Stichtelijke overdenking.
Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen; maar een ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. Lukas 10:41—42.
Martha en Maria.
Martha en Maria, twee zusters, twee kinderen uit dezelfde ouders gesproten, twee leden van hetzelfde huisgezin; en toch wat een verschil, wat een onderscheid tusschen die beiden; wat een verschil in aard en karakter, wat een verschil in leven en levensopenbaring, wat een onderscheid bovenal in de verhouding waarin zij staan tot God en Zijn dienst.
Niemand echter meene dat het verschil tusschen deze beide zusters hetzelfde verschil was dat eenmaal tusschen twee broeders, tusschen Ezau en Jacob had bestaan. Men is wel eens gewoon het voor te stellen als zou Martha zich eenig en alleen bekommerd hebben om de dingen der aarde en als zou Maria de afgetrokken dweepster zijn geweest, die voor haar zaligheid het léven met zijn zorgen ontvlood.
Wie het echter zoo voorstelt, heeft noch iets van de gestalte van Martha, noch iets van den toestand van Maria verstaan. Integendeel, zoowel van Martha als van Maria mogen we gelooven dat zij beide oprechte discipelinnen des Heeren waren en dat zij thans dus beiden de heerlijkheid des Heeren deelachtig zijn.
Maar waarin bestond dan wèl het onderscheid tusschen deze zusters? Uit het verband waarin de woorden, die we hierboven schreven, voorkomen, is het duidelijk te zien. Jezus heeft onder haar dak Zijn intrek genomen en nu heeft ongetwijfeld, zoowel Maria als Martha het beste wat zij bezat voor Jezus over gehad. Maar zij heeft zich in haar dienen tot het uiterste beperkt. Zoodra zij kon heeft zij zich aan 's Heilands voeten nedergezel, want zij gevoelt dat Jezus alléén voldoening kon schenken aan de behoefte van haar zondaarshart. De begeerte om Jezus te hooren en uit Zijne volheid genade te mogen ontvangen, heeft bij haar dan ook alle andere begeerten verdrongen.
Bij Maria was deze overtuiging de alles beheerschende: Jezus is gekomen om te dienen en niet om gediend te worden; niet ik, maar Hij is de Gastheer en daarom is er geen betere plaats voor mij denkbaar dan dat ik mij nederzette aan Zijnen voet.
Bij Martha daarentegen was het zóó ver nog niet. Bij haar leefde te veel de gedachte dat Jezus eigenlijk meer behoefte had aan haar dan dat zij behoefte had aan Hem. Martha was boven alles hiervan doordrongen, dat Jezus waard was op de beste wijze behandeld te worden. Het beste achtte zij voor Hem niet te goed. Zij leefde in deze overtuiging, dat Jezus' gave in die oogenblikken beter gemist kon worden dan de hare.
Vandaar ook de ernstige berisping, die zij van den Heere ontvangt: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen, maar één ding is noodig.
Eén ding is noodig; de Heere zegt hier dus niet als tot den rijken jongeling: één ding ontbreekt u. Neen, één ding is noodig. En wat was dat eene, dat niet slechts voor Martha, maar dat ook voor een ieder onzer noodzakelijk is? Dat was het zitten aan Jezus' voeten, het onverdeeld luisteren naar de woorden des levens, die voortkwamen uit Zijn mond; dat was het leven in de nabijheid des Heeren, dat ook door den dichter van Psalm 27 gezocht werd, als hij zong: één ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik alle de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijnen tempel.
En nu moeten we niet meenen dat dat ééne noodige met de behartiging van onze aardsche en stoffelijke belangen in strijd zou zijn. Wanneer de Heere hier tot Martha zegt: één ding is noodig, dan moeten we niet denken dat daarmee bedoeld wordt dat een krachtig en werkzaam.optreden in de dingen van het Koninkrijk Gods voor de onderdanen van dat Koninkrijk overbodig zou zijn. De Heere ontkent hier volstrekt niet, zooals men er wel eens ten onrechte uit afgeleid heeft, dat er in den dienst des Heeren ook een dienen moet-plaats hebben.-Maar dat dienen, dat werkzaam optreden van den Christen, mag het gediend worden door Christus nooit vervangen.
En dat Martha dit voorbijzag, daarin werd zij door den Heere Christus gelaakt. Neen, de Heere misprijst hier het dienen van Martha op zichzelf niet en evenmin miskent Hij de liefde waartoe zij tot dat dienen was aangevuurd. Maar die vele dingen die haar zoo dienend werkzaam deden zijn, vervulden geheel haar hart en maakten dat haar aandacht van het gediend worden door Jezus werd afgetrokken.
Vandaar ook de tegenstelling die de Heere hier tusschen haar en haar zuster Maria heeft gemaakt; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. Wat Martha had vergeten, was dus door Maria bedacht. Zij had het goede deel uitgekozen.
Nu spreekt het wel vanzelf dat wij dat uitkiezen niet als een vrije wilsdaad van Maria mogen beschouwen, alsof dat kiezen van het ééne noodige eigenlijk haar werk was geweest. Immers indien zij niet uitgekozen was, zou zij nooit uitgekozen hebben. Indien de Heere de begeerte naar het ééne noodige niet in haar hart had gelegd, zou zij zich zeker nooit aan de voeten des Heeren hebben nedergezet. Het was dus niet haar verdienste, maar Gods vrije genade, waardoor zij zich van haar zuster onderscheiden heeft,
Ja, rijke genade, waardoor haar keuze op dat ééne noodige, op dat inderdaad - goede deel gevallen was. Immers dat goede deel van Maria zou niet meer van haar weggenomen worden. De vele dingen waarover Martha zich bekommerd en verontrust had, zouden haar eenmaal ontvallen. Daar zou een tijd komen waarop al Martha's bezig zijn met veel dienen een einde zou-nemen, maar het goede deel van Maria, het zitten aan Jezus' voeten, het opvangen van de woorden des levens uit Zijnen mond, het zich verlustigen in de liefelijkheden des Heeren, waarvan Jezus de drager was, dat zou altoos blijven bestaan. Eenmaal zou het zelfs wezen een drinken met volle teugen van het water uit de heilsfontein, waarvan hier slechts enkele druppelen te genieten werden gegeven.
Martha en Maria, twee zusters uit het huisgezin te Bethanië; maar wat dunkt u, vinden wij haar beeld niet in de Kerk des Heeren van alle eeuwen terug?
Weet ge wie de Martha's zijn? Neen, dat zijn niet de onbekeerde kinderen der wereld, maar dat zijn zulke kinderen Gods die ter wille van hun ijverig dienen nauwelijks den tijd en de gelegenheid vinden kunnen om zich aan de voeten des Heeren neer te zetten en te drinken uit Zijn genadebron. Wie de Martha's zijn ? Het zijn dezulken die meenen dat de welvaart van Gods Koninkrijk eigenlijk van hun krachten en gaven afhankelijk is, die zichzélf zoo menigmaal beschouwen alsof zij onmisbaar in den dienst des Heeren zijn. Vooral in de drukke dagen die wij tegenwoordig beleven komt het zich bekommeren en verontrusten van Martha zoo veelvuldig voor. Iets voor Jezus te kunnen doen is in zoovele kringen de leuze geworden. Niet dat wij moeten meenen dat een waarlijk Gode toegewijd leven den Heere niet welbehagelijk zou zijn. In geenen deele. Het ware te wenschen dat er meer van werd gezien. Nooit mogen we de gedachte koesteren dat menschen, die zich het liefst aan alle verplichtingen in het kerkelijk en staatkundig leven onttrekken, de beste Christenen zijn. Hoogmoedige zelfgenoegzaamheid die zich te geestelijk acht om met wat er buiten het eigen zieleleven omgaat, in aanraking te komen, is nooit te prijzen, maar altoos te laken. Nooit mogen we dus vergeten dat het leven voor Gods kinderen hier op aarde ook een dienend leven moet zijn. Maar het dienen mag hooit geschieden ten koste van het gediend worden. Het mag nooit zulk een dienen zijn dat het verborgen leven des harten er onder kwijnen gaat.
In dat geval roept de Heere het ook ons als met opgestoken vinger toe: één ding is noodig! Ja, het zitten aan Jezus' voeten, het met bewustzijn ontvangen uit Zijne volheid van de schatten des heils, dat moet hoofdzaak zijn en blijven van een iegelijk die de vreeze des Heeren toegedaan is.
Wanneer we dan ook vragen wie in onze dagen de Maria's zijn, dan is het zeker niet noodig u te zeggen dat we deze niet moeten zoeken onder de eenzijdige gevoelschristenen die alleen maar van genieten houden en zich verder niet bekommeren om de roeping die de Heere hun in Zijn dienst te vervullen gaf. Integendeel, maar weet gij in welke van Gods kinderen gij het beeld van Maria vindt afgedrukt ? In dezulken die het ontvangen van de woorden Gods beschouwen als het leven hunner ziel, maar in wier leven het Woord des Heeren dan ook. een kracht Gods tot zaligheid blijkt. Neen, een Christelijk leven zonder dienende liefde is Gode niet welgevallig, is niet mogelijk zelfs. Of wordt de boom niet aan zijne vruchten gekend? En zegt ook onze Catechismus het niet dat het onmogelijk is dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid?
Maar waaruit komen die werken voort? Waarin is onze dienende liefde geworteld? Is zij waarlijk een vrucht van genade die de Heere in ons verheerlijkt heeft?
O dan kunnen wij nooit overvloedig genoeg in het dienen van den Heere bevonden worden, wanneer ons gediend worden door Jezus en ons dienen van Jezus maar in de rechte verhouding tot elkander staan. Immers dat was juist de fout van Martha en dat was juist het goede deel dat Maria had uitgekozen: uit de volheid van Christus genade te ontvangen om daarmee in het belang van Gods Koninkrijk en tot eer van den Naam des Heeren werkzaam te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's