De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Zij zullen komen met geween en met smeeking zal ik ze voeren, ik zal ze leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten. Jeremia 31:9a.

Met geween en smeeking.

Het is met een mensch van nature treurig gesteld. Blind is hij voor het gevaar, dat hem dreigt. Hij heeft er geen besef van, dat hij verloren ligt in misdaad en zonde. Daarom luistert hij niet naar de stemme Gods, die tot bekeering hem dringt.. Hij gevoelt het niet, dat hij arm is, ellendig en naakt en daarom wil hij ook niet gaan tot den Eenige, die hem helpen kan.

Jezus zegt: „Gij wilt tot mij niet komen" en dat woord geldt elk natuurlijk mensch. Niet, dat "we dit aanstonds zullen toestemmen, o neen, de mensch meent o zoo spoedig, dat hij wel gewillig is, maar dat de Heere niet wil. Dat durft hij meestal "zoo ronduit niet zeggen, maar het leeft toch in zijn hart en waarom? — omdat 't bedenken desvleesches vijandschap is tegen God.

Klaar wordt hem deze waarheid eerst, als God den mensch voor zijn zonde ontdekt. Dan ziet hij het, dat hij vierkant tegenover God staat, dan bemerkt hij pas de hardheid van zijn boos, vijandig hart en het schijnt hem toe, alsof het nooit onder God zal bmgen. Daar wordt het door den zondaar verstaan, dat hij onwillig en onmachtig is tot hef Koninkrijk Gods.

Alleen almachtige liefde kan hier uithelpen.

"Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God. Dat blijkt ook uit het woord van Jeremia. Daar toch luidt des Heeren woord: „Zij zullen komen met geween". Ge weet, dat hier sprake is van de geestelijke herstelling van Gods oude bondsvolk. De Heere zou. zijn vervallen kerk verzamelen, weder oprichten uit het stof. Het zijn troostrijke woorden, die door den profeet over Sion worden uitgesproken op des Heeren bevel.

God zal zich weder ontfermen over het volk, dat hij lief had, met een eeuwige liefde. Gold dit in de dagen des ouden verbonds, nog steeds gaat dit woord door.

Ook nu nog. God zal zijn volk vergaderen. Hij zal ze toebrengen van de einde der aarde. Uit alle taal en tong en volk en natie.

Zij zullen komen met geween. Dat ziet dus op allen, die de Heere van eeuwigheid minde. Maar hoe is 't mogelijk, waar toch de mensch een onmachtige en onwillige is?

Het wordt ons duidelijk uit een der voorafgaande verzen in dit zelfde hoofdstuk. Immers daar vinden we gesproken van een trekken met goedertierenheid. Welnu, als de Heere trekt, dan zal er immers gevonden worden een gaan tot de Fontein des levens.

Het komen tot God is dus een trekken van God.

En als de Heere nu werkt, wie zal dan keeren ?

Wanneer God trekkend werkzaam wordt, wie heeft dan zijn wil wederstaan. Hij heeft slechts te spreken en het is er, te gebieden om het in het aanzijn te roepen.

Voor Hem bestaan er geen hinderpalen. Alle dingen zijn Hem onderworpen. En daarom, als de Heere de koorden Zijner eeuwige liefde over de ziel van Zijn onwillig en onmachtig volk komt, te werpen, dan is dit de vrucht, dat zij zullen uitgaan tot den Heelmeester Israels, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Wie nooit wilde komen, zal dan moeten komen. Wie nooit bekeerd wilde zijn, wordt daar bekeerd.

Vijanden worden gemaakt tot vrienden, verloren zondaars tot Gods lieve kinderen.

Als de Heere trekt dan wordt van een Saulus, die dreiging en moord blies tegen de gemeente van den levenden God, een biddende Paulus gemaakt, die straks uitgaat als een prediker van de almachtige genade en liefde Gods.

Uit de schrift en ook uit de geschiedenis der kerk kunt gij de voorbeelden van die genadewerking Gods gemakkelijk vermenigvuldigen.

Nu wordt ons in het woord onzer overdenking ook nog gezegd, hoe Gods kinderen komen, namelijk "met geween".

Daar worden tranen geschreid, tranen over de zonde, die ons dan van harte leed wordt. De zonde, die dan gezien wordt, als bedreven tegen zulk een goeddoenden God. De zonde in al haar afschuwelijkheid, in haar Godonteerend karakter. Dat is wat anders dan een treuren over de gevolgen der zonde. Immers dat wordt nog wel gevonden bij den natuurlijken mensch. Denk aan een Ëzau, waarvan geschreven staat, dat hij geen plaats des berouws vond, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

Daar worden heel wat tranen geschreid, die bitter weinig beteekenen. Weinigen treuren in waarheid over hunne zonde.

En dat laatste is noodig. Gemoedelijke naturen worden spoedig tot tranen toe bewogen. We moeten in deze voorzichtig zijn. Daar wordt soms waarde gehecht aan dingen, die niet de minste beteekenis hebben. Ik bedoel dit. Er is b.v. iemand, die ouder het woord der prediking geroerd wordt, zóo zelfs, dat daar een traan wordt weggeplukt.

Komt het niet menigwerf voor, dat op zoo iets al heel wat wordt gebouwd? Men heeft het zoo goed gehad, men smolt er onder weg.

Niet waar, wij kennen allen die uitdrukkingen.

Maar wat was er het resultaat van? Was het blijk van waarachtige bekeering? Was het vrucht van een inwendig treuren der ziel over hare zonde?

Ach, maar al te vaak niet. Morgenwolk en vroegkomende dauw.

Daarom hebben wij wel toe te zien. Bij Gods ware kinderen komt het tot een weenen over de zonden, die bedreven is tegen een heilig en rechtvaardig God. Een inwendig verteerd worden door smart over de ongerechtigheid zoo veelvuldig tegen God begaan. Dat gaat zelfs terug tot zij geboren zijn in zonde en in ongerechtigheid.

't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf. Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren. Zoo klaagde een David èn al is het niet met diezelfde woorden, nog klagen Gods kinderen zóo over hun zonde tot God.

Dat tot God komen met geween gaat dus diep door. Het spruit uit zondenood, uit het bewustzijn van voor God verdoemelijk te zijn.

Maar uit dien nood wordt ook tot God gekermd om genade. De roep om verlossing scheurt daar los. Immers daar wordt ook gesproken van een „met smeeking zal ik ze voeren". Het komen tot God is dus een komen met gebed. Daarom zegt ook de psalmist van den ouden dag:

Dies zal tot U een ieder van de Vromen, In vindenstijd met ootmoed smeekend komen.

Het rechte gebed wordt ook door God, den H. Geest in de ziel geboren, daar waar Hij ze eerst ontdekte voor haar zonde en schuld.

We zullen over dit „bidden" niet uitweiden. Alleen merken we op, dat iemand, die waarlijk ontdekt is aan zich zelf, daarmee niet kan ophouden, totdat de Heere hem genadig zij.

Hierin wordt het echte gebed gekenmerkt, dat het een aanhoudend, een volhardend smeeken is, hoewel de duivel den mensch aanport om dat maar te laten, om het maar op te geven.

Het kan een zondaar benauwd genoeg worden onder die bestrijdingen en aanvechtingen van Satan, ja tot stikkens toe benauwd.

Zal God hooren? Ja gewisselijk, bekommerde ziel, uw geroep sterft niet ongehoord weg. God zal zekerlijk hooren. Zijn Naam is

Troost in nooden, Groote Hoorder van 't gebed.

Houd maar aan met vragen en kloppen. Scheen het voor den blinden Bartimeus niet een hopeloos werk te blijven aanhouden, nadat de discipelen gezegd hadden: „Zeg dat hij zwijgt" — en toch bleef hij roepen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner!

En niet waar, heerlijk was de uitkomst. Welnu, zoo zal God u uithelpen, bij het aanbreken van het morgenrood. Zoo Hij dan toeft, verbeid Hem, Hij zal gewisselijk komen.

Hij zal de ellendigen verhooren, Hun recht doen op hun klacht.

En die verhooring is er, als God de Zijnen voert aan de waterbeken, die in Christus ontsprongen zijn voor een ellendige, dorstige ziel In de woestijn des levens is Hij alleen de Bron van heerlijke vertroosting. Christus is het rustpunt voor den moegestreden zondaar. Welnu, die Heiland spreekt voor alle treurigen Sions: „Wees welgemoed, mijn zoon, mijn dochter, uwe zonden zijn u vergeven."

O, waar dat beluisterd wordt, daar daalt zachte vrede neer, een vrede, die alle verstand te boven gaat.

Achter Hem gaat gij veilig. Hij is het Licht der wereld. Wie Hem volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

Zoo alleen wandelt ge in dien rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten.

"Wat een ruste te mogen schuilen bij Jezus, ga het dan door bezaaid of onbezaaid land, dan wordt het woord bevestigd: Wat vree heeft elk, die uwe wet bemint. Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten. Ik, Heer', die al mijn blijdschap in u vind, Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's