Vragenbus.
II. VRAAG. Mag ik wel aan het Avondmaal deelnemen als ik weet, dat er eén of meer aan tafel gaan, van wie bekend is, dat zij onchristelijk leven?
ANTWOORD. Wij antwoorden met Calvijn: het is wel een zeer rechtmatige ergernis indien we ons daaraan stooten dat het leven niet met de leer strookt; een ergernis, waartoe wij in dezen jammerlijken tijd maar al te veel reden geven.
Wij kunnen ook onze verfoeielijke vadzigheid niet vergoelijken, daar de Heere die niet ongestraft laten zal, zoodat Hij haar reeds met zware geeselslagen begint te bezoeken.
Wee ons, als wij door eene zoo teugellooze stoutheid in het zondigen, reden geven dat de zwakke gewetens om onzentwil gewond worden.» (Institutie IV, I, §13.)
Calvijn veroordeelt dus ten stelligste dat er geen tucht geoefend wordt en dat het sacrament niet heilig gehouden wordt en dat men zwakke gewetens ergert.
Ja, hij zegt (§ 15.) »Ik beken inderdaad dat het eene groote schande is, als publieke zondaren plaats hebben onder de kinderen Gods; en dat het grooter schande nog is, als hun het hoogheilig lichaam van Christus wordt voorgelegd.
En in waarheid, zoo de Kerken wel geschikt zijn, zullen zij die boosdoeners in haren schoot niet dulden of de onwaardigen niet tegelijk met de waardigen tot dien heiligen maaltijd toelaten.
Maar dewijl de Herders niet altijd zoo zorgvuldig waken, somtijds ook toegevender zijn dan het betaamt, of ook verhinderd worden de strengheid te kunnen oefenen die zij wel zouden begeeren te oefenen, zoo gebeurt het dat degenen, die openbare boozen zijn, niet altijd van het gezelschap der heiligen geweerd worden.
Dat dit een gebrek is, beken ik. Ook wil ik het niet verkleinen, naardien Paulus hetzelfde in de Corinthiërs scherpelijk bestraft.»
En als Calvijn dan zoo gesproken heeft, schrijft hij verder:
Maar schoon de Kerk nalatig is in haar ambt, zoo behoort nochtans ieder bizonder lid daarom niet terstond zich van haar af te zonderen.
Ik ontken wel niet, dat de plicht van een godvruchtig mensch vordert, dat hij zich onttrekke aan allen bizonderen omgang met de goddeloozen en zich niet opzettelijk in verkeering met hen inlate; maar het is wat anders het gezelschap der boozen te schuwen dan uit haat tegen hen de gemeenschap der Kerk op te zeggen.V)
Terwijl Calvijn dan vervolgt: Dat zij nu meenen, dat, het brood des Heeren met openbare boozen te nuttigen, eene heiligschennis is, daarin zijn zij veel strenger dan Paulus. Want als hij ons tot een heilig en zuiver gebruik van hetzelve vermaant, zoo vordert hij niet, dat de een den ander, of een ieder de geheele Kerk onderzoeke, maar dat een iegelijk zichzelven beproeve. (1 Cor. 11 : 28.)
Indien het ongeoorloofd was met een onwaardige Avondmaal te houden, zoo zou Paulus ons waarlijk gebieden om ons henen te zien of er onder de menigte ook iemand mocht zijn, door wiens onreinheid wij zouden mogen besmet worden.
Daar hij nu alleen vordert, dat een ieder zichzelven beproeve, zoo toont hij, dat het ons in het minst niet moet in den weg staan, indien somniige onwaardigen zich tusschen ons inschuiven.
Op niets anders doelt ook hetgeen hij daarna volgen laat in vers 28: die onwaardig eet, die eet en drinkt zichzelven een oordeel.
Hij zegt niet anderen, maar hij zegt zichzelven. En zulks terecht: want het moet aan een ieders goedvinden niet staan wie toegelaten en wie geweerd moeten worden.
Dit oordeel behoort aan de geheele Kerk, hetgeen zonder wettige orde niet kan verricht worden.
Het zou dus onbillijk zijn, dat iemand wordt verontreinigd door de onwaardigheid van een ander, dien hij van den toegang tot het Avondmaal niet kan afhouden.»
Wat Calvijn bedoeld is duidelijk. Aan de Kerk is opgedragen tucht te oefenen en het heilige zooveel mogelijk heilig te houden.
Maar particulier zal men in deze voor zich zelf komen staan.
Waarbij Calvijn even later, in § 16 woorden van Augustinus aanhaalt, en wel deze:
de godvruchtige en vreedzame lieden zullen met barmhartigheid verbeteren wat zij kunnen; en wat zij niet verbeteren kunnen, zullen zij geduldig moeten dragen, met liefde betreuren en beklagen, tot dat God óf dat verkeerde verbetere en herstelle, óf in den oogst het onkruid uitroeie en het kaf uitwanne."
VRAAG. Is het niet Roomsch om te staan naar een zuivere Kerk?
ANTWOORD. Die vraag hebben we wel eens meer gehoord en als antwoord hebben we dan wel eens gelezen: ja! B. v. heeft «de Geref. Kerk» het orgaan der Confess, vereeniging wel eens geantwoord: «dat het streven naar een zuivere Kerk, zoodat de inwendige en de uitwendige Kerk zooveel mogelijk samenvalt, eigenlijk Roomsch is.»
Maar wat dunkt u: is het dan gereformeerd om te leeren, dat het er niets op aankomt, hoe men leeft en dat het er voor de Kerk niet toe doet welk beeld zij vertoont?
Durft gij daar ja op zeggen ? Of roept gij met luide stem: het komt er wél op aan? Ik hoop 't laatste.
Ja — het komt er wél op aan! Voor den christen zoo goed als voor de Kerk van Christus.
Die anders leert is antinomiaansch gezind; die spreekt in strijd met Gods Woord.
Want wat eischt Gods Woord van de Kerk van Christus ? Immers, dat de wacht betrokken zal worden bij het beginsel! «Indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen en zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken.» (Joh, 8 : 31, 32.)
Tegen alle ketterijen moet gewaakt worden, daar de ketterijen zijn als een zwarte rook, die uit den afgrond opkomt. (Openb. 9 : 2.) Ze vergiftigen de menschen en doen ze geestelijk sterven, waarom Petrus ze ook verderfelijk noemt (2 Petr. 2 : 2, 3)
En Paulus schrijft: verwerp een kettersdien mensch na de eerste en tweede vermaning.» (Tit. 3 : 10.) Of zooals Johannes getuigt: een iegelijk, die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon.» (2 Joh. 9.)
Neen, het is niet onverschillig hoe de Kerk leeft. De Kerk van Christus rnoet den leugen haten, zooals Christus den leugen haat. (Openb. 2 : 6.) Doet zij dat niet, zooals de Kerk van Pergamus. (Openb. 2 : 16), dan zegt de Heiland: ekeer u — en zoo niet, ik zal u haastelijk bijkomen en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns moiids.» Daarom verwacht een Gereformeerd mensch niet anders dan dat de Kerk des Heeren dan alleen bloeien zal als H van plaats tot plaats tot een Schriftuurlijke levensuiting komt.
De uitwendige Kerkvorm mag nooit een onverschillige zaak zijn voor een Gereformeerd mensch, omdat God een jaloersch God is en Christus een Koning, die Zijn bevelen wil geëerd zien!
Alle Gereformeerde theologen hebben er dan ook nadruk op gelegd, dat de ware Kerk gekend wordt aan de zuivere bediening des Woords en de bediening der Sacramenten, naar de inzetting van Christus.
Zoo leert dan ook Calvijn in het 1ste hoofdstuk van het 4de Boek (§ 17) zijner Institutie: Het is waar wat Paulus zegt (Ef. 5 : 25): dat Christus zichzelven overgegeven heeft voor de gemeente, opdat Hij haar zou heiligen en dat Hij haar gereinigd heeft door het bad des waters in het Woord des levens, opdat Hij zich een bruid zou voorstellen, die geen vlek noch rimpel zoude hebben. Nochtans is ook geen ding waarachtiger dan dat de Heere dagelijks arbeidt om hare rimpels vlak te maken en hare smetten af te wisschen.
Hieruit volgt, dat hare heiligheid nog niet volmaakt is.
Zoo is dan de gemeente in dier voege heilig, dat zij dagelijks daarin toeneemt, maar nog niet volmaakt is; dat zij dagelijks voortgang maakt, maar nog niet gekomen is tot het einde der heiligheid.»
En zoo spreekt niet alleen Calvijn, maar alle Gereformeerden zijn inzake' de roeping der Kerk om zoo zuiver mogelijk een beeld der ware Kerk Gods te zijn eenstemmig.
En onze conscientie getuigt in deze luide mede! Neen, een volmaakte Kerk is er nooit geweest op aarde en zal er nooit komen. Maar wij mogen door allerlei redeneering niet ons onttrekken aan den eisch des Woords.'
En de trage massa, die misschien hoogstens nog den schijn van een z. g. n. orthodoxie wil aannemen moet deze dingen weer met ernst van alle kanten hooren prediken, opdat men wete, dat het in de Kerk van Christus gaat om het Woord.
Het Woord, opgevat in den zin van onze belijdenisschriften, rondom welke onze Geref. Vaderen zich van ouds schaarden zijnde de banier der waarheid.'-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's