Ingezonden.
Hooggeachte Redactie,
In verband met de stukken van »een medewerker" over Confessioneele voorlichting zij het mij vergund enkele vragen tot genoemden medewerker te richten.
Bij voorbaat zeg ik U dank voor de te verleenen plaatsruimte.
Allereerst wil ik mijn instemming betuigen met de bezwaren die door hem zijn opgeworpen tegen de volkskerk-idée, zooals die door velen der Confessioneele broederen wordt voorgestaan, omdat het ook mijne innerlijke overtuiging is, dat, wanneer de belijdenis weder in eere komt, zij zelf de scheiding zal werken, tenminste indien de tucht niet wordt prijsgegeven.
Bovendien is het mij ook niet duidelijk, hoe men dat volkskerk-idée, op grond van Gods Woord kan vasthouden.
Waarschuwt de Koning der Kerke niet telkenmale voor den invloed van den Anti-Christ wiens macht zich hoe langs hoe meer zal openbaren? Hebben de teekenen der tijden ons dan niets te vertellen ?
Echter mijne vragen rijzen op naar aanleiding van het geschrevene over de pluriformiteit der Kerk. Het komt mij wenschelijk voor, dat de geachte «Medewerker» zich duidelijker uitspreekt.
Men wil het n.l. van zekere zijde doen voorkomen, alsof hij met de pluriformiteit wil verdedigen het bestaansrecht van die Kerken, die met ons aan dezelfde belijdenis vasthouden, maar die uit oorzaak van de banden die ons knellen, ons verlaten hebben. M. a. w. dat de kerken, die in 1834 en 1892 geformeerd zijn, mitsgaders de overige zelfstandige Geref. Gemeenten, als kerken in den vollen zin des Woords moeten beschouwd worden.
Dit nu heb ik uit zijne woorden over de pluriformiteit niet kunnen distelleeren.
Want als het waar is, dat men die Kerken als »Kerken« moet beschouwen, dan zou ik willen vragen, wat doet ons dan nog in de Ned. Herv. Kerk blijven?
Zoude het dan niet beter zijn, haar den rug toe te keeren, en ons zelven een nieuw huis te bouwen of bij de broederen, die van ons gegaan zijn, woning te . zoeken, dan onze ziel nog langer te bedroeven over al de ongerechtigheid die in 't midden der Ned. Herv. Kerk gevonden wordt ?
Neen, juist het bewustzijn, dat wij de Herv, Kerk, ondanks haar diep verval, nog moeten beschouwen als het geopenbaarde lichaam van onzen Heere Jezus Christus, doet ons blijven loopen tot Gods Genadetroon, of het den Heere moge behagen, zelf als Reformator in haar midden op te treden. Naar mijn gevoelen geeft Dr. A. Kuyper in 1883 in zijn Tractaat der reformaties, blz. 198 en 199, juist weer, hoe wij de broederen van 1834. (thans ook die van 1886 of 1892) moeten beschouwen, als hij schrijft:
«Misschien vraagt men, waarom we aan deze drie categorieën van Gereform. Kerken nog niet een vierde toevoegen voor de Kerken der gescheidenen in hun drie of vier groepen, die onder onderscheidene benamingen voortbestaan.
Reden hiervan is, dat wij in al deze gescheidene Kerken niets anders kunnen nog mogen zien, dan doleerende Kerken, die zich tijdelijk misschien iets te zelfstandig georganiseerd hebben. Als morgen den dag de Kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht etc. door reformatie weer in zuiveren staat hersteld zijn, worden we overtuigd, dat al deze nu gescheidene. Kerken zullen saamvloeien; terwijl het heur allerminst euvel is te duiden, dat ze dit weigeren te doen, zoolang die reformatie toeft en een ongeoorloofd Kerkverband wordt bijgehouden.
Nu weten we wel, dat deze gescheidene Kerken zelven volstrekt niet zullen toegeven, dat ze doleerende Kerken zijn. Maar dat deert ons niet.
Waren ze toch geen doleerende Kerken, dan zouden ze moeten volhouden dat onze Kerken alle valsche Kerken of Synagogen des Satans zijn. En naar we gelooven doen althans de godzaligen onder hen, dit niet meer. En nu mag als veldwinnende overtuiging onder hen aangenomen, dat lang niet alle Kerken, waarnaast de gescheidene Kerk is opgetre den, als valsche Kerken wegstierven, dan volgt hieruit immers van zelf dat deze gescheidene Kerken of schismatiek zouden zijn, óf wel, en dat is onze stelling, als doleerende Kerk van iets te zelfstandige organisatie door ons zijn te eeren.«
Een nadere uiteenzetting is bovendien noodzakelijk, omdat er nu al gezegd wordt: »ziet Ge wel, dat de mannen van den Bond niet te vertrouwen zijn; ze komen zich nu eerst in hun ware gedaante openbaren. Al hun beweren, dat zij het heil der Herv. Kerk bedoelen is maar schijn. Hun doel is alleen om nog iets van wat de Kerk bezit, te bemachtigen, om zoodra zij hun doel bereikt hebben, zich van haar af te scheiden. Zij huldigen immers het vrije kerk-systeem, «
Of dit spreken in zekeren kring nu boos opzet is of dat het uit onwetendheid voortkomt, ik weet het niet. Ik begrijp die broeders trouwens heelemaal niet! Maar ik vertrouw, dat de geachte medewerker, wel zoo vriendelijk zal willen zijn om over de pluriformiteit der Kerk, nader zijn gedachten te ontwikkelen, opdat het wapen dat men tegen ons hanteeren wil, uit de hand genomen worde.
Met ware hoogachting en broederlijken groet.
EEN WAARHEIDSVRIEND.
Onderschrift van den Hoofdredacteur:
10. zijn we blij dat dit maar dadelijk ter sprake wordt gebracht;
20. gelooven we wel, dat onze geachte «medewerker* spoedig bereid zal zijn over deze kwestie nog een en ander te schrijven;
30. moet men zich over aanvallen op den Geref. Bond en verkeerde uitleggingen van woorden, daar gebruikt, niet al te zeer verwonderen en zich vooral niet te spoedig uit het veld laten slaan;
40. is er niets, letterlijk niets van aan, van 't geen men van zekere zijde in het midden brengt; gelijk men ook wel weet;
50. staat het onomstootelijk vast, dat de Geref. Bond nooit anders bedoeld heeft dan mee te werken aan de oprichting van de Herv. (Geref) Kerk uit haar diepen val, om aan die aloude Geref. Kerk, als de plantinge Gods in ons Vaderland, weer de plaats te zien toegekend in het midden van de natie, die haar als Geref. kerk van Nederland toekomt, waar allen van Geref. belijdenis met hunne kinderen moeten en kunnen saamwonen.
't Gaat om eén Geref. kerk, waar allen die in Nederland wenschen te buigen voor Gods Woord en de Geref. belijdenisschriften onderschrijven hun plaats vinden, belijdende, dat daar de openbaring van de Kerk van Christus is in dezen lande.
Geen vrije Geref. Kerkjes of kringetjes van Ds. A. of Ds. B. of oefenaar C.
Eén Geref. Kerk, waar een zuivere bediening des Woords behoort te zijn, waar de sacramenten heilig gehouden moeten worden en waar de christelijke tucht moet geoefend worden.
Eén Heere, eén geloof, eén doop, eén huis.
Maar we gaan het niet tegen beter weten in aan de menschen voorstellen, alsof er dan maar eén Kerk in Nederland zal zijn. Eén Geref. Kerk — en anders niets.
Want we gelooven, dat naast en tegenover de Herv. (Geref) Kerk, met hare Geref. belijdenisschriften en presbyteriale kerkvorm, andere kerkgenootschappen of godsdienstige kringen gevonden zullen worden, met andere belijdenisschriften en andere geloofsstellingen en andere vormen van kerkregeering; zooals de Roomsche en de Luthersche kerk; de Doopsgezinde Vereenigingen; de Remonstrantsche gemeenten; de Apostolische Kerk; de Baptisten, Adventisten enz. enz.
Waarbij voor ons is en blijft de Ned. Herv. (Geref) Kerk, met hare Geref. belijdenisschriften de meest zuivere openbaring van de Kerk van Christus.
Evenwel geenszins met déze gedachte, dat de Overheid het zwaard draagt om over de conscientiën te heerschen.
De Roomschen, de Doopsgezinden, Remonstranten, Lutherschen, Adventisten, Baptisten enz. moeten volledige vrijheid hebben en houden tot hun godsdienstige samenkomsten en moeten bescherming genieten in hunne rechten.
De Overheid heeft dus niet te beslissen waar de Kerk van Christus is, noch zich in te laten met de kerkelijke zaken.
De Kerk zelf heeft te beslissen inzake belijdenisschriften, kerkregeering, ambten, sacramenten of wat ook.
En de Kerk heeft nauwkeurig toe. te zien, dat haar belijdenis-conform Gods Woord is en hare levensopenbaring overeenkomstig hare belijdenis.
Volledige vrijheid vragen we dus voor elke Kerk, wier belijdenis, samenkomsten en kerkregeering geen gevaar oplevert voor de veiligheid en de zedelijkheid van de burgers in stad of dorp.
Geenszins verbergend, dat de Herv. (Geref.) Kerk door allerlei banden op bizondere wijze aan den Staat is verbonden.
Daarom zal de Overheid de rechten van de Herv. (Geref, ) Kerk moeten handhaven en haar moeten recht doen in alles waarop de oude Geref. Kerk van Nederland in billijkheid aanspraak kan maken.
Bizonderlijk wat de finantiën betreft vragen we: dat aan de plaatselijke gemeenten zal worden uitbetaald, wat de plaatselijke gemeente, in billijkheid beoordeeld, van ouds aan geld en goed heeft bezeten en waarvoor nu, bij wijze van vergoeding, rijkstractement enz. wordt betaald. Heeft die verrekening zoo goed, billijk en royaal mogelijk plaats gehad, zoo heeft de Overheid tegenover alle Kerkgenootschappen dezelfde verplichtingen, waarbij de souvereiniteit in eigen kring worde gehandhaafd.
Wat hierbij in het geding komt is dit: bizonderlijk in de laatste 100 jaar is er in de Herv. (Geref.) Kerk veel ontrouw gevonden en aan die Kerk is veel onrecht geschied.
Zoo is het geschied, dat, dank zij de leervrijheid, vele Modernen enz. nog binnen de grenzen van onze Herv. (Geref.) Kerk zijn en uit reactie tegen de leervrijheid vele Gereformeerden er buiten.
In deze dingen is de geschiedenis niet terug te zetten.
En daarom spreken we het uit: dat de Herv. (Geref.) Kerk de Geref. Kerk van Nederland is; dat deze Kerk geen plaats kan en mag geven aan Modernen enz;
dat de Gereformeerden die in 1834 en '86 uit-onze Herv. (Geref.) Kerk zijn uitgegaan, dit niet alzoo hadden moeten doen;
dat de Herv! (Geref.) Kerk recht heeft en houdt op de kerkelijke goederen en fondsen der aloude Geref. Kerk van dezen lande, die niet aan de organisatie maar aan de belijdenis der Kerk verbonden behooren te worden;
dat vele Modernen, die niet zijn uitgegaan, daar te lang van geprofiteerd hebben; dat vele Gereformeerden, die ontijdig zijn uitgegaan, daar tijdelijk niets van hebben genoten;
dat de Herv. (Geref.) Kerk zich te openbaren heeft overeenkomstig haar belijdenis;
dat de Modernen zich hebben te bekeeren of buiten haar een plaats hebben te zoeken;
dat de Gereformeerden, die nu gescheiden van de Herv. (Geref.) Kerk leven tot de aloude Geref. Kerk, die zich ook als Geref. Kerk te openbaren heeft, hebben terug te keeren, gelijk ze altijd gezegd hebben te zullen doen;
dat de kerkelijke goederen en fondsen dan weer hooren aan de Kerk die er recht op heeft en dat dan weer van deze goederen gebruik gemaakt wordt door hen, die in de Geref. Kerk thuis hooren, terwijl zij die niet tot de Geref. Kerk behooren, volgens hun belijdenis, ook billijk en rechtvaardig buiten het genot van die bepaalde goederen komen staan. Boven dat alles, heeft elk kerkgenootschap recht op gelijke bescherming.
Wij vragen dus geen bevoorrechting van eenige Kerk, welke dan ook, maar de historische rechten van iedere Kerk, bizonderlijk van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, moeten verzekerd zijn en blijven.
Wij spreken niet van een Staatskerk, niet van een heerschende Kerk, niet van een publieke Kerk.
Men dwinge in geen enkel opzicht ons volk tot eenheid in de relegie.
Wij wenschen rechtvaardigheid en vragen voorts gelijkheid en vrijheid.
Van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk belijdende, dat zij is de aloude Geref. Kerk van Nederland, die zich als Geref. Kerk heeft te openbaren, waar alle Gereformeerden, met hunne kinderen, hebben saam te wonen.
Wij stellen ons dus principieel en aller krachtigst tegen alle Methodistisch en ongereformeerd ijveren voor vrije kerkjes, wat niet anders dan vrije clubjes zijn, om weer een roep te doen opgaan voor de Kerk van Christus in Nederland, waar het Woord recht bediend wordt, het sacrament aan belijdenis gebonden wordt en de Christelijke tucht wordt geoefend.
KETHEL EN SPALAND.
M. de Redacteur.
In het laatste nummer der »Waarheidsvriend" deelt de heer J. C. Fliehe onder de rubriek Financiën het een en ander mede, wat kenrelijk slaat op een stuk van mijn hand voorkomende in de "Zondagsbode" voor Schiedam en Omstrekend..
Ik had het in genoemd stuk over het verschil dat er bestaat tusschen het Leerstoelfonds der Confess. Vereeniging en dat van den Ger. Bond.
Daarop zij thans niet verder ingegaan. Maaralleen worde het mij vergund U de beleefd de vraag te stellen of een dergelijke wijze van strijdvoeren door U wordt goedgekeurd of dat daarvoor alleen genoemde heer moet worden aansprakelijk gesteld.
Mijn conclusie's die ik daaruit ten opzichte van den heer Fliehe trok zou ik, wanneer het eerste waar blijkt, moeten uitstrekken over de gehecle redactie.
En dat zoude mij waarlijk leed doen. U dankzeggend voor de verleende 'plaatsruimte.
Uw abonné,
J. P. Buiskool, Herv. Predt.
Onderschrift van den Hoofdredacteur:
Ieder die in »de Waarheidsvriend* schrijft is voor eigen geschrijf ten volle verantwoordelijk, dat spreekt van zelf.
Zoo ook. onze Penningmeester voor wat hij schrijft in zijn rubriek. Dat is zijn heilig huisje, dat van hem is en waar nooit iemand met zijn vingers aanraakt dan hij alleen.
Dat hij ieder die het, Leerstoelfonds aanvalt een veeg uit de pan geeft ligt aan zijn penningmeestersnatuur. Hij leeft voor het Leerstoelfonds, 't Zou mij zelfs niet verwonderen of hij droomt er wel eens van; hoewel hij 't mij nooit vertelde.
En Ds. Buiskool houde het mij ten goede, maar toen ik zijn stukje in de sZondagsbode voor Schiedam* las, was ik ook aanstonds geneigd een artikeltje te schrijven over deze zaak. Want, waarde Broeder, men mag toch nog niet Alles schrijven, niet waar? Men veroorlooft zich tegenover den Geref. Bond toch al zooveel; maar dit ging nu toch werkelijk heelemaal buiten den schreef!
Want men weet toch wel beter, niet waar?
Men weet toch wel, dat de Geref. Bond niets anders bedoelt dan te mogen meewerken, dat de Herv. (Geref.) Kerk weer uit haar diepen val worde opgericht; als de Geref. Kerk, met Geref. belijdenis en presbyteriale Kerkregeering, weer de plaats zal innemen in het midden van ons volk, zooals de Heere haar die van ouds heeft aangewezen,
Onze Herv. Kerk moet dus weer in hare openbaring worden, wat zij in wezen is, de Geref. Kerk van Nederland, waar allen die wenschen te buigen voor Gods Woord en de Geref. belijdenisschriften onderschrijven, met hunne kinderen saAm wonen. Dat is het ideaal van den Geref. Bond. Immers, nu moogt gij toch maar niet klakkeloos wegschrijven, dat wij niets minder willen dan... de Herv. Kerk afbreken en verlaten; waarbij dan voorgesteld wordt, dat het Leerstoelfonds mee de dommekracht is om onze Herv. Kerk uit haar voegen te lichten.
Waarde Broeder, dan smaadt Gij ons zoo schrikkelijk en belastert zoo lichtvaardiglijk ons heilig streven.
Vergeef mij, maar onzen humoristischen penningmeester, met zijn hoogén ernst in betrekking tot de Geref. waarheid, tot onze Herv. Kerk en tot het Leerstoelfonds van den Geref. Bond hebt Gij ook op een harden proef gesteld! Natuurlijk dat ieder er op staat, dat zijn naam geen smaadheid wordt aangedaan.
Maar zijt Gij niet begonnen om onzen naam, die ons o! zoo lief is, lichtvaardig in het publiek te smaden ?
Wees eens eerlijk!
Of mag tegenover onzen Bond alles?
Aan de Redactie van De Waarheidsvriend.
Weleerwaarde Heeren !
Met klimmende belangstelling nam ik kennis van hetgeen U in No. 3 schreef over art. 36 onzer Geloofsbelijdenis. Waarlijk, dacht ik, dat kan een leerzaam onderhoud worden! Want (en dit heeft wellicht ook bij U, geachte Redactie voorgezeten), is er één artikel in die Geloofsbelijdenis, wat door onkunde verkeerd wordt uitgelegd of verkeerd begrepen wordt, dan is het wel art. 36.
En nu vraagt U naar de meening van Uw lezers over dit zoo gewichtig punt: »is de Overheid bevoegd, is zij verplicht alle ketterij, alle bijgeloof, alle valsche Religie (met name Rome) met het zwaard uit te roeien en te niet te maken? Moet er met geweld gezorgd worden voor uniformiteit der burgers inzake Religie ? «
Ik neem de vrijheid mede mijn beschouwing over te leggen, met genoegen die afstaande voor een betere.
Gaarne had ik Uw, vraag anders willen gesteld zien, mij dunkt, ze ware beter geformuleerd geweest, wanneer ze luidde: "Kan een bepaalde confessie zoo stringent in strijd zijn met de ontwikkeling van het dogma, dat de Kerk ervan afziet de doorvoering te' eischen? " Deze zelfde vraag werd gedaan naar aanleiding vain het feit, dat de Synode der Vereenigde Gereformeerde Kerken in 1905 te Utrecht gehouden, uit Art. 36 juist die woorden schrapte, waarover U des lezers meening vraagt.
De vraag, Redactie, door U gesteld, heeft het bezwaar dat zij, gepaard met de toelichting.der "oude Leeraers": te veel zichzelf beantwoordt. Toch meen ik het volgende, zij het tot leering, te mogen neerschrijven.
De belijdenis, die in dit artikel van het ambt der Overheid spreekt, rekent ook tot taak der Overheid het weren en uitroeien van alle afgoderij, en valschen Godsdienst en het ten gronde richten van het rijk des Antichrists. Niet alleen ligt in de woorden: uitroeien* en »ten gronde richten* opgesloten het gebruik van geweld, maar de Belijdenis zelve bedoelt dit! Dit blijkt uit de oorspronkelijke uitgaaf van 1562, waar de confessie zich beroept op 1 Kon. 15 : 12 en II Kon. 23 : 1 ev. waar gesproken wordt over de Koningen Asia en Josia. Volgens deze belijdenis zou dus werkelijk de Overheid met geweld moeten uitroeien niet alleen valsche godsdienst en afgoderij, maar ook het rijk des Antichrists: Rome.
Zeer zeker hebben onze Ger. vaderen dit bedoeld. Wat anders is, dat ze steeds voor de consequente doorvoering zijn teruggedeinsd. Al gebruikten zij niet het zwaard om Roomschen en allerlei valsche godsdiensten uit te roeien, toch trachtten ze door allerlei middelen allerlei valsche eerediensten tegen te gaan. Onze vaderen ontzagen zich zelfs niet om te onderschrijven de Fransche Confessie, die nog sterker spreekt door te zeggen: » ... Om deze oorzaken heeft God het zwaard gegeven in de handen der Overheidspersonen om tegen te gaan de zonden die begaan worden niet alleen tegen de tweede tafel der Wet, maar ook tegen de eerste tafel«. Ja, zelfs kwamen er in de 17e eeuw bij de Overheid verzoeken in, om de plakkaten tegen de Roomschen te verscherpen, de samenkomsten der Lutherschen en Remonstranten te verbieden en alle andere secten uit te roeien, wat ten gevolge had, dat, al bracht de Overheid de toepassing van de belijdenis niet in de practijk, zij toch van tijd tot tijd plakkaten tegen de "Roomsche Stoutigheden« richtte.
Anderzijds echter ontzag diezelfde Overheid zich niet, om iemand als Cartesius, een man die het zaad van een verderfelijke wijsbegeerte met kwistige hand zaaide, een schuilplaats te bieden. Doorvoering, consequente doorvoering van art. 36 wilde de Overheid niet, evenmin als de kerk dit durfde.
Bij de gewijzigde verhouding tusschen Staat en Kerk in de 19e eeuw werd in verschillende landen die stringente doorvoering van art. 36 zelfs in strijd met de roeping der Overheid beschouwd.
We staan dus feitelijk hier voor de vraag: Welke beschouwing stemt meer met de Heilige Schrift overeen, die van de 16e eeuw of die van de 19e en 20e eeuw?
Ik meen met het oog op die twee tijdperken te mogen spreken van een ontwikkeling van het dogma. De mogelijkheid dat over een of ander leerstuk in later eeuwen meer licht, opgaat dan voorheen, is een feit. Eveneens is een feit dat in de 16e eeuw meer de aandacht werd geschonken op de leerstukken die den weg der zaligheid betreffen, dan die waarin des Overheids roeping werd geopenbaard. De Heilige Geest geeft over vele waarheden, vroeger niet zoo diep ingedacht, thans meer licht. Zeer wel is mogelijk, dat ook art. 36 onder die meerdere bedeeling vad Gods Geest valt. En die mogelijkheid, zoo ze werkelijk bestaat, is dan ook voor ieder mensch, in het bijzonder voor de kerke Gods, een oorzaak, dat ze haar belijdenis moet herzien. Immers, alle menschenwerk is voor verbetering vatbaar.
Zoo bezien, komen we tot het inzicht dat onze Geref. vaderen de Overheidsroeping inzake art. 36 afleidden uit het Oude Verbond, waar Godvruchtige Koningen valsche profeten doodden, en (Elia) Baalpriesters slachtten. Maar men vergat toen het verschil tusschen het theocratisch-Israel. en de Nieuw Testamentische Kerk. Daar toch was Kerk en Staat een; nu heeft ieder zijn eigen terrein. En nu wint meer en meer de meening veld, dat niet alleen de Overheid vrijheid van Godsdienstoefening moet voorstaan, maar ook: dat het N. Testament geen bevel geeft om het rijk des Antichrists uit te roeien.
Wat is nu in deze m. i. de waarheid ?
In Engeland, Schotland en vooral in Amerika heerscht de meening : Een vrije Kerk, een vrije Staat. Geloofsvervolging wordt daar uit den booze geacht.
Maar hoe is het in ons land ? Moeten nu de woorden. Redactie, waarover U de meening vraagt, maar worden geschrapt zonder er iets voor in de plaats te geven?
Neen, ook hier wordt verlangd positief, geen negatief werk.
Waarom dat negatieve werk moest tot stand komen, waag ik niet uiteen te zetten. Wel meen ik te mogen constateeren, dat de politieke constellatie der Rechtsche partijen daaraan niet geheel vreemd was.
Maar er komt een grooter bezwaar wanneer dat gedeelte van art. 36 niet wordt nageleefd, »want, zoo zeide Prof. Honing in 1905, swant met de schrapping dier woorden, (dus ook met het niet nakomen er van) wordt een gewichtig beginsel uit onze belijdenis weggenomen, dat wel tot dusver niet schriftuurlijk was geformuleerd, maar toch in onze Confessie dient gehandhaafd te blijven, zoolang althans deze zich uitspreekt over de roeping der Overheid inzake de eerste tafel van de Wet des Heeren.«
De Overheid heeft dus een roeping te vervullen inzake het eerste gebod (afgoden) en inzake het 2e gebod (valsche godsdienst en beeldendienst).
Het ligt niet aan mij grenzen te stellen hoever de Overheid tn dit opzicht kan en mag gaan. Vaststaat dat de Overheid geen staatsmacht mag uitoefenen op het terrein der Religie. Daar is de Kerk Souverein.
Maar wat ze wel mag, wat ze wel moet, maar wat, helaas, niet geschiedt, is: de Overheid zorge voor naleving van de eerste tafel der Wet Gods.
En wanneer ze die roeping vervult, dan, maar ook dan eerst, voldoet ze aan hetgeen art. 36 haar oplegt, Beschouwd vanuit het venster der 20e eeuw.
Zie, geachte Redactie, mijn meening eischt uitgebreider plaatsruimte dan ik had vermoed. Acht U het der moeite waard, haar geheel op te nemen, dan rest mij niets méér dan een woord van dank voor de plaatsruimte.
Met br. groeten.
JOH. LANGHOUT.
LEIDEN, December 1912.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's