De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

21 minuten leestijd

„Gereformeerden" en de „Confessioneelen” III

„Geen milde prediking bij de mannen Geref. Bond", zegt Ds. "Lingbeek van Spijk. Nu — dat niet ieder Hervormde genoegen neemt met die prediking, dat gelooven we wel.

Maar hierin zijn we van eenzelfden geest als Luther.

Toen die zijn Verklaring van den brief aan de Galatiërs voltooid had, schreef hij in de inleiding: „Edog ik zoude gansch niet wenschen, dat dit werk door de onvromen goedgekeurt wierd; maar liever, dat zij daer door met hun God getart wierden, dewijl ik enkelijk deze mijnen arbeid hebbe aangewend voor den zodanigen, waer voor Paulus dezen brief geschreven heeft, namentlijk, voor ontroerden, bekommerden, voort-gedrevenen en verzogten (want die alleen verstaan deze zaken) in den geloove elendige Galateren. Die van zulk soort niet zijn, laten die hunne ooren wenden na Papisten, Wederdopers en meer andere Voorstanders van diepe wijsheid en eigen uitgevonden Godsdienst en laten zij slegts meesterlijk ons werk veragten en zig de moeite niet geven om onze zaken te verstaan".

Wij laten daarom ook nooit zoo maar eens even uitmaken — door wien ook, ook door Ds. Lingbeek niet! — of onze prediking wel goed is.

Wij erkennen alleen maar Gods Woord als Criticus in deze. En wat men tegen ons heeft, diene men te bewijzen met Gods Woord.

Dat onze prediking beoordeeld en veroordeeld wordt is niets bizonders.

Maar alleen voor Gods getuigenis hebben we eerbied. We doen niets liever dan als leerjongens van Christus dat Woord naspreken, als hoogste genot achtende, dat Woord te mogen kennen aan eigen hart door de  onderwijzing des Geestes!

— En dan volgt een andere beschuldiging. Ds. Lingbeek zegt: „een gevolg van een en ander is ook geringschatting der Sacramenten van Doop en Avondmaal en leêge of zoo goed als leêge Avondmaalstafels schijnen in die kringen als een teeken van vroomheid beschouwd te worden".

't Eene moet het gevolg zijn van het andere — leeraart de confessioneele predikant van Spijk.

Maar als het éene nu niet bestaat? Waar komt dan het andere vandaan? Ds. Lingbeek zal, wanneer hij even nadenkt, zelf moeten erkennen, dat het niet aangaat om een gevolgtrekking te maken uit iets, , dat... niet bestaat.

Niet bestaat — bij den Geref. Bond, zooals die Bond publiekelijk optreedt nu jaar en dag!

Bovendien is Ds. Lingbeek in die kwestie van leêge Avondmaalstafels heelemaal in de war, onbillijk en noodeloos hard tegenover den Geref. Bond, zooals die Bond publiekelijk optreedt nu jaar en dag!

De Geref. Bond zelf zegt in zijn statuten niets omtrent deze zaak. Natuurlijk niet.

En de mannen, die de meest warme voorstanders van den Geref. Bond zijn, hebben nog nooit geschreven of gezegd: „leege Avondmaalstafels zijn een teeken van vroomheid!" Nooit!

Dat is een grove en grievende, onware en onchristelijke, venijnige en hatelijke beschuldiging aan het adres van een groep van mannen, die voor God en voor de Gemeente in deze zaak héél anders bekend staan.

Die droefheid, zielfsdroefheid kennen en aan die droefheid in woord en geschrift uiting geven, over het feit, dat er zoo weinig begeerte naar de viering van des Heeren H. Avondmaal in het midden der gemeente is, bij zoovelen, waarvan men naar het oordeel der liefde, vasthoudende aan Gods getuigenis, gelooven mag, dat de Heere genade bewezen heeft aan de ziel.

Hoe kunnen we naar het bevel des Heeren en naar uitwijzen van Gods dierbaar en zeer kostelijk Evangelie tot de kleinen in het geloof en tot de schuchteren van harte spreken, om hen te lokken tot den disch des N. Verbonds, om bij brood en beker neer te zitten!

Maar Ds. Lingbeek weet even goed als wij, hoe door de diep-treurige omstandigheden in onze Herv. Kerk, in deze een zoo diepe breuke is aan te wijzen, in het midden der gemeenten en hoe allerlei meewerkt, dat of allen aangaan in een gemeente, zonder onderscheiding der dingen of bijna niemand aangaat, óok door verkeerde beschouwing der heilige teekenen van Gods Verbond.

Helaas! zijn de gemeenten waar het in deze tamelijk wel „gezond" staat, dat n.l. afblijven, die moeten afblijven en aangaan, die moeten aangaan, in het midden van onze Herv. Kerk, waarlijk niet zoo héél veel. Treurige voorbeelden, zoowel van het één als van het ander zouden we kunnen bijbrengen.

Maar hierin heeft de Geref. Bond niets dat hem speciaal kan worden aangewreven. Die dat denkt en zegt vergist zich.

Het is het eerlijk, ernstig bedoelen van den Geref. Bond om het Evangelie van Jezus Christus en de Sacramenten des Heeren zooveel mogelijk recht voor te stellen, naar uitwijzen van Gods geopenbaarden wil in deze; En ja, dan zijn de mannen van den Geref. Bond het wél hierin eens, dat er naar kenmerken en teekenen van genade een onderzoek moet worden ingesteld, wat èn de leer ên het leven der Gemeente raakt.

De mannen van den Geref. Bond stemmen immers van harte in met het Formulier onzer Geref. Kerk, dat spijze en drank, zijnde het lichaam en het bloed Christi, alleen zijn voor de geloovigen, die eenige kenmerken van genade bij zich bespeuren kunnen, waarom ook een ieder zich zelf recht ernstig en nauw moet onderzoeken, voor welke zelfbeproeving dan weer de lijnen worden aangegeven in Gods Woord en onze belijdenisschriften, gelijk ook de kenmerken van het genadeleven worden opgenoemd.

In ons „ Kort Begrip" antwoordt de christen immers nog altijd op de vraag: hoe moet gij u zelven beproeven, eer gij tot het Avondmaal des Heeren komt ? „eerst moet ik onderzoeken, of ik mij zelven van wege mijne zonden mishage en mij daarom voor God verootmoedige; ten tweede of ik geloof en vertrouw, dat mij al mijne zonden om Christus wil vergeven zijn; ten derde, of ik ook een ernstig voornemen heb, om voortaan in alle goede werken te wandelen".

En onze Geref. Vaderen spreken in de Dordtsche Leerregels nog altijd tot óns, hunne kinderen: van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate verzekerd; niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing in den Woorde Gods aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz.) in zich zelven met eene geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen" (2 Cor. 13 : 5). En verder: uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing, nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zich zelven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barhartigheden te aanbidden, zich zelven te reinigen en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft lief gehad, wederom vuriglijk te beminnen" (zie Leerregels Hoofdstuk I § 12 en 13).

Naar de regelen van Gods Woord, de belijdenisschriften onzer Herv. (Geref.) Kerk en het Avondmaal-Formulier wenschen de mannen van den Geref. Bond te spreken en te handelen. "Waarbij zij met Ps. 115 spreken tot de kleinen en tot de grooten in het geloof; waarbij zij zich wenden tot armen van geest, tot verslagenen van harte, tot bekommerden en bedrukten, tot schuchtere zielen en vrijmoedige, bevestigde kinderen Gods — maar waarbij zij blijven weigeren te zeggen, dat alles wat Hervormd-belijdend-lidmaat is zich aan den disch des N. Verbonds heeft neer te zetten, wetende, dat het niet al Israël is wat Israël genaamd wordt, wetende ook, dat helaas! onze tijd ons en ons volk aanklaagt in zake de weinige Godsvrucht, het weinig waarachtig hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

En dat gevoegd bij onze diep treurige, ellendige kerkelijke omstandigheden, waarbij in duizenden van onze kerk schijnt ingeroest de Roomsche idéé van zijn „plicht" te moeten waarnemen, zonder geestelijken diepgang in het leven te kennen, dringt de mannen van den Geref. Bond om met ernst het Woord te verkondigen en met ernst te spreken van de teekenen en kenmerken van genade, in onze Confessie, naar uitwijzen van Gods Woord, omschreven.

't Zou roekeloos zijn daarvan af te laten, met onzen Catechismus ook belijdende, dat men niet tot dit Avondmaal zal laten komen, die zich met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, daar dan het Verbond Gods ontheiligd en Zijn toorn over de gansche Gemeente verwekt wordt.

Waarom de Christelijke Kerk schuldig is, naar de ordening van Christus en Zijne Apostelen, de zulken (totdat zij betering huns levens bewijzen) door de sleutelen des hemelrijks, n.l. de verkondiging van het Heilig Evangelie en den Christelijken ban, uit te sluiten.

De eere Gods is hier zoo teer!

En met goddelijke wijsheid alleen kunnen hier de kenteekenen worden aangegeven voor degenen, die zich waarachtig hebben leeren verootmoedigen voor God, voor de geveinsden en voor degenen die in het openbaar, in leer en leven, afwijken van den goddelijken regel.

O! hier is de breuke in ons kerkelijk leven zoo vreeselijk diep en breed. Laten we het satim in oprechtheid toch leeren bekennen voor God en voor de menschen!

(Wordt vervolgd.)

Art. 171.

't Wordt wel eens zóo voorgesteld alsof hel ontwerp tot wijziging van Art. 171 — betreffende de financieele verhouding van Staat en Kerk — door Dr. Kuyper gemaakt is en door hem zal worden doorgedreven, om toch de Herv. Kerk maar schade te berokkenen.

Er zijn wel Christelijk-Historische menschen die dat zoo voorstellen.

Nu wordt er telkens in deze kwestie een en ander openbaar, wat een juisten blik kan geven op de waarheid in deze.

1e. is de antirevolutionaire partij geen doleerende partij. Heel het bestuur van de Antirevolutionaire Club behoort tot de Hervormde Kerk: de heeren Middelberg, Van der Velde, Duymaer van Twist, Van Asch van Wijk en Van der Voort van Zijp.

2e. waar het voorstel omtrent art. 171 van de Grondwet aan Dr. Kuyper wordt aangewreven, is het opmerkelijk, dat Dr. Kuyper juist geweigerd heeft in de Sub-commissie voor deze zaak zitting te nemen en nu nog met het voorstel, gelijk het daar ligt, niet zou kunnen meegaan.

Gelijk ook „de Heraut" dit voorstel afkeurt.

De Antirevolutionaire partij is dus geen doleerende partij. Het ontwerp voor art. 171 is dus niet van Dr. Kuyper.

Waar dan tegenover staat, dat de Hoofdredacteur van „de Nederlander", Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, lid is van de Geref. Kerk. Deze is Voorzitter van de Christ.-Historische Club en een van de grootste krachten van heel de Chr. Historische partij.

Terwijl Jhr. Lohman juist het ontwierp voor art. 171 heeft verdedigd en de doorvoering daarvan heeft bepleit als noodzakelijk en billijk.

Of sprak Jhr. Mr. Lohman, eere-voorzitter der Christelijk-Historische Unie, op de jongste vergadering van deze Unie (zoo nauw gecombineerd met de vergadering van de Confessioneelen in Friesland, om liefst ongeveer dezelfde menschen te vangen) niet ongeveer het volgende:

„Ik verschil niet met Dr. Kromsigt in zake het ontwerp voor art. 171, omdat ik tot de Gereformeerde of doleerende Kerk behoor en Dr. Kromsigt tot de Hervormde Kerk. Want dat is niet het verschilpunt in kwestie. Maar ik verschil met den geachten  referent, omdat ik het huidige art. 171 onrechtvaardig vind.

't Liefst zag ik in het geheel geen geld aan Kerken gegeven, doch een ideaal kan niet immer in practijk gebracht.

Waar nu grondwetsherziening aanstaande is, acht ik het noodig, dat deze kwestie, die al jaren hangt, tot een einde komt en zou daarom de oplossing wenschen gelijk die in het nieuwe art. wordt voorgesteld.

Ik acht dat billijk en recht!

De Ned. Herv. Kerk is niet alléén de Volkskerk.

Daar hoort ook de Geref. Kerk bij. Tijdens de reformatie is de Geref. Kerk de nationale Kerk geweest met een gereformeerde belijdenis.

Oldenbarneveldt heeft getracht dït te veranderen, doch Maurits wist het te keeren. Na de revolutie heeft Willem I echter tot stand gebracht wat Oldenbarneveldt vruchteloos poogde."

Zulke woorden verdienen bewaard te worden.

En we vonden het goed, om deze woorden ook nog eens in „de Waarheidsvriend" op te nemen.

Allen die dus zeggen, dat de antirevolutionaire partij een doleerende partij is, die zijn bezijden de waarheid.

Allen die zeggen, dat het ontwerp voor art. 171 in het ontwerp-Grondwetsherziening van Dr. Kuyper is, weten het niet.

En allen die zeggen, dat de toestand zoo blijven moet zooals deze nu is, hooren uit den mond van Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, dat het huidige artikel onrechtvaardig ïs en het nieuw-voorgestelde artikel billijk en recht.

Ook is waard om te onthouden, dat Koning Willem I in de synodale organisatie tot stand gebracht heeft, wat Prins Maurits, die voor de Gereformeerden en tegen de Remonstranten koos, altijd heeft getracht te verhinderen.

Koning Willem I de uitvoerder van het testament van Oldenbarneveldt!

En met die Oldenbarneveldtsche dingen zitten we nu leelijk opgescheept — tot een ramp voor onze Herv. Kerk en tot een vloek voor ons volksleven.

Och, dat er spoedig verlossing kome. Waartoe de lastertongen mogen verstommen en de gereformeerde zin bij ons volk ontwake, leidende tot eensgezindheid en kloeke daden!

Een medewerker schrijft ons:

(Vervolg.)

Confessioneele voorlichting.

De groote grief, die de broederen Confessioneelen tegen ons hebben, is bij monde van Dr. Kromsigt, dat wij gaan in de lijn der afscheidingsbeginselen, met hun bedenkelijke strekking voor kerk en volk, „dat wij", gelijk Ds. Lingbeek het uitdrukt, „over't algemeen veel op hebben met de Kerkbeschouwing van Dr. Kuyper, die de Kerk als een Kerkenbond beschouwt en de volkskerk als een dwaling onzer Vaderen veroordeelt, het huldigen van het Kerkbegrip der gescheidenen." („De Geref. Kerk'' van 19 Sept. jl.)

Wat ons persoonlijk betreft, kunnen we niet anders dan toestemmen, dat wi] in het algemeen in onze kerkelijke en staatkundige opvattingen staan op het standpunt van het Neo-Calvinisme. d. i. dat wij aanvaarden de pluriformiteit der Kerk en, hoewel de aderlating, die men Art., 36 heeft doen ondergaan, ons veelszins ontijdig en ondoeltreffend voorkomt — „Grijpt als 't rijpt"! — wij de idee, die daaruit spreekt, van harte beamen. Wij aanvaarden de pluriformiteit der Kerk, niet als een op de wijsbegeerte berustende gedachte (Dr. Kromsigt, De moderne en de gereformeerde Volkskerkgedachte in „De Geref. Kerk" van 4 April 1912), hetgeen wel door Dr. A. Kuyper geschiedt, 1) maar als een gevolg van de zonde. , Niet dat Dr. Kuyper op de verdeeldheid der Christenheid in tal van Kerken wees, maar dat hij daarvan zijn uitgangspunt maakte, moet hem als grief worden aangerekend" —aldus Ds. Bakker in „De Geref. Kerk."  „We mogen de zonde niet aanvaarden om daarnaar onze theorie te bouwen" — aldus sprak eenmaal tot ons een der redacteuren der „Geref. Kerk."

Maar is men dan blind of denkt men niet niet door om niet te zien, dat ons geheele leven juist het feit der zonde veronderstelt? Wat wil men op deze wijze anders dan vooruit grijpen, wat voor deze bedeeling niet is weggelegd, maar eerst in den hemel werkelijkheid zal wezen, waar geen zonde meer zal-zijn? Wij kunnen werkelijk de aanhangers der Christian Science (der gebedsgenezing), die alle ziekte als product van louter inbeelding beschouwen, niet veel dwazer achten dan hen, die thans in deze bedeeling van zonde en genade vasthouden aan de uniformiteit der Kerk. Eigenaardig ook het verwijt van het niet mogen aanvaarden der zonde in den mond van hen, die den indruk wekken — om het Ds. Lingbeek eenigszins gevarieerd na te spreken — dat heel de belijdenis in Art. 36 is vervat, dat onze goede God nl. uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts Overheden heeft verordend Het is daarbij een standpunt, dat, gelijk het door Dr. Kromsigt, Schokking e. a. wordt voorgestaan, die niets liever wenschen dan terugkeer tot de aloude belijdenis, door een innerlijke tegenspraak onhoudbaar is. Men erkent de drie formulieren van eenigheid als de basis (de norma normata) der Kerk. Men wil dus, dat met het aanleggen daarvan als maatstaf ernst zal worden gemaakt en daarbij dan de uniformiteit der Kerk te willen vasthouden is — wij zeggen het met verschuldigde hoogachting — de reinste onzin, meer parlementair uitgedrukt, is gelijk Dr. Slotemaker de Bruijne onlangs naar waarheid opmerkte, het zoeken van de quadratuur van den cirkel. Het eene sluit eenvoudig het andere uit. Het zou nog iets anders zijn, zoo men b.v. de XII Artikelen des geloofs tot grondslag nam, maar deze dan niet opgevat in den zin van de belijdenisschriften onzer Vaderen, doch naar ieders goeddunken, in de gedachte, dat die artikelen den summieren inhoud van het geloof uitmaken en door alle Christenen worden beaamd. Over de practische verwerkelijking zullen we maar niets zeggen. Wij laten nog daar het feit van het bestaan van zoo tal van secten als Darbysten en Baptisten, Irvingianen en Adventisten, onder wie toch tal van godzalige menschen worden gevonden, die evenwel voor de 'rechtbank onzer formulieren gewogen te licht worden bevonden. Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat Ds. Lingbeek in hoogst eigen persoon wees op het groote gebrek, dat aan de prediking van Spurgeon als Baptist, aankleefde: Dat bij hem nl. de Verbondsgedachte totaal gemist wordt, een gedachte nog wel, die aan Ds. Lingbeek (gelijk aan ons) 1) den grondslag geeft voor Prediking, Doop en Avondmaal. („De Geref. Kerk" van 19 Sept. 1912.) We zouden wel eens willen zien, waar hij met zijn maatstaf blijft als hij dien aan zijn ethische broederen aanlegt. Hij zal misschien zeggen, dat ze de belijdenis blijkens de formule voor de Utrechtsche predikanten verg. — naar wij meenen — „onbekrompen en ondubbelzinnig" onderschrijven, maar wij zijn bekrompen genoeg dit vrij dubbelzinnig te vinden. De een onder hen belieft te gelooven aan een wederherstelling aller dingen, de tweede aan een conditioneele onsterfelijkheid, om nu met de eschatologie te beginnen; een ander is zoo vrij de wonder volle geboorte des Heeren te betwijfelen of te ontkennen en tegelijk van Zijn verzoenend lijden en sterven — zoo schoon in Gezang 130:6 berijmd! — nog minder dan de schaduw over te laten, waardige navolgers van Socijn !

Wellicht zal Ds. Lingbeek daartegen opmerken, dat hij al die menschen: Darbysten, Baptisten, ethiechen, mitsgaders nog de ontziel ers van Art. 36 en leeraars der pluriformiteit niet als Christenen beschouwt, en dan heeft hij ds zaak gewonnen. Hij zou dan zelfs verder gaan dan Dr. Van Baarsel, die ten minste nog poneerde, dat de modernen geen aanspraak op den naam Christen kunnen maken en die voor de ethischen genadig een gradueel verschil openliet! Eenige meerdere helderheid, meerder logiek bovenal, in deze dingen is niet ongewenscht.

Wij weten wel, dat Ds. Lingbeek aanstonds zal komen met het argument: „uitzieken, therapie, geen chirurgie", maar wij nemen dan de vrijheid hem even naar onze vaderen te verwijzen, op wie hij zich zoo gaarne beroept, bovenal in den locus de ecclesia, die de Remonstrantsche predikanten een acte van stilstand lieten teekenen. Hij zal toch niet zóó dwaas wezen als velen van de hoogeerwaarde leden der Algemeene Synode, die — (mirabile dictu) die wêl aan de belijdenisvragen beter de hand wilden zien gehouden, maar voor de a.s. Dienaren des Woords de tot dusver in de praktijk bestaande bandelooze vrijheid handhaven. Dat de zaken toen van gereformeerd standpunt uit bezien, precies op haar kop werden gezet, zal Ds. Lingbeek ons zeker wel toestemmen.

Dat wij met onze opvatting van de pluriformiteit der Kerk afwijken, van hetgeen onze Vaderen hebben geleerd, willen we grif toegeven. Om dit te bewijzen behoeft Ds. Bakker waarlijk niet met zoovele citaten uit het boek van Prof. Kleyn te komen aandragen (zie „De Geref. Kerk" van 23 Mei 1912), noch-Ds. Lingbeek zich te beroepen op art. 28 onzer Geloofsbelijdenis („De Geref. Kerk'' van 3 Oct. 1912), en Dr. Kromsigt — last not least — te verwijzen naar het vierde boek van Calvijns Institutie („De Geref Kerk" van 11 Juli 1912). Voor onze Vaderen stond de eenheid der zichtbare Kerk vast als een paal boven water. Niemand onder ons zal dat ontkennen.

„Op het standpunt van de absolute eenheid der zichtbare Kerk plaatsten zich aanvankelijk ook alle Reformatoren, zoowel Luther als Zwingli, zoowel Calvijn als Bullinger, zoowel Wycliff als Knox, en ook hier te lande zoowel Guido de Brés als Datheen. In onze Formulieren van eenigheid en zoo ook bij onze oude dogmatische schrijvers hield het denkbeeld van de eenheid der zichtbare Kerk nog stand, terwijl toch in het werkelijke leven steeds openhartiger met de pluriformiteit der zichtbare kerk gerekend werd."2)

Het is een onbillijke eisch, dat de Reformatoren aanstonds zouden doorzien de consequenties, die uit het door hen eenmaal ingenomen standpunt zouden voortvloeien — lees daarover b.v. Prof. Visscher, Religion und soziales Leben bei den Naturvölkern IS 89—93)— maar het is zeker niet te veel verlangd om 350 jaar na hun dood een kijk te hebben op datgene, wat sindsdien steeds duidelijker aan den dag is getreden, dat „sedert de Reformatie de Kerk is overgegaan in de periode der pluriformiteit". 3)

Men kan zijn oogen dan ook nauwelijks gelooven, als men ziet, met welke argumenten de mogelijkheid van de eenheid der zichtbare Kerk en van de belijdende volkskerk verdedigd wordt. Men wijst daartoe in het jaar onzes Heeren 1912 in Nederland, vlak na de volkstelling, die aanwees, dat 290, 000 personen onder ons, d. i. 1/20 van het volk tot geen kerk meer behooren, en de volkskerk in de groote steden ternauwernood of bij lange niet de helft barer inwoners telt 4), op hetgeen drie eeuwen — zegge drie eeuwen — geleden het geval was, toen de Gereformeerde kerk van Geneve in de dagen van den grooten Calvijn volhkeik en tevens eene belijdende kerk was, gelijk de Gereformeerde kerk van Schotland in de eeuwen na de Reformatie (aldus Ds. Lingbeek in „De Geref. Kerk'" van 9 Mei 1912). Is dan de geheele ontwikkeling der laatste 150 jaren in en buiten ons vaderland eenvoudig langs U henengegaan, collega?

Ziet gij dan niet de voortwoekerende macht van socialisme en ongeloof? Weet gij het dan niet, hoe er in Den Haag  stemdistricten zijn, waar de socialisten reeds bij eerste stemming de meerderheid hebben boven de rechterzijde en de liberalen saam, hoe het in Amsterdam nog veel erger is gesteld, hoe gelijk b.v. in Haarlem en Schiedam bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen de socialisten, met of zonder hulp der liberalen, evenveel of nog meer stemmen uitbrengen dan de vereenigde rechterzijde, Roomschen, Gereform, en vele orthodoxen der Herv. Kerk, mannen met en zonder Art. 36 ? Hebt gij het niet gelezen, hoe in een naburig land millioenen stemmen op de sociaal-democratische candidaten werden uitgebracht en de aanhangers van hetongeloof in een meetkundige reeks van 2, 4, 8, 16 toenemen?

Voorbij de tijd van een belijdende Volkskerk. Zeker, 300 jaar geleden was zij tot op zekere hoogte in een tijd van hoog geestelijk leven een feit, maar thans! De werkelijkheid spot met al uw theorieën, lacht met uw droombeelden. Misschien zult U ons met Ds. Karres toevoegen (zie de Geref. Kerk van 17 Oct j.l.): wij weten wel, dat wij met deze denkbeelden voor dwazen worden uitgemaakt, gelijk eenmaal Jeremia, maar dat deert ons niet." Ongetwijfeld hadden wij van Ds. Karres een dergelijk phantasma niet verwacht, die voor een paar jaren op de Utrechtsche predikanten-vergadering, na een referaat van Ds. G. H. Wagenaar te Rotterdam over de kerstening der openbare school, als zijn meening te kennen gaf, dat de tijd daarvoor thans voorbij is, maar vast te blijven houden aan de belijdende nationale Kerk d.w.z. de Kerk, die geacht mag worden te zijn de historische openbaring van „het lichaam van Christus in een of ander land (Dr. Kromsigt in de Geref. Kerk van 4 April 1912) strijdt niet alleen met de idee van Kerk, waarin is Jood noch Griek, Barbaar noch Scyth, omdat zij niet binnen de grenzen van een land beperkt blijft, 1) doch is ook een illusie: het leven gaat reeds thans in de steden aan de „Groote Kerk" voorbij.

„U spreekt als een onbekeerde", zei eens een „confessioneel" predikant tot ons, een der lieve broeders, over wie wij het een vorige maal hadden. „Neen", antwoordde ik, „ik spreek er over zooals elk nuchter mensch het moet doen."

Heeft het opzeggen van het lidmaatschap der Kerk door zoovele honderden, wanneer wij een levensteeken van haar mogen ontvangen in den vorm van een belastingbiljet, U dienaangaande ook niet iets te zeggen?

Dit dan aangaande onze afwijking van de lijn der Vaderen op kerkelijk terrein: een volgenden keer over die op staatkundig gebied.


1) Encyclopaedie der H. Godgel. Dl. 112 blz. 620. Vgl. Dr. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek  blz. 346.

2) Wij citeeren uit het hoofd, wijl wij tot onzen spijt het nummer van de ierie missen, waar deze bewering — naar haar inhoud althans — is te vinden.

3) Bavinck t. a. p.

4) Vgl. echter H. Bavinck Gereformeerde Dogmatiek 12 blz. 660, 661. Bij de Reformatie was een optelsom van artikelen, wier kennis en toestemming ter zaligheid noodig was, niet mogelijk meer.

1) Hiermee wordt de tegen ons ingebrachte beschuldiging van Labadisme weerlegd (zie daarover het artikel van onzen Hoofdredacteur in het nummer van 25 Oct. jl)

2) Dr. A. Kuyper. Degemeenegratie UI hl. 229, 230. Vgl. de Encyclopaedie der H. .II2 bl. 615, 616,

3) Dr. H. Bavinck. Gereform. Dogmatiek IV, 348

4) Zie daarover De Waarheidsvriend 1Dec.1911

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's