Financiën.
„Er komen nog al veel nieuwe abonné's", zoo schrijft mij de drukker van onze courant, „doch nu en dan ook enkele bedankjes. Vraag u in „Financiën" eens om toch alsjeblieft niet te bedanken, want daar komen we niet mee vooruit."
Ik heb de boodschap letterlijk overgebracht, waarde lezers, en hoop van u allen dat ge trouwe lezers zult blijven en u wel tienmaal zult bedenken alvorens te bedanken. Doet liever zooals de penningmeester van de Afd. Rotterdam, de heer de Vr. Deze schreef mij dat hij met eenige vrienden er eens op uit wenschte te gaan om te trachten eenige nieuwe abonné's te verwerven; die zijn er nog niet veel te Rotterdam, dus daar is nog een ruim veld om te bearbeiden. De gelegenheid is daar thans gunstig nu de Gereformeerden in de Herv. Kerk daar meer en meer terrein winnen zooals ik vernomen heb op de vergadering van de kiesvereéniging „Calvijn", die haar 25jarig bestaan vierde, en waar uit alle oorden des lands afgevaardigden van Gereformeerde kiesvereenigingen waren saamgekomen om hun gelukwenschen over te brengen. Zulke bijeenkomsten zijn goed en noodig en moesten meer plaats hebben. Al was het maar alvast eenmaal per jaar. Men kan daar veel van elkander leeren, vooral ook omtrent de wijze van strijdvoeren en propagandeeren en tot versterking van den onderlingen band. Wie weet worden wij een volgend jaar weer uitgenoodigd om de kennismaking voort te zetten, die vooral om den korten duur van de vergadering slechts vluchtig is geweest. Met een bestuur als dat van „Calvijn", dat zulke krachten bezit, is het niet zoo onmogelijk zulk een bijeenkomst op pooten te zetten. Dit wil ik wel eerlijk bekennen: het smaakte naar meer, al kon nu van hetgeen men zoo te hooren kreeg niet juist alles door den beugel. Zoo hoorde ik daar iemand zeggen tot de afd. Feyenoord: Ik geef je volgend jaar een gereformeerde dominee present. Als ik mijn hand dicht hou krijgt ge niets en als ik mijn hand open doe dan komt hij. Ik dacht: och, och, die is ook nog niet van zijn ik verlost, en mij kwam onwillekeurig het versje in de gedachte, dat mij eens iemand zond en dat ik maar eens goed in mijn geheugen moest prenten. Het luidde:
Als ik denk dat ik wat kan, Is ik weldra gevallen man. Het beste zal voor ik wel wezen. Gestadig voor zijn ik te vreezen.
Ik meende dan ook op te merken dat dit blijde vooruitzicht den afgevaardigden van Feijenoord niet bijster verheugde, hetgeen zich laat begrijpen en geef hun den raad (dien zij trouwens wel niet noodig zullen hebben) de evangelisatie voorshands aldaar maar krachtig voort te zetten. Ook het schrijven van br. Bot bevestigde mij daarin.
Deze laatste, en daarmede kom ik meteen op mijn ontvangsten, zond mij een postwissel van f 18.45, bestaande uit: van 3 ledenvergaderingen f3.33, de 2 busjes uit het lokaal vanaf 18 Aug. f 12.205, het busje van de Jongedochtersver. „Tabitha" vanaf 11 Juli f 2.25, het busje van br. Bot f 0.665, totaal f 18.45. Hartelijk dank voor deze gaven.
Maar er is nog heel wat deze week. Ik mocht onder meer twee prachtige giften ontvangen. Ziet eens.
Ds. Gunning te Schoonderwoerd zond mij f40, ontvangen van X uit Den Haag, en
Ds. Beekenkamp te Delft overhandigde mij f50 van H. te Rotterdam.
Dat zijn dus twee giften bij elkander reeds f 90. Den mij onbekenden gevers hartelijk dank voor deze milde bijdragen. Moge des Heeren zegen er op rusten. Dat is nog weer eens om van op te knappen.
Wij gaan verder:
Mej. Hoogenbirk te Hilversum zond mij f 2.295, den inhoud van busje 35 over de laatste maand;
de heer J. P. de Jong te Oudshoorn f6.47 uit busje 148 van de vrienden aldaar. Dat is de eerste maal uit het nog niet lang geleden ontvangen busje. Hij hoopte een volgend maal meer te kunnen zenden.
Ds. Bootsma te Zoetermeer en Zegwaard zond mij fl1, gevonden in het kerkezakje.
Ook Ds. van Toorn te Leerbroek had f 1 in het zakje gevonden, en Ds. Gunning - te Schoonderwoeri komt voor de tweede maal op het appèl met de opbrengst van de gezamenlijke busjes van de maand November, zijnde f8.60.
Ds. J. van Vliet te Leerdam zond mij van de Geref. Jongelingsver. „Bid en Werk" f5.
Met ingenomenheid nam ik kennis dat in het Novembernummer van het Maandblad van onze Jongelingen er van verschillende zijden op werd gewezen dat het hebben van een eigen Maandblad den leden geen aanleiding mag geven om hun ouden vriend en gastheer buiten de deur te zetten. Vader en zoon behooren bij elkander.
Van Ds. J. E. Klomp, te Poortvliet, ontving ik uit busje 151 f4.— en van H. E. V. d. Leeden, te Hoornaar, uit busje 146 f 1.50.
Ziedaar de ontvangst van 14 dagen.
Ik geloof wij mogen tevreden zijn en dankbaar aan den Heere, die zoovelen nog lust en genegenheid geeft om hun gaven voor de verbreiding der Waarheid te ofiferen.
Mocht ik u de vorige week hebben teleurgesteld door de verantwoording uwer giften achterwege te laten, dan vraag ik daarvoor beleefd verschooning. De kerkelijke verkiezing (die gelukkig geheel in ons voordeel is uitgevallen) vorderde juist op den dag dat ik mijn verslag moest schrijven zooveel van mijn tijd dat dit er bij in moest schieten.
Het Leerstoelfonds in uwe liefde en toewijding aanbevelende, met heilbede.
Delft,
De Penningmeester,
Nieuwe Laan 44.
J. C. FLIEHE.
Oude pöstz., Capsules, Zilverpapier.
Met hartelijken dank ontving ik deze week: Ie. van Kees Beekenkamp, te Delft, een flinke partij theelood, capsules en zilverpapier;
2e. van den heer A. van Leeuwen, te Schiedam, een prachtige hoeveelheid postzegels, capsules en zilverpapier;
3e. van zuster O. V., te Scheveningen, f 1;
4e. van A. Kreunen, te Muiden, 7000 postzegels, capsules en zilverpapier;
5e. van Joh. Molenaar en D. Bergshoef, te Bodegraven, 6326 postzegels, capsules en zilverpapier;
6e. van de dames Bolkestein, te Kortgene, 10, 000 postzegels, capsules en zilverpapier.
Dit was alles nog weer een flinke massa, waarvoor hartelijk dank.
Aanbevelend,
Mej. H. H. VERBEEK,
Kanaalweg 14, Scheveningen.
Vragenbus.
I. VRAAG. IS 't goed om bij het genadeverbond te spreken van een tweedeelig verbond; is het niet beter te spreken (zooals sommige. Gereformeerden gedaan hebben en nóg doen) van een monopleurisch, dat is éénzijdig verbond, daar in het verbond toch God zelf alles is en alles doet !
ANTWOORD. Wij wilden wel, dat alle Geref. predikanten het luide, zéér luide altijd uitspraken, telkens als zij het doopformulier lezen: « overmits in alle verbonden TWEE deelen begrepen zijn, zoo worden WIJ ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid!»
Want we moeten goed gaan gevoelen, dat in elk verbond twee deelen zijn.
Een verbond is immers een overeenkomst tusschen twee partijen. Een verbond van één partij bestaat niet! God en Adam, God en Noach, God en Abraham, God en Israël, God en de Gemeente, God en gij!
Waarom nu met nadruk gezegd, dat het een tweedeelig verbond is?
Om de grootheid van het wonder te roemen, dat God met zoo'n ongelijke partij, als de mensch is, een verbond wil oprichten.
En aan den anderen kant, om den tragen mensch, (met onze Geref. Vaderen in het Doopformulier) te spreken van: de doop verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid.
De doop vermaant en vraagt dus; spoort aan en roept.
Maar de doop doet méér. De doop verplicht en zegt: gij moet. De doop eischt en zegt: ik wil!
Wij vinden het altijd jammer, als hier te weinig nadruk op gelegd wordt. Want het is zoo echt gereformeerd, om hier met klem en kracht te spreken tot de Gemeente!
Om iets in den mensch te leggen?
Om op Remonstrantsche paden te gaan wandelen ?
Men weet beter! Duo cum faciunt idem, non est idem. -
Neen, omdat het zoo echt gereformeerd is, om den eisch des verbonds te leggen op de gemeente en het volk te leeren, dat zij, onder den eisch werkzaam, in den Heere een God mogen vinden, die gezegd heeft: en Ik zal mijnen Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen en Mijne rechten zult bewaren en doen* (Ezechiel 36:27).
Ziet, dat is het heerlijke van het tweedeelige verbond, waarin de Heere met zoo'n ongelijke partij in bondsgemeenschap wil treden, dat de Heere de tweede partij vermaant en verplicht tot gehoorzaamheid, terwijl dan ook dat tweede deel door God gewerkt en voleindigd wordt voor een behoeftig en ellendig volk, dat naar den Heere vraagt en Hem in oprechtheid zoekt.
Zóo wordt het tweedeelig verbond zoo rijk en Gods Gemeente belijdt: gaat in tot Zijne poorten met lof, in Zijne voorhoven, met lofgezang; looft Hem, prijst Zijnen naam« (Psalm 100).
II. VRAAG. IS het goed om te zeggen «overmits in alle verbonden twee deelen (partijen) begrepen zijn ?
ANTWOORD. In het bovenstaande, omtrent het tweezijdig verbond, vindt men eigenlijk ons antwoord op deze vraag reeds vermeld.
We lazen ergens bij een Geref. schrijver; »het in dit verband minder gebruikelijke woord deelen is hier op te vatten in den zin , van partijen; zooals o. a. blijkt uit de oudste redactie van dezen volzin, die aldus luidde: maar naardien, dat in alle verbonden twee deelen zich met malkanderen verbinden, zoo beloven wij ook Gode enz.«
We moeten natuurlijk deze zaak niet zóo maken: God wat en de mensch wat.
Maar de beteekenis van het verbond en de roeping van den bondeling mag niet veranderd worden.
De belofte Gods in deze is zoo rijk! Psalm 81 : 11 "ik ben de HEERE, uw God enz."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's