Psalm 126.
Toen de Heer', Wiens lof wij zingen,
Sions arme bannelingen,
door Zijn onweerstaanbre macht,
had tot ons teruggebracht,
ja, toen is 't ons overkomen
of wij droomden schoone droomen;
onze mond, vol lachens, zong,
zalig jubelde onze tong.
Zie, zoo sprak men allerwegen:
wat verlossing, welk een zegen
heeft Jehovah dit geslacht
in erbarming aangebracht I
Ja, de Heer' deed groots ervaren
Zijn verkoren volk; dies waren
wij vervuld met vroolijkheid
om de redding, ons bereid.
Breng hen weer de bannelingen,
Heer', gelijk de beken springen
door der woestenijen zand
van 't verschroeiend Zuiderland.
Wie met tranen zaaien,
zullen met gejuich de schuren vullen.
Weenend ga en juublend keer,
Mild gezegend door den Heer'!
1912.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's