Stichtelijke overdenking.
O mijn volk! wat heb Ik u gedaan? en waarmede heb Ik u vermoeid? betuig tegen Mij. Micha 6 : 3.
O Mijn volk!
Barmhartig is de Heer' en zeer genadig, Schoon zwaar getergd langmoedig en weldadig; De Heer' is groot van goedertierenheid.
Hoe komt de waarheid dezer regelen telkens naar voren, lezerI Hoe treffend! wanneer we denken aan de geschiedenis van den Heere Jezus en de overspelige vrouw. Deze vrouw is een groote zondares voor het aangezicht des Heeren. Terecht roepen hare beschuldigers: de wet van Mozes eischt haar dood door steeniging! En nu komt zij daar zóó beschuldigd voor den Zone Godsl De Joden zeggen in hun hart: Deze noemt zich Gods Zoon en dus zal Hij zwaar straffen! Lezer, ge kent de geschiedenis verder, maar denk nog eens over dat: „Heeft u niemand veroordeeld? En zij zeide: Niemand Heere! En Jezus zeide tot haar: Zoo veroordeel Ik u ook niet. Ga heen en zondig niet meer!" Is dat niet barmhartigheid als zooeven bezongen? Ja is dat die barmhartigheid niet in treffenden zin? — De wettelijk beschuldigde vindt medelijden bij den Heere! O zeker, die beschuldigers, die daar beschaamd moeten afdruipen, zij deelen ook in des Heeren barmhartigheid. Immers, zoolang er voor zondaren nog leven op aarde is, tot zoolang moet het reeds uitgeroepen: De Heer' is groot van goedertierenheid. Doch dieper gaat dat gewis in den weg des Heeren Jezus tegenover de overspelige vrouw.
Nog verder gaat dit evenwel, lezer, wanneer die genade van „niet veroordeeld worden door den Heere" als een eeuwige waarheid voor de eigene ziele mag worden verstaan. Wanneer we zondaar worden voor het aangezichte van een heilig God, dan werden onze aanklagers velen, dan beschuldigden wij onszelf mede voor den rechterstoel des Heeren. En wanneer het dan daar mocht komen, dat het geloofd mocht worden, dat de Heere de zondeschuld wilde uit delgen in het bloed van Christus, o hoe werd toen de barmhartigheid des Heeren onpeilbaar diep. Ja lezer, wanneer ge dat hebt ondervonden, dan roemt ge die gróote ontferming uws Heeren! —
Grooter nu evenwel wordt nog de genade, de barmhartigheid des Heeren in den weg van het Schriftwoord hierboven genoemd. Immers daar komt de Heere Heere zóó laag neder, dat Hij Zijn volk Rechter doet wezen over Hemzelven ! Daar komt de Heere zelve van Zijn troon af om Zich door Zijn volk te laten onderzoeken, opdat het er aldus toe gebracht worde eigen schuld te belijden en alzoo eeuwige behoudenis te vinden.
Ja, des Heeren Naam is: Ontfermer. Dat komt reeds zoo wonderlijk uit daarin, dat Hij het gebed der nooddruftigen hoort, dat Hij degenen, die daar roepen van ellende, uitkomst geeft. Immers, dat is niet, omdat de Heere noodig heeft van menschenhanden gediend te worden als iets behoevende! O neen! Hij bleef de eeuwig Volzalige in Zichzelf ook wanneer Hij de zondaren voor eeuwig verwierp. Het is ontferming, loutere genade wanneer Hij redt. Hoeveel te meer komt nu die ontferming uit, waar Hij alzóo de Eerste wil zijn als het hier bij Micha tegenkomt.
De Heere houdt hier een rechtsgeding met Zijn volk Israël. Israël heeft het ganschelijk tegen den Heere verdorven. Israel heeft genoeg van den Heere. Israel was het moede geworden den Heere te dienen. Het is een overspelig volk voor den Heere geworden! De inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gansche werk van het huis van Achab. En nu een rechtsgeding! Wat blijft er nu voor Israel te hopen ? Het oordeel! Ja, maar eerst geschiedt er iets wonderlijks, ongehoords! De Rechter der gansche aarde laat Zichzelf onderzoeken! En dat waarom ? Opdat het schuldige volk Zijn ongerechtigheid bekènne, dat het tegen den Heere Z'n God heeft overtreden en dan de toorn des Heeren niet voortga! — Is dat niet gadelooze ontferming? En dan in zulk een wijze! — De Heere noemt dan dat afvallige Israel nog: Mijn volk. Des Heeren volk was het. Door den Heere voor Zichzelf van de heidenen afgezonderd! — Maar Israel heeft het verbond verbroken, het is zelve naar de heidenen gegaanI En nu toch nog: „Mijn volk!" — Ja zelfs: ó, Mijn volk! De Heere doet het uitkomen, dat Zijn volk Hem met z'n zonden het harte heeft gewond. De Heere klaagt daar dan wegens Zijn volk! Hij doet het met een toon van verlangen, dat Zijn volk berouwvol wederkeert, opdat Hij het in genade moge aanzien!
Wat gaat dat dan reeds diep, dat: o. Mijn volk! Daar komt dan lot dat Israel, dat verwerping verdient, een uitroep van opzoekende liefde, van overtuigende trouw. Israel vergat z'n God! De Heere z'n Israel niet! De Heere komt laag neder in opzoekende genade over Zijn volk, dat het verbond verbrak I
Die goedertierenheid des Heeren is groot! Maar wanneer ze nu niet tot bekeering leidt? O, vreeselijk dan! Dan moet die nederbuigende liefde in toorn verkeeren! Wat zal die toorn dan zwaar zijn om te dragen! O Israel bedenk u, bedenk u dubbel, eer ge die liefde met voeten treedt. Maar ook lezer, lezeres, bedenk u, bedenk u evenzeer! Wandelt ge nog in de wegen der wereld? Is uw harte nog niet tot God bekeerd? Maar dan wandelt ge ook vele en velerlei goden na in plaats van den Heere Heere! En dan ook des Heeren bondsvolk! Of zijt ge niet gedoopt ? En zijt ge niet door het teeken des Doops van de heidenen afgezonderd? — Dan dus verbondsbrekers! En de Heere nog komende met: o Mijn volk! — Nog eens bedenk u eer het te laat is en het over u ga: houw dien onvruchtbaren boom uit en werp hem in het vuur. En dat vuur wordt nóóit uitgebluscht!
Ja, bedenk u, want het gaat om een eeuwigheid! En de Heere maakte het er met u niet naar! De Heere komt toch Zijn "daden oproepen over Zijn volk gedaan! De bergen, de fondamenten der aarde worden dan tot getuigen geroepen. En die kunnen wat getuigen! De Heere zegt: Uit Egypteiand heb Ik u opgevoerd, daar hoorde Ik uw klagen van wege uw druk, van wege uw jammer en ellende en Ik leidde u uit. Ja, de Schelfzee kan er van gewagen hoe Ik u uit doodsnood redde door de diepe wateren! En dan uw tocht door de woestijn! Mozes hadt ge tot voorbidder, Aaron tot priester en Mirjam tot profetes en vele malen was het uw behoud! De Sinaï, de tabernakel ze roepen het uit, dat Ik uwer gedacht. Horeb is u ten getuige hoe Ik u water deed uit den rotssteen vlieten! — De Heere roept zelve verder toe: denk aan het gebergte van Moab, aan Balak en Bileam! Uw verderf gezocht, maar Ik wendde het af! Hoor toch hoe Bileam getuigen moet: Er is geen tooverij tegen Jacob nog waarzeggerij tegen Israel. Te dezer tijd zal van Jacob gezegd worden en van Israel wat God ge wrocht, heeft. Er zal een ster voortgaan uit Jacob en er zal een scepter uit Israel opkomen, die zal de palen der Moabieten verslaan en zal al de kinderen van Seth verstoren. — Ten slotte, zoo roept de Heere, denk aan de dagen tüsschen Sittim en Gilgal. Uwe zonden verhinderden niet, dat Ik het verbond vernieuwde, dat Ik een Jozua u gaf, dat Ik de Jordaan kliefde, dat ge te Gilgal weer vrucht van den akker, en dan: van het Beloofde land, mocht eten! —
Wat dunkt u, lezer, wanneer de Heere Zijne daden voor de aandacht roept kan Hij dan niet zeggen: betuig tegen Mij ! Wanneer Israel toch immers nog eenige opmerking bezit dan moet het bekennen: Heere, ónze schuld is groot! ja bij ons alléén de schuld! Dat wordt een groote schuld waar het toch aldus staat, dat Israel z'n God in Diens alleen-God-zijn heeft aangetast. Hem met ondank en verguizing heeft beloond voor al Zijne weldaden. Hem grootelijks smaadheid heeft aangedaan bij de heidenen, waar die nu zeggen moeten: Onze goden moesten het tegen Israels God afleggen, en ziet nu stelt Israel zelve onze goden boven zijn Jehova! — Hoe diep moet Israel in de schuld tegenover dat „betuig tegen Mij". —
Ja, wanneer het harte waarlijk opmerkte! Doch, dat harte is zoo verstokt! Ge merkt het verder in ons Hoofdstuk, lezer. Er komt wel antwoord, maar het blijkt het rechte niet, neen het is nog een inblazing van den booze: gevraagd wordt toch of de Heere meer wil hebben om tevreden te zijn, dan de gewone offeranden, of Hij duizenden van rammen, tienduizenden van oliebeken wenscht of soms: de eerstgeborenen, de vrucht des buiks. Hoe blijft Israel ook thans zondigen. Het kan uit zichzelf niet anders! Nu daar geroepen alsof de Heere om Zijns zelfs wille, zich tot winste, offeranden vroeg en niet hun ten voordeel! Ja, alsof ze den Heere waardiglijk konden offeren, waar de Libanon Hem niet genoegzaam is om te branden en diens gedierte niet genoegzaam ten brandoffer. Ja, verder nog alsof Israel nog weten kon, dat de Heere niets eischte dan recht te doen en weldadigheid, lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met Zijnen God. De Heere eischt het harte op achter Hem aan! En hoe staat het met Israel? Micha zegt: een te kleine maat; weegsteenen, die niet zuiver zijn, leugen en bedrog. — En daarom: waar Israel zich niet verootmoedigt na zulk een opzoeking des Heeren, daar komt het oordeel!
Maar lezer, dat ook over u zoo ge daar nog in uw zondig bestaan voortleeft en u niet diep in het stof leert bukken na dat: o Mijn volk! wat heb Ik u gedaan ? waarmede heb Ik u vermoeid? betuig tegen Mij. Zoo komt de Heere nu toch ook tot u lezer, lezeres, die gedoopt werdt, maar nog nooit recht uw zonden den Heere leerdet belijden en Hem om „genade en geen recht" leerdet aanloopen.
O lezer, lezeres, wat moest het u klein maken, dat de Heere u nog opzoekt met dit Zijn Woord, wat moest het u verteederen, dat Hij aldus nog aan u denkt, dat Hij nog bemoeienissen wil houden, die tot behoud kunnen leiden, hoe moest het u in het stof voor Zijn aangezicht doen nedervallen, dat Hij nog geen afgesnedene zaak kwam te houden niet alleen, maar ook, dat Hij u nog niet ten eenenmale overlaat aan de verharding uwer harten. Ja, wat moest het diep in uw ziele indalen, dat de Heere u nog komt te noemen: o Mijn volk! Dat doet de Heere niet om eigen winste! Wat anders haalt Hij daarmede toch over zich dan smaad en hoon.! Gij, Zijn volk, dienaars van den aartsvijand des Heeren Heeren! Gij, Zijn volk, nu nog kinderen van den vorst der duisternis en willende diens begeerten doen! Gij, Zijn volk, wetens en willens de ontferming des Heeren met voeten getreden en satan's lokstemmen gevolgd! — Zal nu ook deze wondere sprake van weergalooze ontferming tevergeefs voor u zijn? O, ware het maar tevergeefs! Het zal tegen getuigen ten oordeel! Ja, tegen getuigen, dat o Mijn volk! met: wat heb Ik u gedaan? betuig tegen Mij! Immers, de daden des Heeren waren groot over u! Uit het heidendom uitgeleid! In vrijheid gebracht! Zijn Woord ontvangen met het: alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij den eenigeboren Zoon Zijner liefde gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe! De Heere bracht u onder Zijn Woord! blijft Zijne bemoeienissen nog uitstrekken! Het is waar, ge werdt geslagen menigmaal! Maar was het naar uwe zonden? — De straffen waren nog weldaden!— En bleeft ge u nu verharden? Hoe getuigt dan alles tegen u ! En wanneer het zoo blijft tot den laatsten snik? Dan zal van des Heeren rechterstoel u voorgehouden als nooit op aarde: Wat heb Ik u gedaan? waarmede heb Ik u vermoeid ? betuig tegen Mij o Mijn volk! — En dan zult ge den Heere niet een uit duizend kunnen antwoorden. Dan zult ge moeten bekennen: Heere Gij hebt naar ons omgezien, maar wij wilden niet hooren, om dan daarin juist de hellestraf te vinden: wij wilden niét zijn, wij weigerden te wezen: des Heeren volk! —
Of is het anders lezer? lezeres? Hebt ge ons Schriftwoord leeren beantwoorden mèt: Al Uwe daden, o Heere, getuigen tegen ons! Gij Heere, Gij hebt gewerkt niet moede wordende, vroeg opzijnde en zendende, maar wij, we hebben onze harten verhard. Ja, is het uw klacht als van David: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad was in Uwe oogen, opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein in Uw richten! Dat de Heere u dan iets doe verstaan van dat: o Mijn volk! zooals Hij u dan opzoekt insteê van verwerpt. Wat wordt dat dan reeds wondere genade! En wanneer dan, kind van God, uw oog op den Heere Jezus Christus mocht gericht, niet alleen in den weg van verlossing nog mogelijk, maar ook : door en in Hem verlost, o dan kondet ge immers bij die genade niet bij. Gij den Heere verlaten, verguisd en nu de Heere u opgezocht met een eeuwige ontferming. — Toen viel de liefde in uw hart. — Ge zoudt den Heere uw gansche leven wijden! — Maar ach, niet waar? het werd weer anders! De Heere moet nog zeggen; Dit heb Ik tegen u, dat gij uw eerste liefde verlaten hebt. — Doch dan komt de Heere met dubbele klem roepen: O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan? en waarmede heb Ik u vermoeid? betuig tegen Mij. En dan smelt men weg in tranen, dat de Heere aldus nog wil overkomen, nog weer de Eerste zijnde! Dan verfoeit men zichzelf weder voor den Heere, maar ook het wordt ondervonden, de klacht des Heeren over Zijn geestelijk Israel roept uit: Uwe ontrouw doet Mijne trouw niet te niet. En dan wordt de Heere hoe langer hoe meer langs vallen en weder opgericht worden der ziele Zijns volks alles om ten laatste daar te doen zijn, waar de Heere Jezus Christus, de Heiland der ziele, met het: „Ik heb voor deze voldaan" eeuwig gerechtvaardigd voor God doen staan! En dan de lof des Heeren eeuwiglijk uitgeroepen vanwege zooveel genade!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's