. Ik volsta er daarom liever mee, met dat stukske van mijn vrijzinnigen tegenstander te kwalificeeren als: naief.

De heele redeneering doet mij denken aan die van een jongen, die met zijn' kameraad al of niet uit jok om centen zal spelen en dan deze afspraak wil maken: „kruis, ik win, munt, jij verliest."

Het is toch voor de vrijzinnige redactie zoo verblijdend, dat „de openluchtsamenkomsten zulk een succes hebben, juist omdat zij propaganda voor het vrijzinnig Christendom beoogen." Daargelaten nu, dat er op dat propagandistische karakter wel wat valt af te dingen, wijl in den regel geen anderen dan geestverwanten zullen worden bereikt, kunnen we begrijpen, dat de geachte redactie met het voorloopige succes blijde is.

Evenwel volgt daar een eind verder op, „dat het kerkbezoek geen dienst mag doen als eenige (wij cursiveeren) graadmeter van belangstelling, vooral niet ter vergelijking van de belangstelling bij menschen van verschillende godsdienstige overtuiging."

Nu zou een mensch met gewone hersenen meenen, dat het een het ander vrijwel uitsluit. Het succes der openlucbtsamenkomsten schijnt wèl te mogen bewijzen, dat de belangstelling al boven het vriespunt is, maar het kerkbezoek mag daarentegen gansch anders zelfs niet als eenige graadmeter van belangstelling dienst doen, terwijl wij o. i. met klem van redenen bewezen hebben, waarom aan het laatste zooveel meer waarde moet worden gehecht dan aan het eerste.

Wij erkennen eerlijk, dat wij van een dergelijke logica niet het minste begrijpen, omdat het een het ander opheft. We veronderstellen daarom liever, dat hier zeker de befaamde veeleenigheid van tegendeelen in het spel is, dat ook 2 X 2 =-4 en niet 4, waarover, zooals enkele jaren in Leiden en elders — in den laatsten tijd mindert dat al sterk — zooveel te doen is.

Eenige studie ook in de allereerste beginselen der Reformatie is voor de redactie van het „ Weekblad voor de vrijzinnige Hervormden" niet overbodig. „ Want — zoo lezen we — dat verschil (n.l. in godsdienstige overtuiging) heeft o. a. tot gevolg, dat men de godsdienstoefeningen met ongelijk oog aanziet. Daarom is het niet meer dan natuurlijk, dat orthodoxen het in het kerkgaan over het algemeen winnen van vrijzinnigen, zooals Roomschen het weer winnen van orthodoxen."

Nu is het zeker nog de vraag, of de Roomschen het ten dien opzichte van orthodoxen, liever gezegd: van gereformeerden, winnen, maar al zou dit waar zijn, dan bestaat er tusschen beide dit principieele verschil, dat het voor de Roomschen juist wèl, voor ons Protestanten niet allereerst in kerkgaan zit. Wij gaan allen op naar het bedehuis om geestelijke spijze te mogen ontvangen, waarvan echter de vrijzinnige leek, blijkens de ervaring, niet gediend is.

Vreemd ook dat, wanneer het kerkbezoek geen dienst mag doen als eenige graadmeter van belangstelling en deze er dus terdege wel kan zijn, al is de moderne predikant alleen met een heelen of halven kerkeraad aanwezig, dat de dominee niet aanstonds eervol ontslag aanvraagt, om zich te wijden aan een arbeid, b.v. aan een dagblad of in een middelbare school, waar de graadmeter van belangstelling duidelijker aan den dag komt. Vele moderne predikanten zijn indertijd zoo verstandig geweest. Ook op dat punt echter schijnt het verstand geen erfgoed te wezen.

Uit mijn beschouwingen „blijkt zeker duidelijk, dat met des schrijvers eigen godsdienstig en kerkelijk leven de politiek zeer nauw verbonden is en ook dat hij volstrekt niets weet van de drijfkracht die werkt in de beweging der vrijzinnige Hervormden. Het praatje over verband met de politiek schijnt, trots alle tegenspraak, de een maar rustig van den ander over te nemen."

Nu is het zeker eigenaardig, wat mijn beweren aangaande de „N. R. Ct." aanging, dat op denzelfden datum, waarop mijn artikel verscheen, Ds. G. A. v. d. Bergh van Eysinga, een der bekendste vrijzinnige predikanten, in de „N. R. Ct." van 30 September 1912 er bij vernieuwing twijfel aan uitsprak, of hij het inderdaad mis had met verband te leggen tusschen de verdrukking van het liberalisme en de herleefde belangstelling voor kerk en godsdienst in de liberale pers."

Dat het verband met de politiek ten dezen geen praatje is, blijkt zeker wel uit het volgende.

Op een vergadering van vrijzinnige Hervormden of van den Protestantenbond hoorde uw anonyme medewerker, gelijk een grappig Kamerlid in den leeuwenkuil zijner tegenstanders vertoevend. Prof. Eerdmans, die het toch zeker wel kan weten, de belangen nu niet der duisterlingen, maar van het denkend deel der natie met een dergelijke openhartigheid bespreken, dat hij er schik in had. Ten eerste ried Z.H.G. af, dat een vrijzinnige kerkeraad een orthodoxen dominee zou beroepen: immers elke orthodoxe dominee brengt een Christelijke school mee en de leerlingen daarvan worden de felste tegenstanders der liberalen. Ook wees hij er op, dat door een minder in den smaak vallend optreden van moderne dominees het district Zierikzee éénmaal rechts had gekozen, maar dat dit gevaar nu gelukkig verminderd was. Wat evenwel alles afdeed was dit, dat Z.H.G. het zoo jammer vond, dat er in Leiden geen vrijzinnig predikant in de Ned. Herv. Kerk staat. Ware dit het geval, dan kon deze zoo heerlijk werken om het district Leiden om te zetten — 't scheelt toch maar een 300 stemmen! Op het politiek belang der beweging van de Vrijzinnige Hervormden werd toen terdege, door Prof. Eerdmans zelfs, gewezen.

Ten onrechte meent de geachte redactie, dat uw medewerker „zich blijkbaar ongerust maakt over den voortgang der vrijzinnige beweging in de Kerk en nu zichzelf en anderen tracht te overtuigen, dat er voor die ongerustheid geen reden is." Zoo ik mij ergens ongerust over maak, dan is het over de band over hand toenemende godsdienstloosheid, in de groote steden vooral, waardoor duizenden aan de Kerk en het Christendom den rug toekeeren, maar niet over die pygmeënbeweging der vrijzinnige Hervormden.

Wat betreft de vermelding der vraag, door mij aan Dr. Niemeyer, Ds. Eilerts de Haan en Nobel gedaan en het antwoord door mijzelven gegeven — er wordt in de laatste weken nogal veel, zelfs zeer veel getwist over het nut der classieke opleiding, maar ik zou haast aan het nut daarvan, zelfs voor theologen, gaan twijfelen, wanneer een predikant, die zes jaren lang Latijn heeft gestudeerd, het vreemd schijnt te vinden, dat men een oratorische vraag doet.

Aan de redactie van genoemd Weekblad zijn ook geen vrijzinnige kerkeraden bekend, die uit zulk een nood als in mijn stuk bedoeld werd, een orthodox candidaat hebben beroepen. „Ik laat mij blijkbaar nogal makkelijk iets wijs maken." „Wel hebben vrijzinnige kerkeraden, nadat de gemeente jarenlang vacant was geweest en waar men geen vrijzinnig predikant of candidaat krijgen kon, eindelijk een gematigd orthodoxe beroepen, die haar als het ware werd aangeboden, of hebben sommige kerkeraadsleden, die men meende dat vrijzinnig waren, zich bij het ontstaan van een vacature als orthodoxen ontpopt", hetgeen dan met de typisch-naieve betuiging besloten wordt, zoo iets a la Mejuffrouw Van Naslaan:

Maar vrijzinnige kerkeraden, die om een vervallen gemeente weer op peil te brengen, een orthodox predikant beroepen ... kom, het is immers ondenkbaar. Zij zouden, indien zij zoo iets wilden doen, trouwens reeds daardoor bewijzen, niet werkelijk vrijzinnig te zijn, gelijk ook orthodoxe kerkeraden, die heil mochten willen zoeken bij een vrijzinnig predikant, zouden toonen geen overtuigde orthodoxen te wezen.

Wij geven aan de redactie den raad, maar eens b.v. op kondschap uit te gaan in het land van Voorne en Putten en in N.-Brabant en Limburg, hoe daar tal van plaatsen, die vroeger modern waren, orthodox zijn geworden om de door ons genoemde redenen. We vinden het van haar eerlijk, hoewel vreemd in verband met haar bovengenoemde betuiging, dat het kerkbezoek niet als eenige graadmeter van belangstelling kan dienst doen, „dat zij wel zou wenschen de voorbeelden van slecht kerkbezoek in vrijzinnige gemeenten te kunnen tegenspreken. Dat kan echter niet. Zij mag niet ontkennen, dat het kerkbezoek menigmaal te wenschen overlaat."

Wat wij evenwel niet eerlijk van haar vinden, ja zelfs niet naief, hetgeen zij overigens in elke passage is, is het stillekens verzwijgen voor hare lezers van onze aanhaling uit het moderne tijdschrift „ Teekenen des tijds", welke voldoende was om haar beweren volstrekt te weerleggen. Nu begrijpen we het wel, dat ze met die aanhaling ten zeerste in haar maag zit. Zou mijn stuk misschien daarom zoo onbenullig zijn, wijl het de wonde plek raakt en de redactie in geestelijken zin op haar toonen trapt? Die aanhaling past kwalijk ook zeker bij haar op zichzelf reeds Don Quichotachtig verweer. Echter is dat verzwijgen geen werk van menschen, die bezield zijn met een „hartstocht voor de werkelijkheid", maar van hen, die een struisvogelpolitiek willen volgen.

Het totaal achterhouden daarvan, gelijk van het door ons meegedeelde over het plan van dien modernen kerkeraad om een orthodoxen candidaat te beroepen — we kunnen tot geruststelling meedeelen, dat thans een vrijzinnig predikant het beroep reeds heeft aangenomen : Lieb Vaterland kann ruhig sein — is wel het sterkste bewijs, dat de.geachte redactie geducht in de knel zit, waaruit haar geestverwanten haar ten deele halen mogen, door zoo iets nooit ofte nimmer meer te doen.

Hiermee nemen wij voor ditmaal afscheid van de redactie van het „Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden" en wanneer wij later nog eens zullen polemiseeren, hopen wij, wijl „wij het goed en eerlijk meenen", vooral met haar, dat zij dan meer in het midden zal weten te brengen dan een bijeenlezing van poovere uitvluchten en kinderlijke beweringen, gelijk nu het geval is.

Zeg collega: een volgenden keer beter, hoor!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's