De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

12 minuten leestijd

De „Gereformeerden" en de „ Confessioneelen".

Ds. Lingbeek van Spijk, een bekend woord­ voerder der Confessioneelen heeft gesproken over bovenstaand onderwerp. Of liever over de Confessioneelen en den Geref. Bond, om toen uiteen te zetten, waarom de confessioneelen niet meegaan met den gereformeerden Bond.

De Confessioneelen — zegt Ds. Lingbeek — staan rondom de Belijdenis, hun vaandel. Mannen als Dr. Hoedemaker, dr. van Ronkel, Prof. Kleijn, Ds. Pelix hebben hen dat geleerd. En „de Gereformeerde Kerk", hun weekblad, is daarin getrouw gebleven tot op dezen stood, van week tot week de leuze opheffend: „Heel de Kerk en heel het volk".

Maar — zoo betoogt Ds. L. — tegenover deze Confessioneelen is komen staan: de Gereformeerde bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk. Die bond heeft als orgaan „de Waarheidsvriend", die bond heeft Statuten die niet zooveel verschillen van de Statuten der Confess. Vereeniging, die Bond verzamelt ook geld voor biz. leerstoelen aan de Rijksuniversiteiten — maar die geen vreemdeling is in ons kerkelijk Jeruzalerh en tusschen de regels weet te lezen, die merkt toch wel, dat er tegenstellingen zijn.

Welke dan?

„De Gereformeerde Bond beweegt zich op Labadistische lijn" zegt Ds. L. Wat dat beteekent?

Jean de Labadie, sedert 1666 predikant te Middelburg, leefde weldra uit het beginsel, dat er geen ware Kerk meer was in de 17de eeuw en dat de vromen zich moesten separeeren om saam een Kerk van geloovigen te vormen. Buiten die Kerk was er dan niets voor hen te doen. en in die Kerk konden de geloovigen, liefst in gemeenschap van van goederen, rustig voortleven. Allen die binnen die Kerk waren, waren heilig, en allen die buiten die Kerk waren, warenonheilig.

Binnen zijnde vroeg men niet naar wat buiten was; buiten zijnde begeerde men niet naar wat binnen was.

En zoó iets zou nu de Gereformeerde Bond willen! Althans... volgens Ds. Lingbeek!

Nu vragen we toch in gemoede, waar is nu de eerlijke trouw in deze ?

De naam van de Labadie verbonden met den Geref. Bond, die den treurigen toestand der Herv. Kerk rekent als zonde van onze Vaderen en ons, begeerende dat spoedig die Kerk, met rechte bediening des Woords, rechte bediening der Sacramenten en oefening van de christelijke tucht weer in het midden van ons volk komt staan, hebbende een zoo heerlijke roeping om het Woord toe te passen voor élk terrein des levens!

Hoe komt men er toch toe?

Men kan evengoed zeggen: de mannen van de 18de eeuwsche revolutie hebben net gedaan als onze vaderen in der tijd tegen Spanje.

Want de revolutie-mannen streden voor de vrijheid en onze vaderen streden voor de vrijheid...

Maar o ! wat zouden onze Vaderen bij zoo'n vergelijking opkijken! zeggende: die zóo de dingen vergelijkt geeft een sprekend bewijs, dat hij van den gang der historie niets begrijpt en dat hij van de motieven niets voelt.

Gelijk ook óns oordeel is, wanneer men zegt: de Labadie stond naar een zuivere Kerk en de Geref. Bond staat naar een zuivere Kerk en dus: de Geref. Bond beweegt zich in de Labadistische lijn ! — die dit zegt, heeft niet genoeg onderscheidingsvermogen. Of...

De Geref. Bond beweegt zich op Labadistische lijn, zegt Ds. Lingbeek.

Hij zegt niet: er zijn in de Herv. Kerk enkele „gereformeerden", die zich op Labadistische lijn bewegen. Dan zouden we antwoorden : duid die „gereformeerden" nader aan, wie gij er mee bedoelt, dan kunnen die zich verantwoorden.

Maar Ds. L. zegt dat bepaaldelijk de Geref. Bond zich op Labadistische lijn beweegt.

En wat is nu het geval?

Dat de Geref. Bond publiekelijk nooit anders doet dan tegen de Labadistische redeneeringen en practyken positie innemen.

En in de Statuten èn in het Bondsorgaan, ên in het Leerstoelfonds èn in den arbeid overal, is steeds het beginsel van den Geref. Bond openbaar: in gereformeerde banen en niet in de Labadistische lijn moet het!

Die geen vreemdeling is in ons kerkelijk Jeruzalem, weet dat En die het weet mag het niet anders voorstellen aan de menschen. Want die het weet en 't nochtans anders voorstelt is een leugenaar en lasteraar, een onruststoker en scheurmaker!

Waar heeft de Geref. Bond ooit geleerd, dat de Kerk van Christus op aarde bestaan moet dat enkel heiligen, dat alleen wedergeborenen in die Kerk mogen opgenomen worden, dat bij Doop en Avondmaal de wedergeboorte van de ouders en de dischgenooten duidelijk kenbaar moet zijn en naar het oordeel der medeleden onbetwistbaar ?

Waar heeft de Geref. Bond ooit geleerd en ooit in practijk gebracht, dat de Kerk van Christus zich moet afzonderen?

Waar, dat de Kerk van Christus geen roeping heeft tegenover de wereld, tegenover het volk?

Waar toont de Geref. Bond in zijn arbeid, dat hij het „laat maar waaien"-stelsel voorstaat?

Waar?

Nergens!

De Geref. Bond zegt juist, dat onze Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk van Nederland is, , welke de Heere de geref. belijdenis nog liet, maar die niet naar die geref. belijdenis leeft en zich niet naar die belijdenis openbaar in prediking, sacramentsbediening en tuchtoefening en zich daarom heeft te reformeeren naar uitwijzen van Gods Woord, opgevat in den zin van de drie Formulieren van Eenigheid.

En onze Herv. Kerk, zijnde de Geref. Kerk van Nederland, nu in de vervulling van haar roeping zoo zwak, zoo trouweloos, zoo machteloos, moet weer komen staan als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van onze Natie, als een licht op den kandelaar.

Dat is de toon die men week aan week beluisteren kan in het midden van den Geref. Bond.

Kerk, School, Maatschappij en Staat — laat de Geref. Bond niet los.

Voort het vereenigingsleven-heeft de Geref. Bond een oog.

Het zendingswerk heeft de liefde van den Geref. Bond.

En dan een dergelijke beschuldiging als van Ds. Lingbeek!

't Is waarlijk vriendelijk en broederlijk.

{Wordt vervolgd.)

Een lont in huis!

Dr. Bronsveld, die in „de Kroniek" van September j l. de liberalen verheerlijkt dat het klinkt als een klok en alle Hervormden uitnoodigt om in 1913 op een Liberaal te stemmen en niet op een Antirevolutionair, heeft het dan ook over Dr. van Baarsel die onlangs te Utrecht, onder leiding van Prof. Visscher, promoveerde en daarna te Hei en Boeicop door Prof. Visscher werd bevestigd in het ambt van herder en leeraar in onze Ned. Herv. Keik.

Heel vriendelijk schrijft Dr. Bronsveld dan niet over dien jongen doctor en jeugdigen Dienaar des Woords.

Ongeveer zoo: , wij hopen dat rnen met kracht zal opkomen tegen het Kerkverwoestend streven, dat er op uit is, onze Kerk te ontbinden en dat onlangs door een jong zeloot, onder het patronaat van zijn hooggeleerden leermeester, bij zijn aanvaarden van de evangeliebediening (!) als een program werd afgekondigd."

Kerkverwoestend streven... ah, zoo! Dat wordt den Geref. Bond, gelijk trouwens allen Gereformeerden in de Herv. Kerk, ook steeds onder den neus gewreven. Kerkverwoestend Nu, wij verschillen daarin een weinig van Dr. Bronsveld...

Maar dat wilden we eigenlijk niet zoo zeer bespreken nu. We hadden, toen we dit stukske van den grijzen pastor uit de Bisschopstad, scriba v. h. Class. Bestuur van Utrecht, lazen, het oog 't meest op 't geen dan volgt. En wel dit: „Het verwondert ons, dat het Classicaal Bestuur, waaronder de gemeente ressorteert, die zulk een dienaar onzer Kerk beriep, niets van zich deed hooren.

Iemand, die met een lont in de hand mijn huis binnenkomt, zou ik niet toeroepen: „Ga gerust uw gang."

De bedoeling is duidelijk. Dr. van Baarsel is met een lont in zijn hand in de Ned. Herv. Kerk gekomen en nu had het Class. Bestuur van Gouda tusschenbeide moeten komen.

Prachtig!

We zouden Dr. Bronsveld wel eens willen vragen: op grond van welk artikel van onze Reglementen ?

En in de 2e plaats: wat moet, naar het oordeel van Dr. Bronsveld, het Class. Bestuur doen tegenover de moderne prediking en moderne predikanten?

Nu er toch van een „lont" gesproken wordt, zouden we dat van Dr. Bronsveld wel eens willen vernemen.

Sociaal Christendom.

Dr. Bronsveld schrijft in „de Kroniek" (Sept. '12):

Onze aandacht is in bizondere mate getroffen door het besluit der Synode, om vanwege de Ned. Herv. Kerk aan onze universiteiten voorlezingen te doen houden over Sociaal Christendom.

Zij besloot om aan de drie Rijks-univèrsiteiten vanwege de Ned. Herv. Kerk voorlezingen te doen houden over sociale onderwerpen, waarvan de kennis in onzen tijd gewenscht geacht wordt voor onze predikanten. De uitvoering van dat besluit werd opgedragen aan de Synodale Commissie. Ware ik lid van die Commissie, ik zou er bezwaar tegen hebben om mee te werken tot het voldoen aan het synodaal verlangen. Ik acht het in strijd met art. 2 van het „Reglement op het Hooger Onderwijs". Daar toch lezen wij: vanwege de Ned. Herv. Kerk wordt hooger onderwijs gegeven in : a—i „en voorts in alle andere vakken waaromtrent te eeniger tijd blijken zal, dat aanvulling van het universitair onderwijs noodzakelijk is."

Nu zal de Synode drie heeren (of zal ook een dame worden uitgenoodigd ? ) opdragen lezingen te houden over Sociaal Christendom.

Ik vind dit een maatregel lijnrecht indruischend tegen het reglementaire voorschiift.

Zij had kunnen besluiten dat sociale ethiek zou worden opgenomen onder de vakken, welke behooren gedoceerd te worden. Zoo doende was de Synode gebleven op den weg haar door 't Reglement voorgeschreven."

Waarbij Dr. Bronsveld dan oók bang is, dat er nu door de studenten nog minder werk gemaakt zal worden van hun theologische studievakken, zeggende:

„Op de proponents-examina blijkt, dat de aanstaande evangelie-dienaren slechts een oppervlakkige kennis hebben van de theologie. Wil men hen, na hun proponents-examen, nog verplichten tot het volgen van cursussen, tot een hulppredikerschap of wat ook, dat hen practisch bekwaamt — óns wel; maar men behoeft hen waarlijk niet in den waan te versterken, dat zij aan hun eigenlijke studie niet genoeg hebben en er nog wel wat bij kan.

Ik acht dus het gewraakt besluit der Synode niet alleen onwetmatig, maar ook bedenkelijk voor de degelijkheid van de studie der jeugdige theologen."

Tot zoover Dr. Bronsveld.

De Synode gaat dus voor in schenden van het Reglement! Quandoque dormitat Homerus! („Ook Homerus dommelt wel eens in.") Waarbij ook opmerkelijk is, dat aan de 3 Hoogescholen dogmatiek onderwezen wordt vanwege de Synode door moderne Professoren: te Leiden door Prof. Dr. L. Knappert, te Utrecht door Prof. Dr. T. Cannegieter en te Groningen door Prof. W. Mallinckrodt (Evangelisch).

Sociale ethiek is goed.

Maar dogmatiek door een modern Hoogleeraar te laten onderwijzen is verschrikkelijk voor een aanstaand bedienaar des Woords en werkt verderfelijk voor de Kerk.

Dat er nog eens spoedig verandering kwam en we een professor voor dogmatiek kregen, die op den bodem onzer belijdenis staat.

Liever een zuur gezicht dan een vroom! *)

De "toelichtingen* van de hand van Dr. de Lind van Wijngaarden op ons ingezonden stuk over  "Onze Kerkbeschouwing* zijn in het Gereformeerd Weekblad verschenen.

Gelijk wij vermoed hadden, zoekt onze geachte opponent zijn kracht in het uit haar verband rukken van de kwestie waarom het tusschen ons gaat. Op een wijze, die aan »haarkloverij« doet denken, tracht hij zijn lezers te doen gelooven dat in de door hem gewraakte zinsnede uit het referaat de formuleering ligt van ons geschil.

De praemisse, waarvan ik in mijn betoog was uitgegaan, wordt door hem onaangetast gelaten. Dat hij weinig lust heeft om daarover zijn gevoelens eens uiteen te zetten, blijkt wel daaruit dat hij op mijn uitnoodiging, om in dat opzicht eens van gedachten te wisselen en mij, zoo mogelijk, op grond van Gods

*) Door een misverstand ter drukkerij werd dit stuk met kleine letter gezet. Woord en onze belijdenis van ongelijk te overtuigen, het volgende naïeve antwoord geeft:

»Ds. Jongebreur stelt het daarin voor, alsof wij ter wille, van hem persoonlijk de pen opgevat hebben, en dus onder vier oogen dat zaakje hadden moeten afmaken.»

Maar nu vraag ik toch in gemoede hoe het mogelijk is, dat iemand ter wereld dat uit onze woorden kan afleiden. Kan dan het »wisselen van gedachten! alléén mondeling geschieden ? Wij meenden waarlijk dat een doctor in de theologie toch wel wist dat dit evengoed schriftelijk kan plaats hebben en dat men — wat natuurlijk ook onze bedoeling was — voor zulk een kruising van gedachten ook wel eens dag-of weekbladen gebruikt.

Dat de schrijver echter achter zulk een naieve opvatting schuilevinkje speelt is, dunkt ons, wel een duidelijk bewijs dat hij zich aan een eigenlijk debat — ik bedoel een geschreven of duidelijker nog een gedrukt debat — over de aanhangige kwestie niet waagt. Hij schijnt al te zeer te gevoelen dat zijn opvatting niet ligt in de Gereformeerde, maar wel in de door onze Gereformeerde vaderen steeds bestreden Labadistische lijn.

Liever dan op deze wijze elkaar loyaal te bestrijden, gaat onze waarde broeder voort zichzelf in een rook van heiligheid te hullen en ons daarentegen in verdenking van werkheiligheid te brengen. Wel wordt dit door hem ontkend en vraagt liij zelfs heel goedmoedig wat hij daaraan zou hebben ; en aan het einde van zijn «toelichtingen* zegt hij nog eens met zoovele woorden dat hij over onzen staat niet gesproken heeft.« Maar ik zou zoo zeggen: wanneer iemand mij een trap geeft, dan is het altoos ridderlijker om dit openlijk te doen, dan zóó bedekt dat niemand bewijzen kan dat hij het deed.

Welnu, als mijn geleerde opponent zegt, dat »wat in mijn oog een dwaling is, voor een ontruste ziel een door Gods Woord geleerde en door Gods kind ondervonden waarheid is«, of als hij op mijn aanhaling uit de Schrift dat "wy van Christus zijn«, — waarvan gemaakt werd dat "hij van Christus is* — antwoordt dat »veel meer de vreeze er gevonden zal worden, dat, waar men anderen het Evangelie verkondigt, men zelf verwerpelijk bevonden wordt* — welke beide uitspraken ook bij den apostel elkaar niet uitsloten — neen, dan kan niet bepaald bewezen worden dat dit is een aanraken van iemands staat, maar dan voelt toch ieder dat dit een «trap onder tafel" is.

En nu is het waar, dat wie zich nog al eens in methodistische conventikel-kringen, die Dr. de Lind van Wijngaarden als de geestelijke Kerk beschouwt, beweegt, voor dergelijke verdachtmakingen zoo langzamerhand ongevoelig is geworden, maar dat neemt niet weg, als »iemand die zijn huis en hart voor u heeft open staan* meent u een dergelijke trap te moeten geven, dat gij dan liever hebt dat hij dat maar openlijk doet dan bedekt, liever dat hij daarbij een zuur gezicht zet dan een vroom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's