Van de Leestafel.
Socialisme en Stofvergoeding, door N. Oosterbaan. Uitgave: J. W. Boeyenga, Sneek.
De heer Boeyenga, uitgever te Sneek, durft. De 1ste druk van dit boekje (toen bij een ander uitgegeven) kostte 40 cent. We hebben het toen gekocht en het was z'n geld waard.
De 2de druk verscheen en kostte 30 cent. Dat vonden we goedkoop. En nu is nauwelijks de 2de druk uitverkocht of de heer Boeyenga, die dit werkje nu als zijn eigendom heeft verkregen, doet een 3de uitgaaf het licht zien en vraagt nu maar 15 cent per exemplaar, terwijl papier en druk volstrekt niet minder geworden zijn!
Dat is nog eens een uitgever! Die er heusch niet onverstandig in deed, want dit boekje vliegt natuurlijk weg,
Ziet de Bruidegom komt. Scheurkalender. Uitgave: Oosterbaan en Le Cointre, Goes.
't Schild is een rozenveld. 't Blok is zooals anders. 't Geheel is voor een Christelijk gezin een begeerlijk goed.
* * *
Een medewerker schrijft ons: Geen coalitie zonder vast accoord in zake Kerk en School, door Dr. P. J. Kromsigt, I de Kerkelijke kwestie (art. 171). Uitgave: Amsterdam. Firma B. van der Land.
Door den geachten Hoofdredacteur van »De Waarheidsvriend« gevraagd bovengenoemde brochure van Dr. Kromsigt te willen recenseeren, verkeert de anonyme medewerker van dit blad in een eenigszins zonderlinge positie. Immers, waar meermalen in dit orgaan onder de rubriek van »Staat en Maatschappij» (5 Juli, 20 Sept., 4. Oct. jl.) met blijkbare instemming over de door de Grondwetscommissie voorgestelde wijziging van art. 171 geschreven werd, acht hij het zaak, om verschillende redenen, tegen het voorstel zijn stem te verheffen. Hoezeer hij de overige voorgestelde wijzigingen — in 't bizonder die van art. 192 — toejuicht, het nieuwe art. 171 is voor hem ten eenenmale onaannemelijk. Hij gelooft nl. evenmin als Dr. Kromsigt, dat het voorstel der Grondwetscommisie op voor hem aannemelijke wijze kan worden geamendeerd (blz. 38) en komt eveneens met alle kracht op tegen het nieuwe art. 171, dat ons volk op geheel «nieuwe banen« leidt (blz. 34).
Alleen maar uw medewerker, doet dit alles op eenigszins andere gronden dan Dr. Kromsigt, gelijk de lezers van uw geacht blad reeds zullen begrepen hebben.
Het éene ding, dat Dr. Kromsigt zeer krachtig toejuicht in het voorstel der Grondwetscommissie; de oplossing van de kwestie van art. 171 niet in negatieven, maar in positieven zin, nl. niet door wat men noemt losmaking der zilveren koorde, veel minder door schrapping van art. 171, waardoor men dus de " Kerk aan zich zelve zou overgeven — maar door integendeel den overheidssteun voor de Kerk in hare verschillende nu eenmaal onder ons bestaande vormen uit te breiden, dat ding, door Dr. Kromsigt toegejuicht vindt uw medewerker juist ten zeerste af te keuren.
We betreuren met »De Heraut« (7 Juli '12), dat bij deze Grondwetsherziening de financieele band tusschen Staat en Kerk niet verbroken, maar veeleer bevestigd en versterkt is. wetsherziening ons tot het einddoel brengen zal.
Wij wenschen nl. subsidie, alleen als een vergoeding voor de goederen van de Kerk, die de Staat vroeger onder zijn beheer, genomen heeft (v. g. l. »De Heraut« van 10 Nov. '12), en zien daarom met Dr. Kromsigt (blz. 32) hierin de hoofdzaak, dat het tegenwoordige art. 171 bestaat uit 2 alinea's van zeer onderscheiden karakter. Al. 1. toch rust historisch op het oude eigendomsrecht der Ned. Herv. Kerk; al. 2 alleen op z.g.n. billijkheidsoverwegingen — waarvan wij evenwel de billijkheid niet vermogen in te zien.
Wanneer nl. de Staat de goederen eener kerk naast, doch als rechtmatige vergoeding daarvoor een vast rijkstractement aan haar uitbetaalt (blz. 31), behoeft hij daarom geen rijkstractement uit te keeren aan die kerken, waaraan niets is ontnomen of die pas later zouden geformeerd worden.
Wij geven het Dr. Kromsigt toe, dat in het voorstel der Grondwetscommissie naar de «verkregen rechten* der Ned. Herv. Kerk volstrekt geen onderzoek wordt gedaan en zij kortweg worden gerekend als niet bestaande. Immers de uitkeering op grond daarvan ontvangen, wordt een weinig als subsidie beschouwd en dus geheel gelijk gesteld met de subsidies, die men geeft aan alle andere kerkgenootschappen en secten, waardoor feitelijk dus de financieele positie der Ned. Herv. Kerk wel degelijk wordt aangetast (blz. 14, IS).
Het woordje »normaliseeren« beteekent dus in dit verband — we zeggen het Dr. Kromsigt na — niets anders dan »dat een streep gehaald wordt door de verkregen rechten der Ned. Herv. Kerk, wat de rijkstractementen betreft en dat zij met alle andere, ook pas opgekomen secten van slechts 1000 leden, geheel op voet van gelijkheid wordt behandeld (blz. 14).
Onbillijk en onrechtmatig is deze geheel onhistorische, bloot formeele oplossing der kerkelijke kwestie (blz, 16).
Zeker ligt het verkeerde der regeling hierin, dat men totaal niet rekent met de historie en met allerlei eenmaal geworden toestanden.
Men doet echt revolutionair, juist zooals tijdens de Fransche revolutie, alsof men slechts alles op nieuw te bouwen had. Zulke bloot formeele oplossingen worden daardoor altijd zoo uiterst onrechtvaardig en stuiten dan ook op de werkelijkheid des...
Wij ijveren nl. met de anti-revolutionaire partij voor losmaking der financieele banden, maar ook voor ons is het zéér de vraag, wanneer een nieuwe Grondlevens af. (Noot blz. 16). Ook o.i, is de groote fout van het nieuw voorgestelde artikel, dat men eenvoudig bijna ongemerkt, zonder veel redeneering, op het revolutionaire standpunt is overgestapt en al. i en 2 van art. 171 geheel op éen lijn heeft gesteld. Alles wordt dus eenvoudig als subsidie beschouwd. Elke herinnering aan eenig historisch verkregen recht is dan ook in het nieuwe artikel verdwenen (blz. 34, 35).
Wij zien met Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman 't liefst in 't geheel geen geld aan de Kerken gegeven (zie »de Waarheidsvriend» van 8 Nov.) maar wij meenen in onderscheid met hem dat ideaal in practijk te moeten brengen. Wij vinden het geloofstaal, wanneer Dr. A. Kuyper zegt: in beginsel de zaak bezien en naar den aard van het kerkelijk wezen beoordeerd, moet de Kerk zich zelve genoegzaam zijn; moet ze leven uit eigen middelen en vernedert ze, door op civiel geld te gaan azen, zich zelve niet alleen maar ook haar Heere en Koning.« (Pro Rege II blz. 296).
Wij staan in éen woord op het standpunt, dat De Heraut immer heeft ingenomen, n.l. dat wij niet gelooven aan een Goddelijke roeping der Overheid om voor de finantiën der Kerk te zorgen, waar Christus de zorg voor de tractementen der Dienaren op de gemeente gelegd heeft en niet op de Overheid. (30 Juni '12).
Wij zijn het eens met de motie Donner van 1883 om geen geld uit de Staatskas beschikbaar te stellen voor de stichting van nieuwe predikantsplaatsen, ook niet voor een zeventiende tè Rotterdam, alhoewel de werking dier motie door Dr. Kromsigt treurig wordt genoemd (Noot blz. 34).
Ook wij heffen aan de leuze van scheiding van Kerk en Staat en kunnen niet inzien (zie daarover onze artikelen over «Confessioneele voorlichting» III en IV) dat het voorstel der Grondwetscommissie de hoofdgedachte van art. 36 onzer Geloofsbelijdenis, nu in breeden zin opgevat handhaaft (blz. 41).
Wij wenschen, dat de Staat zijn bijdragen kapitaliseerde; dat kapitaal aan de Kerken terugschonk en daarmede voor goed aan den financieelen band tusschen Staat en Kerk een einde maakte (zie »de Heraut» 30 Juni '12) en dat daarvoor als basis zal worden genomen de gegeven toestand.
Wij weten, dat het schandelijk onrecht is wanneer er staatsgeld voor het z.g.n. Israëlietische Kerkgenootschap wordt beschikbaar gesteld en, gelijk geschied is, aan de Gereformeerde Kerk wordt geweigerd!
We moeten evenwel op dien weg van subsidieeering niet verder ingaan, daar deze van meet af aan verkeerd was, maar halt houden en de subsidieeering juist niet uitbreiden gelijk het nieuwe art. 171 wil.
Het zijn echter billijkheidsgronden, die er tegen pleiten om de eenmaal toegekende subsidie weer in te trekken.
Ook daarop is een historisch recht.
Het gaat niet aan om door een practijk van bijna een eeuw lang eenvoudig een streep te halen, aan de Kerken het krachtens al. 2 van art. 171 toegekende geld te ontnemen, dat een belangrijk element van haar budget is gaan uitmaken.
Wij houden hierbij geen oratio pro domo (geen sredeneering in het belang van ons zelf«).
Immers het is bekend, dat de genoemde alinea in de allereerste plaats aan Joden en Roomschen is ten goede gekomen. De vermeerderingscijfers van 1820—1875 bedroegen voor de Joden 300, voor de Roomschen 160 en voor de Hervormden 10 pet. (zie »De Heraut» van 7 Juli '12 en de brochure van Dr. Kromsigt de noten op blz. 31 en 33 en blz. 40).
Het argument van verjaring is volgens nu wijlen Ds. Buijtendijk (in een paar artikelen in "de Nederlander» verschenen ten tijde van het oprichten van den Gereformeerden Bond) feitelijk een uitvlucht, maar er moet met den gegeven toestand gerekend worden. Het zou te dwaas zijn, wanneer de Roomschen op een plaats b.v. die overwegend Roomsch is gebleven, waar onze vaderen verkeerden als de Hervormingsgezinden te Parijs en te Weenen, in Polen en Italië (v.g.l. Dr. A. Kuyper, Tractaat van de reformatie der Kerken 1884 blz. 154) thans ruim drie eeuwen later de oorspronkelijk Roomsche Kerk terug zouden willen vorderen, die al dien tijd in Protestantsche handen is geweest. Wanneer men daaraan wilde beginnen was het eind er van verloren.
Wat in oorsprong onrecht was, is door den loop der eeuwen feitelijk recht geworden. Zoo ook hier: hoewel de Staat in geenen deele verplicht was de Roomsche Kerk en het Israelietisch genootschap te subsidieeren, is het o.i. zooal niet in den strengen zin des woords onrecht dan toch zeker hoogelijk onbillijk het aan haar uit gunst toegekende geld te ontnemen. Summum jus sumna in inria!
Wat wij willen is niets anders dan uitbetaling van het kapitaal, door het rijkstractement vertegenwoordigd, aan de plaatselijke gemeenten.
Volgens Dr. Kromsigt is een gemeente slechts eigenares als onderdeel der Ned. Herv. Kerk, zooals in 1886 is gebleken. (Noot blz. 21).
Maar de Hooge Raad heeft dat toen wel beslist, doch ook in de opvattingen dienaangaande kon wel eens spoedig een kentering komen!
Prof. Hamaker, thans overleden, heeft eens tot een anderen professor gezegd, (uit wiens mond wij het hebben): dat die uitspraak aldus gedaan was om verwarring te voorkomen — wat niet bepaald recht spreken is!
't Zou wel eens kunnen gebeuren, dat Dr. Kromsigt spoedig op zijn schrijftafel een boek ter recensie kreeg, waarin een Ned. Herv. gezangen-zingend jurist bewijzen zal, dat het recht in 1886 aan de zijde van de doleerenden was, zoodat Dr. Kromsigt dien aangaande zijn oordeel (bl. 22 en noot 23) wellicht zal moeten herzien. De gedachte van de eenheid der kerk staat zeker bij Rome zeer op den voorgrond, zoodat de paus het terecht als een inbreuk maken op zijn rechten beschouwde, toen de Fransche Regeering de kerk in plaatselijk autonome vereenigingen oploste, eigenlijk niet aan den paus onderworpen — maar het Roomsche kerkrecht is nog niet identiek met het Gereformeerde, al is daarom volgens den Gereformeerde de Kerk nog geen bijeenvoeging van vereenigingen.
Het kan zijn — en wij vreezen er ook wel eens voor — dat men zijn kracht overschat, wanneer de kerken van uit kleinere, maar geestelijk krachtige centra's de massa's door evangelisatie opnieuw trachten te winnen en dat er een geestelijke verwildering zal ontstaan, wanneer het lichaam der Ned. Herv. Kerk eens valt en niet langer zijn historische positie in het midden van ons volksleven inneemt (blz. 36, 37). Wat echter het laatste aangaat, van het historisch beslag van het Christendom, waaronder vele duizenden ook in onze groote steden nog liggen (blz. 36), kunnen wij — het is ons een reden tot diepe droefheid — steeds minder bemerken (zie ons artikel «Confessioneele voorlichting» II van 8 Nov. '12). En wat het eerste betreft: gaat er soms niet meer kracht uit van een kleineren, maar geestelijk krachtigen kring, dan van een genootschap, ; dat groot in ledental is maar tegen zich zelf verdeeld en waarvan dan altijd de hoofdzaak weer is, dat het zoo groot is in ledental!
De strijd van de kleine verbonden Balkan-Staten tegen het groote Turkije kan dien aangaande ook nog wel eens iets te zeggen hebben.
De fout in het streven van Dr. Kromsigt lijkt ons, dat hij van twee wallen wil eten. Hij wil nl. bewandelen den hoofdweg: de weg der openbare instellingen (volkskerk, volksschool, openbare kweekschool, H.B. S, gymnasium, officieele godsdienstoefeningen bij leger en marine enz.) èn den zijweg: de weg der bizondere instellingen (biz. Christelijke scholen, evangelisatievereeniging enz.).
Uit dat recht om te reformeeren door de Overheid, gelijk dit onder het O. Verbond door Hiskia en Josia geschiedde (blz, 25 Noot i) zouden levensgevaarlijke consequenties te trekken zijn b.v. wanneer men denkt aan het slachten der Priesteren der hoogte
Dr. Kromsigt meent, dat tot kerstenirg van ons volksleven met zekere gelijkmatigheid beide wegen moeten worden bewandeld (Voorrede).
Zoo ergens, dan overschat Dr. Kromsigt — om zijn eigen woorden te gebruiken — zijne kracht.
De Heraut blijkt een anderen en meer nuchteren kijk op de dingen te hebben (zie o. a. nummer van 10 Nov.), hoewel de Gereformeerden — Dr. Kromsigt heeft er niet zoo lang geleden op gewezen — procentsgewijze meerder mannen van talent tellen, geschikt om leeraar aan de 'H. B. S. of gymnasium te worden of een katheder in te nemen.
Heeft Mr. Schokking op een vergadering, enkele jaren geleden in Utrecht gehouden, waar, naar wij meenen. Ds. Wagenaar een referaat hield over geloof en wetenschap, niet gezegd, dat het stichten van Christelijke Gymnasia en H. B, S, niet zoo moeilijk is, maar dat men staat voor het feit om geschikt, d. i. geloovig leeraarspersoneel te krijgen.
Wij weten ten minste, dat aan een gymnasium, onder de auspiciën der Confessioneele vereeniging opgericht, meermalen leeraren onderwijs hebben gegeven — misschien nóg wel geven —, in oude talen en in wiskunde, die geen ouderwetsch stuivertje noodig hadden, om daarop hun geloof te schrijven.
Waarom zij dan waren benoemd? Eenvoudig omdat geloovige leeraren ontbraken en men heel blij was de vacaturen met goed ethischen te bezetten.
En dan wil men nog èn de Openbare èn de Bizondere Instellingen van Onderwijs tegelijk bezetten met mannen van christelijken huize! Immers, dat gaat onze krachten vér te boven.
Onze recentie van het werkje van Dr. Kromsigt is uitgedijd tot een meer zelfstandige bespreking, hoe wij de Kerkelijk kwestie zouden willen opgelost zien.
Het verschil tusschen de Volkskerk in ouden, gereformeerden zin, die de Bijbelsche Verbondsgedachte niet prijs gevende, tot op zekere hoogte allen ontvangt, die haar door geboorte uit het volk gegeven worden en de vrije Kerk, die meer het karakter van een vereeniging dragende, aanneemt op zekere voorwaarde, degenen, die zich bij haar voegen, lijkt ons niet bizonder gelukkig geformuleerd (blz, 9) — ten minste niet tegenover alle vrije kerken recht en billijk.
Dr, Kromsigt zal goed doen de volgende woorden van Dr. A. Kuyper te overwegen, die niet bepaald met de Vrije-Kerkgedachte op gespannen voet staat: het belijdenis doen te qualificeeren als aanneming is het onbedriegelijk kenmerk, dat men staat in het collegiale kerkrecht en de Kerk in een vereeniging of genootschap heeft omgezet. De Kerk daarentegen heeft krachtens het Genadeverbond behoefte aan een geheel andere organisatie ! (Gemeene gratie III blz, 259. Vergel, de Encycl. der H, Godgel, III blz, 235, Dat ook de vrije Kerken in Amerika, in Engeland, in Zwitserland en in Nederland maar al te vaak de valsche collegialistische opvatting huldigen, als stond het haar vrij zich naar eigen goedvinden in te richten, moet toegegeven ),
Wat verder de opzet der brochure aangaat, vinden wij meermalen in kort bestek herhalingen: over onevenredige vermeerdering der rijkstractementen voor de Roomsche Kerk in vergelijking met de Ned, Herv, Kerk (blz. 33 Noot i en blz, 40 vgl. blz. 31 Noot i) en dan vooral over het normaliseeren, streep halen door de verkregen rechten, historische centrale positie der Ned, Herv, Kerk in ons volksleven und kein Ende — ("blz. 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 26, 31, 32, 34, 35, 36), de gemeente eigenares als onderdeel der Kerk (blz. 21 Noot, aaen Noot 3 op die bladzijde), op de altaren (2 Kon. 23 : 20). Misschien wil Dr. Kromsigt dien weg op met moderne domine's als Dr. Niemeyer en Roomsche geestelijken.
Zoo niet, dan moest hij niet zoo onvoorzichtig wezen, — om nu niet van onnadenkend te spreken — om met een dergelijk argument voor den dag te komen.
Hij leze — indien hij wil — ons artikel: Confessioneele voorlichting IV er eens op na, waar we over deze kwestie breeder handelen. Zooveel verstoktheid hadden we zelfs bij Dr. Kromsigt niet verwacht om art. 35 te verdedigen op grond van de handelingen van de koningen Hiskia en Josia!
Het zal Dr. Kromsigt nu wel niet meer onbekend wezen, dat het voorstel der Grondwetscommissie betreffende artikel 171 buiten Dr. Kuyper is omgegaan, zoodat de reden om zijn verwondering lucht te geven vervalt (blz 13) en dat het veeleer vanden leider der Christ. Hist, Unie Jhr. Mr. A. F. de Savomin Lohman is uitgegaan (zie de Waarheidsvriend van 8 Nov. j.l.)
Voor, het overige kunnen we zeggen, dat hij, die het standpunt der Confessioneelen in zake de kerkelijke kwestie wil toegelicht zien, in deze vlot geschreven brochure, zooals a priori te verwachten was, terecht kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's