Uit de Afdeelingen.
UTRECHT, 27 November. Onze tweede openbare samenkomst werd gisterenavond gehouden in de Marnixzaal alhier.
De flink bezochte vergadering werd door den voorzitter geopend met het laten zingen van Psalm 25:2 en het lezen van Psalm 19.
Vervolgens wordt door hem het woord verleend aan Ds. Benes van Delft om te spreken over het aangekondigde onderwerp: Schrift en Belijdenis.
Z.Ew. gaat voor in gebed, laat zingen Psalm 19 vers 4 en vangt in hoofdtrekken zijn onderwerp aldus aan:
Bekende woorden zijn het die wij zooeven gezongen hebben, doch zonder de krachtdadige werking des Heiligen Geestes zullen zij ons geen zegen geven, doch door dien Geest toegepast, een reuke des levens ten leven zijn.
Het Woord moet altijd vergezeld gaan van den Geest; 'tis een gewrocht van den H. Geest, en dit hebben wij te bedenken, dat de H. Geest altijd werkt, zooals in het Woord beschreven.
Niet het Woord alleen, ook niet de Geest alleen; 't Woord naar de meening des Geestes hebben we noodig.
Aan de hand van de woorden van het 105e vers van den 119en Psalm: »Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad« wenscht spreker zijn onderwerp voor dezen avond nader te ontwikkelen en zal dan eerst spreken over "het Woord" en daarna over de »Belijdenis«, in verhouding tot elkander.
Allereerst over »het Woord« om aanstonds alle gedachte weg te nemen alsof wij de Belijdenis hooger stellen dan het Woord. Vier punten worden onder de aandacht gebracht, t. w.: de noodzakelijkheid, de onfeilbaarheid, de volkomenheid en de duidelijkheid van het Woord.
Eerstens wordt besproken de noodzakelijkheid van het Woord en de kennis van God door de schepping in de natuur, welke echter bezien moet worden bij het licht van Gods Woord, wil de kennis van den Schepper niet vervalscht en verduisterd zijn en leiden tot een dienen onder den vorm van allerlei afgoden.
Echter zwijgt "deze schepping van den eenigen naam ter zaligheid «Jezus Christus».
Langs den hemel der natuur ruischt niet in letterlijken zin de naam van Jezus, daarom is die bron van het Woord noodig, die verkondigt wat de natuur niet vermag.
Vervolgens staat spreker stil bij de onfeilbaarheid van het Woord».
Helaas komen in onze dagen, ook in onze Kerk, er zoo velen voor uit, dat Gods Woord volgens hen niet onfeilbaar is, doch dat Gods Woord in den Bijbel is en wordt door menschen aldus uitgemaakt wat wèl en wat niet Gods Woord is.
De resultaten er van zijn, dat zondeval — zondvloed — Abraham — Isaak en Jacob geïdealiseerd zijn, dat er twee David's bestaan hebben (een goede en een slechte), dat de vijf boeken van Mozes uit verschillende brokstukken zijn samengesteld, die elkander tegenspreken, enz.
Op deze wijze wordt heel de Schrift ontwricht, doch het ergst is dat God de Heere verklaard wordt als vrucht van de ontwikkeling die bij het volk van Israël plaats greep; het ging van beneden af, van een veel-godendom tot de erkenning van een eenig God.
Met het Nieuwe Testament gaat het niet beter. De Evangeliën zijn volgens de Schrift-critici niet met zekerheid te beschouwen en kan niet beslist gezegd worden dat heeft Jezus gesproken of gedaans, hoewel het gevoel volgens hen wel zegt, dat het woorden van Jezus moeten zijn.
Zoo gaat het met de Evangeliën en daar komt men als de mensch zich niet gevangen geeft onder het Woord en erkent dat alles van God is ingegeven onder de organische inspiratie, die in taal en stijl uitkomt. Wij handhaven dat al de Schrift is een gewrocht van God den H. Geest en waarschuwen allen, die er iets van wenschen af te doen.
Ten derde behandelt spreker de volkomenheid van het Woord, waarin wij verschillen met Rome, die wel de onfeilbaarheid erkent, doch de traditie er naast stelt.
Doch ook bij ons is het vaak gebod op gebod, regel op regel en heeft men aan het Woord alleen niet genoeg.
Als laatste punt wordt behandeld: »De duidelijkkeid van hèt Woord«.
Vanwaar echter dan al die spraakverwarring in onze Kerk ? ; omdat we geestelijk blind zijn en daarom niet verstaan ter zaligheid, doch als de Geest ons de ware wijsheid leert, dafi zien we de hoofdwaarheden ter zaligheid, dan ontvangen we Gods-Jceaais en zelfkennis.
Was alles glashelder, dan was het geen goddelijk boek meer.
Na het zingen van Psalm I19:53 wordt overgegaan tot bespreking van het tweede punt de Belijdenis.
Waarom nu nog een Belijdenis als het Woord zoo duidelijk is?
Hoe staat het echter met die Waarheden noodig ter zaligheid ?
Gods Woord is geen wetboek bestaande uit regels om die waarheden te kennen, neen gansch het Woord is een goudmijn om ze op te delven, na te speuren en tot in den oorsprong te volgen.
Onze Belijdenis nu is een korte samenvatting van al deze waarheden, opdat ze niet uit haar verband zouden worden gerukt en daardoor Schrift tegen Schrift gesteld.
Vandaar het accoord van kerkelijke gemeenschap, een grondslag van samenzijn.
Oudtijds had men alleen de Apostolische Geloofsbelijdenis, gegrond op de leer der Apostelen; deze echter bleek te beperkt en was het noodig uit te breiden wat hierin lag: daaruit is voortgekomen de drie formulieren van Eenigheid, zijnde de 37 Artikelen — de Heidelb. Catechismus en de 5 Artikelen tegen de Remonstranten. De eersten van leerstelligen — de tweeden van stichtelijken — en de derden van verdedigenden aard.
Dit is kortelijks de inhoud; hoe hier nu over te denken, naast — boven — of onder het Woord?
Onder het Woord, zoo hebben onze Vaderen het geleerd; het Woord absoluut gezag — de Belijdenis relatief gezag.
Te beschouwen als een kostelijke gave ons van God gegeven, waar niet ieder leek maar zijn bezwaren tegen kan doen gelden, doch welke wel in wettige vergadering onderzocht kunnen worden en waar wijzigingen aangebracht en aanvullingen gedaan kunnen worden.
Indien noodig, dan de Belijdenis gewijzigd naar het Woord, zoo hebben wij haar op te vatten.
Deze Belijdenis nu heeft ook ónze Kerk nóg, doch hoe staat het met hare handhaving ? ; dit is het verschil van thans met de tijden van Luther, dat het Woord vrij gebracht mag worden.
Diep verval is er en de Reglementen onzer Kerk verhinderen handhaving door de vage omschrijving van de woorden "Geest en Hoofdzaak".
Zoo kan ieder zeggen naar den Geest te spreken en ieder beroept zich aldus zuiver de meening weer te geven.
Dat is de fout, dat de Belijdenis niet naar 'de letter gehandhaafd wordt, en mocht de breuke nu maar dieper gevoeld en het gebed veel gevonden worden.
Biddend werken is een gulden spreuk en worde zij meer en meer de onze, dan zal de Heere ook verder doorgaan met Zijnen zegen te schenken op onzen arbeid.
Tot besluit wordt nog gewezen op ons Leerstoelfonds; er is reeds aangehaald dat aan onze Universiteit de Schriftkritiek zoo druk onderwezen wordt, doch gelukkig is daar reeds veel verandering en verbetering merkbaar, waar thans hier mannen als hoogleeraar aanwezig zijn als: Prof. Visscher, Prof. van Leeuwen en nu ook Prof. Noordtzij.
Toch is ons Leerstoelfonds niet overbodig, maar broodnoodig, daar deze mannen slechts gedeeltelijk vakken onderwijzen, terwijl het een gebiedende eisch is, een hoogleeraar te hebben voor de volle dogmatiek.
Daarom niet vertraagd in uw gebed, sympathie en stoffelijken steun voor deze onze zaak; wat voor de Geref. Kerken niet onmogelijk is gebleken moet voor ons beslist mogelijk zijn.
Met een opwekking tot nauw en persoonlijk leven mét God eindigt spreker zijn voor een aandachtig gehoor gesproken woord en laat zingen Psalm 89:6, waarna met dankgebed dezen avond besloten wordt.
Namens het Bestuur der Afdeeling Utrecht,
N. JANSSEN, 1e Secretaris.
Ned. Herv. Evangelisatie Feijenoord.
(Nijverheidsstraat 54.)
Zondag 15 Dec. a.s. 's morg. 10 en 's av. 6 uur: de heer Dijkshoorn, Cand. t. d. H. D. te Delft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's