Uit het kerkelijk leven
De „Gereformeerden" en de „ Confessioneelen".
II.
Over den Geref. Bond, met Statuten, Orgaan, Leerstoelfonds enz., heeft Ds. Lingbeek het gehad in de vergadering der Confessioneelen te Leeuwarden.
Niet over „de Gereformeerden in de Ned. Herv. Kerk" in 't algemeen, maar bepaaldelijk over den Geref. Bond.
En van de mannen van den Geref. Bond wordt dan gezegd: van een milde aanbieding van het Evangelie aan allen is bij hen geen sprake; zij hebben alleen een Evangelie voor hen, die reeds eenige teekenen van uitverkiezing bezitten of beweren te bezitten. Een gevolg van een en ander is ook geringschatting der Sacramenten van Doop en Avondmaal en leêge of zoo goed als leêge Avondmaalstafels schijnen in die kringen als een teeken van vroomheid beschouwd te worden".
Zulks is van a tot z verkeerd voorgesteld, zullen we maar zeggen.
Dat voor velen onzer het Evangelie, dat anderen wel eens aanbieden, te mild is, is waar. Wij meenen in eerlijkheid, dat vele Evangelie-predikers, dat niet kunnen verantwoorden voor God.
Maar zulk een prediking is ook geen Geref. prediking. Die is Remonstrantsch. Misschien goed bedoeld, maar „naar" den mensch zijnde is deze ten slotte niet naar Gods Woord en niet „voor" den mensch.
Of zulke milde predikers, die wij als Remonstranten verwerpen, ook onder de Confessioneelen zijn, beoordeelen we niet.
Evenwel Ds. L. vergist zich in de mannen van den Geref. Bond.
Die belijden: niemand kan van te voren zeggen, wie er uitverkoren is en wie niet. Geen enkel bedienaar des Woords mag dan ook beginnen met te zeggen: hier zullen er velen en dé, ar zullen er weinigen zijn, die zalig zullen worden.
Een man van den Geref. Bond put altijd moed uit het Woord des Heeren: "predik het evangelie aan alle creaturen" en troost uit het Woord Gods tot Paulus in Corinthe eenmaal gesproken: „Ik heb veel volks in deze stad".
Zelfs in een groote, wereldsche, wufte stad is de Heere de Almachtige, die Zijn Raad uitvoert en doet naar Zijn welbehagen! Corinthe bewijst het.
't Is dan ook niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods!
Maar de mannen van den Geref. Bond zijn geen dwazen, dat zii niet zonden vragen aan welke eischen dé prediking moet voldoen. Daar zijn ze te gereformeerd voor, om er maar op los te praten. Ze houden zich aan antw. 84 van den Catechismus waar van de prediking van het heilig Evangelie gezegd wordt: „volgens het bevel van Christus moet in het inidden van de Gemeente, allen en een iegelijk geloovige verkondigd en openlijk betuigd worden, dat hun (zoo dikwijls zij de beloften des Evangelies met waar geloof aannemen) waarachtig al hunne zonden van God, om der verdiensten - van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen moet allen ongeloovigen en die zich niet van harte bekeeren, verkondigd en betuigd worden, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoo lang zij zich niet bekeeren; naar welk getuigenis des Evangelie God, beide in dit en in het toekomende leven, oordeelen zal".
Daarin verschillen ze niets van degenen, die confessioneel zijn en waarlijk op den bodem der confessie staan.
We zijn er van overtuigd, dat — om een paar namen te noemen — de confessioneele predikanten Dr. Posthumus Meijjes, van Den Haag, en Ds. Verschoor van Bleiswijk, in deze niets verschillen van de Geref. Bondsmannen Ds. Goslinga, van Utrecht, en Ds. van Toorn, van Leerbroek.
Noch de éen noch de ander wil de barmhartigheden des menschen verkiezen boven den weg des heils, in Christus Jezus, voor Gods volk geopenbaard.
Saam is onze hartgrondige belijdenis, met de Dordtsche Leerregels: „dat God goedertierenlijk verkondigers van deze zéér blijde boodschap zendt, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil, door wier dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus den gekruiste".
De mannen van den Geref. Bond willen overal, waar opening is, het zeer rijke Evangelie van Jezus Christus, des Zondags en , door de week, verkondigen, geloovende met Paulus: „want hoe zullen zij in Hem gelooven, van Wien zij niet gehoord hebben ?
En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?
De mannen van den Geref. Bond weten, dat alle menschen verdoemelijke zondaren zijn, zonder eenige gerechtigheid, zonder hebbelijkheid des geloofs, zonder dat er iemand is die God zoekt; ze weten dat bij. den Heere geen onderscheid is in stand of leeftijd; dat er geen aanneming des persoons is; dat vele laatsten de eersten zullen zijn en vele eersten de laatsten.
Waarbij de Heere Zijn dienstknechten dan beveelt: „spreek dezen van dood en leven, van vloek en zegen; roep hen toe: bekeert u tot God en leeft."
Waarbij de hope des harten is op de hulpe des H. Geestes, of er ook een worsteling der ziele zal geboren worden, waarbij de vraag aan het beangst gemoed zal worden ontlokt: „wees naij arm zondaar genadig; Heere, bekeer Gij mij, dan zal ik bekeerd zijn."
Zoo mild mogelijk. Voor arme zondaren een rijk evangelie. En dan zonder prijs en zonder geld wijn en melk.
Maar die milde prediking dan in alles naar Gods Woord, opdat de mensch niets worde en de Heere alles.
Want die een Evangelieprediking naar den mensch geeft zal geen ziel tot zegen kunnen zijn.
Geen algemeene verzoening. Geen eenzijdig spreken van de liefde Gods. Geen grond leggen voor de eeuwigheid in iets buiten de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus aan het hart.
Steeds ontdekkend, waarschuwend, verontrustend — zier de op de dwaze maagden en op degenen die in Gods naam profeteeren, maar buiten geworpen zullen worden.
Bestraffend en verwerpend — ziende op de Farizeën, die aan de wit gepleisterde graven gelijk zijn, van buiten wel schoon, maar van binnen vol doodsbeenderen.
Vermanend en onderwijzend — ziende op hen die wel volgen, maar nog niet volgen om de geestelijke spijze en teekenen dragen van hun oubekeerden staat.
Helpend, lokkend, sterkend — ziende op de bekommerden, de schuchteren, de kleinen, de wankelmoedigen.
Vertroostend en bemoedigend — ziende op degenen die den goeden strijd des geloofs strijden, maar nog niet ten einde toe hebben geloopen. .
O! zoo mild in alles. Maar niet in het wilde weg. Den mensch steeds oproepend, om zich zelf te onderzoeken op welke plaats men staat en hoe ver men in de dingen van Gods Koninkrijk is gevorderd.
Geheel naar de Schrift. Met medelijden en liefde vervuld — maar aanzeggend, dat de weg smal is en de poort eng die ten leven leidt.
Met ontferming bewogen over de schare, maar met ernst aanzeggend, dat er velen zijn die den breeden weg des verderfs kiezen en dat er weinigen zijn, die den Heere begeeren in den weg Jezus Christus, Sions Borg
O! zoo mild — maar o I zoo ernstig.
En altijd tot slotaccoord: „welgelukzalig is het volk welks God de Heere is; het het volk, dat Hij zich tot een erve heeft uitverkoren."
Waarbij Sion dan antwoordt: uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen.
(Wordt vervolgd).
Een medewerker schrijft ons:
Confessioneele voorlichting.
Bij de meesten Uwer lezers is zeker de strijd, die er bij het oprichten van den Gereformeerden Bond tusschen Gereformeerden en Confessioneelen gevoerd werd (met deze tegenstelling willen we niet te kennen geven, dat de Confessioneelen niet gereformeerd zijn; wij maken haar alleen om beide richtingen uit elkander te houden), nog in levendige herinnering.
Een tijd lang scheen de strijdbijl min of meer begraven, werd er ten minste tusschen beide richtingen niet zooveel en scherp gepolemiseerd. Alleen Ds. Lingbeek, wiens artikelen over de kwestie van volkskerk en vrije kerk en al wat daarmee samenhangt een nieuw soort perpetuum mobile schijnen te worden, voelde zich of werd gedurig geroepen, zijn licht daarover te laten schijnen. Hij deed dit als redacteur van de Vragenbus in „De Gereformeerde Kerk" en onlangs (4Sept.) als redenaar op de Algemeene Ledenvergadering der Provinciale Commissie van de Confessioneele Vereeniging in Friesland, te Leeuwarden gehouden.
Dr. P.J.Kromsigt wist ook door zijn lezingen, brochures en artikelen (de laatsten over „De Vrije-Kerk-idee een Remonstrantsche dwaling", „De moderne en de gereformeerde Volkskerkgedachté", „De Waarheidsvriend en de afscheidingsbeginselen"), in vereeniging met Ds. Bakker te Koudum, die een serie artikelen: „Om de eenheid der Kerk" ten beste gaf, alle in „De Gereformeerde Kerk" van dit jaar verschenen, de belangstelling levendig te houden. De puntjes werden terdege op de i gezet om te laten zien, hoe groot wel de afwijking is van de beginselen onzer vaderen, waaraan de redacties van „De Heraut" en „De Waarheidsvriend" zich schuldig maken.
Wanneer dit nu geschiedt op een wijze, dat onze gedachten zuiver worden weergegeven, of de consequenties getrokken, die uit het door ons ingenomen standpunt voortvloeien, dan is daar geen bezwaar tegen. Het moge niet aangenaam zijn — gelijk Dr. Kromsigt in De Geref. Kerk van 12 Sept. jl. opmerkte — met geestverwante bladen te polemiseeren, wijl de onderlinge verdeeldheid reeds groot genoeg is, het kan geen kwaad, dat standpunt eens tegenover standpunt wordt gesteld, op hoop misschien, dat een van de twee zich gewonnen moge geven.
Men moet dan echter er niet mee beginnen om een caricatuur te teekenen van het beginsel, dat door den ander wordt aangehangen. Het is immer eisch van goede polemiek de beste vertegenwoordigers der tegenpartij ter bestrijding uit te kiezen, zal de discussie waarlijk vruchtdragend zijn.
Dat Ds. Lingbeek dit op de bovengenoemde vergadering gedaan heeft, kan ik niet beweren. In het verslag toch van zijn rede in „De Gereformeerde Kerk" van 19 Sept. jl. verschenen, lezen we, gelijk onzen lezers bekend is (zie „De Waarheidsvriend" van 4 Oct.):
»De Gereformeerde Bond beweegt zich op Labadistische lijn, en waar onze Belijdenisschriften naast de leer der verkiezing die van het genadeverbond stellen, daar wordt van de zijde van den Ger. Bond vaak eenzijdig nadruk gelegd op de leer der verkiezing en verwerping en de indruk gewekt, dat de 5 artikelen tegen de Remonstranten heel de Belijdenis zijn.
»Van een milde aanbieding van het Evangelie aan allen is bij hen geen sprake; zij hebben alleen een Evangelie voor hen, die reeds eenige teekenen van uitverkiezing bezitten of beweren te bezitten. Een gevolg van een en ander is ook geringschatting der Sacramenten van Doop en Avondmaal, en leège of zoo goed als leêge Avondmaalstafels schijnen in die kringen als een teeken van vroomheid beschouwd te worden.
Zij prediken in de Kerk, maar richten hun prediking feitelijk slechts tot hun kringetje; zij doopen, wat in het doophuis komt, maar erkennen de gedoopten niet als erfgenamen des Verbonds; zij nemen aan tot lidmaat, maar achten het geheel niet noodzakelijk, ja zelfs niet wenschelijk, dat de lidmaten ook ten Avondmaal komen.
Indien er ooit een caricatuur geleverd is van het standpunt van de mannen van onzen Bond, dan is het zeker wel in deze regelen.
Het is, om hiermee te beginnen, toch wel eenigzins zonderling — om het nu maar op z'n zachtst uit te drukken — dat door ons de indruk wordt gewekt, dat de 5 Artikelen tegen de Remonstranten heel de belijdenis zijn, waar in Uw geëerd blad reeds 48 artikelen
ZEGGE ACHT EN VEERTIG ARTIKELEN zijn verschenen — neen, niet over de Dordtsche Leerregelen, maar over Onze Belijdenis, waarvan het twaalfde artikel pas aan de orde van behandeling is!!! O ja nu — gelijk behoort — het beste van Ds. Lingbeek te denken, zullen we maar voronderstellen, dat hij „De Waarheidsvriend" evenmin als „De Heraut" ooit — tenzij bij hooge uitzondering — onder de oogen krijgt. Aan te nemen, dat hij een getrouw lezer van Uw blad is, zou Uw medewerker in de noodzakelijkheid brengen te gelooven, dat deze geëerde collega met zijn neus in plaats van met zijn oogen kijkt.
Van een milde aanbieding van het Evangelie aan allen is bij ons geen sprake. Leege Avondmaalstafels schijnen in onze kringen als een teeken van vroomheid beschouwd te worden. Eigenaardig is het voorzeker daarnaast Uwe Stichtelijke Overdenking, geachte Hoofdredacteur, over Matth. 5 : 14—16, verschenen in het nummer van 18 Oct. jl. te leggen, hoe de waarachtige godsvrucht brengt bij den gemeenschappelijken maaltijd aan 'sHeeren tafel. Misschien zal Ds. Lingbeek nu zeer bescheidenlijk opmerken, dat U dat geschreven hebt onder den diepen indruk, door zijne philippica gewekt, maar we kunnen Ds. Lingbeek echter uit de beste bron verzekeren, dat Ds. van Grieken al jaren lang of zoolang hij predikant is, doorloopend zelf aan tafel gaat en de leden der gemeente van Jezus Christus aanspoort hetzelfde te doen. Wanneer Ds. Lingbeek ook lezer was geweest van het „Gereformeerd Weekblad" —hetgeen wij op dit oogenblik niet meer zijn — dan had hij kunnen weten, dat Prof. Visscher reeds voor jaren geschreven heeft, dat predikanten, die aan het Avondmaal geen deel nemen, zichzelf veroordeelen en het beste doen met hun ambt neer te leggen. Zoover is het er van af, dat Ds. Lingbeek recht heeft te beweren, dat de mannen van den Geref.Bond, onder wie toch Prof. Visscher en Ds. van Grieken zeker wel de eerste plaats innemen, het niet wenschelijk achten, dat de lidmaten ook ten Avondmaal komen.
„Bij ons is er ook geen sprake van een milde aanbieding van het Evangelie aan allen; wij hebben alleen een Evangelie voor hen, die reeds eenige teekenen van uitverkiezing bezitten of beweren te bezitten." Nu is het zeker te veel verlangd, dat Ds. Lingbeek van al de stichtelijke overdenkingen kennis neemt, die in „De Waarheidsvriend'' verschijnen, evenmin als wij ons employeeren al de preeken of bijbellezingen in „De Gereformeerde Kerk" te lezen, schoon wij dit echter gewoonlijk wel doen. Wanneer Ds. Lingbeek dat echter gedaan had, dan had hij daarin terdege kunnen vinden, dat wij niet tekort mogen doen aan het welmeenend aanbod der genade, en om onze eigene schuld zullen verloren gaan (nummer van 30 Aug. 1912).
We begrijpen wel hoe Ds. Lingbeek er toe komt om deze dingen te zeggen. Immers het is niet te ontkennen, dat sommigen onzer geestverwanten dien kant uitgaan. Indien Ds. Lingbeek nu niet alleen de klok had hooren luiden, maar ook wist, waar de klepel hing, dan was het hem zeker niet onbekend, dat degenen, die daarnaar neigen, juist geen leden van den Gereformeerden Bond zijn, doch van dezen als van „menschenwerk", „niet uit God", „een eigenwilligen weg" op een eerbiedigen afstand blijven staan. Wat men hen evenwel niet mag verwijten is dit, dat zij het Avondmaal geringschatten — veeleer het tegendeel. Het moge waar zijn, dat de Doop door hen gelijk door vele anderen onderschat wordt, het Avondmaal wordt door hen zoo hoog gesteld, dat bijna niemand waagt om toe te treden. En toch is de naam grooter dan de daad.
We hoorden b.v. eens een predikant, die in dit opzicht een zekere vermaardheid verkregen heeft, voorbereiding houden. Wat ons trof, was de werkelijk milde aanbieding van de teekenen van het verbroken lichaam en het vergoten bloed onzes Heeren, zuiver gereformeerd, precies op dezelfde wijze, waarop wij enkele weken te voren een van de corypheeën der Confessioneele Vereeniging voorbereiding hadden hooren houden. We zagen dien gereformeerden predikant later eens na een bijna opvallend milde toespraak het Avondmaal bedienen — en hijzelf bleef, gelijk immer, weg, ons in verwondering latende, hoe deze dingen met elkander te rijmen zijn.
Nu is het begrijpelijk, dat een dominé uit het verre Groningen met al deze grootere en kleinere verschillen, die er onder ons „nietgezangen-menschen" — dit is voor velen het tastbare onderscheid tusschen Gereformeerden en Confessioneelen, blijkens het verslag van de vergadering, waarin Ds. Lingbeek oreerde — gevonden worden, niet op de hoogte is, maar dan moet hij er zich ook van spenen om als kerkelijk voorlichter dienst te willen doen.
Wanneer wij de Confessioneelen zouden willen gaan bestrijden, zouden we b. v. om te toonen, hoever de geestverwantschap tusschen ons beiden wel gaat, er op kunnen wijzen, dat een predikant, lid der Confessioneele Vereeniging, die hoogstwaarschijnlijk ook deelgenomen heeft aan den bidstond der Provinciale-Commissie van Zuid-Holland onlangs in Den Haag gehouden om de nooden der Kerk aan den Heere op te dragen, ons eenmaal toevoegde, dat hij, wanneer de keus zou staan tusschen puur modernen en Gereformeerde Bondsmannen, nu ja wel niet de modernen zou stemmen, maar zich dan toch zeker onzijdig zou houden, of op een anderen Confessioneelen predikant, die eens moet hebben uitgeroepen: God beware Middelburg voor een Gereformeerden dominé of op een derde — geen dominé — die in de artikelen van Ds. Lingbeek het abc van alle wijsheid op kerkrechtelijk gebied vindt en de stelling aandurfde, dat nietgezangen-dominé's godloochenaars zijn en dus voor de hel bestemd. Het bewijs hiervoor was zeer eenvoudig, het best door het volgende syllogisme weer te geven: Maior. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet. Minor. Nu kan de Zoon alleen geëerd worden door het zingen van gezangen. Conclusio: Iemand, die louter Psalmen zingt, verheerlijkt dus den Vader niet, is daarom een godloochenaar.
Misschien zal Ds. Lingbeek vragen: „Zijn er zoo? " en we antwoorden hem uit de beste bron: Zeker, die zijn er! We zullen er ook niet op ingaan, dat een ander predikant, lid der Confessioneele Vereeniging, die nog wel, blijkens „De Geref. Kerk" van 17 Oct., bereid is om propagandaredenen te houden, er geen bezwaar tegen heeft om een ethischen dominé, die fanatiek anti-confessioneel is, gelijk ons iemand van ethische richting verzekerde, voor zich te laten optreden, maar zijn kansel hermetisch gesloten houdt voor iemand, die geen gezangen laat zingen — hetgeen overigens bij het meerendeel der Confessioneele predikanten tot onzen spijt regel is — en zeker niet behoort tot degenen, die zijn beeld in de teekening van Ds. Lingbeek kan terugvinden.
Deze voorbeelden van bitterheid en van kinderachtigheid tezamen (om deze laatste reden lachwekkend, indien zij niet zoo treurig waren) — er schuilt ook wel de vrees in, dat de Gereformeerde collega het licht voor den Confessioneel betimmert, naar het eigen woord door een Confessioneel predikant tot mij geuit — die door vele Confessioneelen tegen de Gereformeerden in practijk worden gebracht, zouden zeker met vele te vermeerderen zijn. We denken er echter niet aan dit te doen om daarmee dan onze tegenpartij, die onze geestverwante nog wel is, te bestrijden. Zeker — ook velen van de gereformeerde predikanten gaan niet vrij uit. Door een tartende houding, aangenomen soms tegenover Confessioneele collegas, die mannen waren des geloofs en des H. Geestes, waarlijk staande op den bodem der confessie, hebben ze een gemeente voor lange jaren in handen van het modernisme overgegeven, hebben ze aan de onderling goede verstandhouding tusschen beide richtingen groote schade gedaan. „Waar twee man kijven, enz."
We willen daarom de Confessioneele richting niet op haar smalst nemen gelijk wel Ds. Lingbeek dit onze richting heeft gedaan, doch voordat wij haar standpunt als zoodanig bestrijden, er met dankbaarheid op wijzen, dat er ook nog andere mannen in haar midden worden gevonden, die, gelijk Ds. M. M. den Hertog te 's Gravenhage, hun kansel gaarne aan een gereformeerde als collega Batelaan b. V. afstaan, — gelijk Uw medewerker zelf onderscheidene malen voor Confessioneelen is opgetreden — ja er geen bezwaar tegen hebben, om een gereformeerd predikant te beroepen naar hun eigen standplaats, niettegenstaande er geref. predikanten — geen mannen van den Bond, collega Bakker! —• door de week komen evangeliseeren.
Na dit over de wijze van bestrijding van verschillende Confessioneelen, met name van Ds. Lingbeek tegen de Geref. in het midden te hebben gebracht, welke wijze van bestrijding door den redacteur van onze rubriek Staat en Maatschappij terecht bedenkelijk is genoemd (nummer van 18 Oct.), gaan we er thans toe over om standpunt tegenover standpunt te stellen. We zullen ons wat betreft onze tegenpartij beroepen op de artikelen van Dr. Kromsigt, Ds. Bakker — en Ds. Lingbeek, hetgeen zeker door niemand kan worden gewraakt. Aldus nemen wij de richting op haar best, doch hierover een volgende maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's