Uit het kerkelijk leven.
Een medewerker schrijft ons:
Ethische voorliohting. II.
[In het artikel van de vorige week zijn eenige zinstorende drukfouten blijven staan, n.l. deze: we willen gaarne erkennen dat Dr. S. de B. een der meest begaafde een sympathieke vertegenwoordigers is, in plaats van en, en Dr. S. de B. wil geen volkskerk zonder belijdenis, waar evenmin enz. i. p. v. maar.']
Ongetwijfeld worden er in deze brochure door Dr. S. de B. — gelijk wij dit van hem kunnen verwachten — vele dingen gezegd, die verdienen aandachtig overwogen te worden en wel de behartiging waard zijn. Toch komen er verschillende beweringen in voor, die of ten eenenmale onjuist zijn óf sleehts ten halve waar.
De tegenstelling tusschen gereformeerd en ethisch vindt hij leugenachtig: er zijn gewoon Gereformeerde ethischen. Sommigen onder hen naderen b.v. inzake den persoon van Christus of de verzoening allerdichtst tot de Evangelischen, anderen zijn in dogmatisch opzicht gewoon gereformeerd, i) Het eerste stemmen wij volmondig toe, het tweede zijn we zoo beleefd in twijfel te trekken.
Allereerst doet ons de erkentenis genoegen, van ethische zijde gedaan, dat sommigen onder de ethischen inzake den persoon van Christus of de verzoening allerdichtst tot de Evangelischen naderen. Het is anders verre van ongewoon, die ethischen, die wel het verst in deze cardinale leerstukken afwijken, hoog te hooren opgeven van dat principieele verschil, dat hen van de vrijzinnigen scheidt. „Die het er immer over hebben, dat de ethischen toch eigenlijk modern zijn, laten die de laatste brochure van Dr. Gerretsen maar eens lezen over het onderscheid tusschen de orthodoxen en modernen" - aldus Dr. Cramer. En wat is nu het criterium? De lichamelijke opstanding des Heeren. Pure willekeur, zou Dr. S. de B zeggen 2) en wij zeggen het hem na.
De lichamelijke opstanding des Heeren het leerstuk bij uitnemendheid van de Evangelischen, die het borgtochtelijk lijden van den Heiland loochenen. Nog niet zoó lang geleden is dit door Ds. Drijber (naar wij meenen)in het Evangelisch Zondagsblad uiteengezet. Waar--" uit blijkt, dat het criterium door. Dr. Gerretsen en Cramer aangegeven om het onderscheid tusschen orthodox en modern te typeeren, neerkomt op het dogma, dat door de Evangelischen zelfs, die het hart uit het Christendom wegnemen, n.l. het verzoenend lijden en sterven des Heeren, wordt beleden. Het leerstuk der Drieeenheid wordt deor de Evangelischen met nadruk geloochend i) en ook Dr. Gerretsen is (indien wij ons niet bedriegen) in zijn verhandeling over de Christologie op weg hetzelfde te doen. Wij weten maar al te zeer, dat er zeer bekende ethische predikanten zijn, die den Heere Jezus Christus voor den zoon van Jozef en Maria houden, ook al brengen zij dit nu niet op den kansel en dat het plaatsbekleedend lijden des Heeren door hen zóó wordt ontzield, dat het feitelijk op loochening daarvan neerkomt.
In zooverre gaan we dus met Dr. S. de B. accoord - met dit onderscheid alleen dat wij liever niet zeggen, dat sommigen onder de ethischen in deze leerstukken allerdichtst tot de Evangelischen naderen, maar dat ze het metterdaad zijn.
Ethischen echter, die in dogmatisch opzicht gewoon gereformeerd zijn, hebben wij bij ons weten nog niet aangetroffen. Het moge tot op zekere hoogte waar zijn wat Dr. A. Kuyper in De Heraut verklaart:2) Het begrip van ethisch is te onvast. Er zijn onder de ethische godgeleerden denkers, die geheel van ons vervreemd zijn en met de modernen sympathiseeren en saam optrekken om ons tegen te staan en onzen invloed te breken, maar er zijn onder de ethischen, vooral onder de ouderen, ook meer conservatieve geesten, die niet dan noode iets van het geloof der vaderen prijsgeven en die, zoo dikwijls het er op aan komt om tusschen de modernen en de Schriftgeloovigen te kiezen, van harte het voor u opnemen. Om alle verwarring te vermijden en allen valschen indruk te voorkomen, lieten we daarom opzettelijk in onze karakteriseering den naam der ethischen weg - het is toch niet te veel gezegd, wanneer we beweren, dat de ethischen .van allerlei schakeering met Prof. Gunning in het geloof der gemeente den theologischen maatstaf des oordeels vinden. Of men met Prof. Muller zegt, dat het object der Dogmatiek het Christelijk geloofsleven is, of met Prof. v. Dijk: de dogmatiek beschrijft den grond en inhoud van het leven der gemeente, of met Prof. Ch. de la Saussaye Sr.: het object der dogmatiek is het Christelijk leven der gemeente, 1) het komt alles op dat onbestemde, onbepaalde standpunt neer, waarbij men ten slotte met Protagoras zelf de maatstaf wordt, door tot het geloof der gemeente te rekenen, wat men persoonlijk belijdt, gelijk tal van godgeleerden als resultaat van hun onderzoek naar het wezen der religie, waartoe ze de godsdiensten van cultuur-en natuurvolken beide bestudeerden, uitkwamen op datgene, wat ze a priori, van te voren voor den kern er van hielden.
Indien er een is, die als type van de oudere ethischen kan ge!den, dan was het zeker Ds. J. H. L. Roozemeyer, vroeger predikant te Arnhem, door Prof. Ch. de la Saussaye Jr. „zijns vaders oudste en trouwste leerling" genoemd. 2) Ook voor hem heeft de Schrift haar onfeilbaar gezag verloren, is zij afgedaald tot den rang van oorkonde der bijzondere openbaring. 3) Het is voor hem een open vraag, of onze belijdenis het bij het rechte eind heeft, dat er tegen de H. Schrift niets valt te zeggen en wij zonder eenige twijfeling hebben te gelooven al wat daarin begrepen is.4) dan wel de historische critiek:
Zijn de Psalmen toe te kennen aan hen, wier namen zij dragen of aan andere dichters? Is het tweede gedeelte van Jesaja van den bekenden profeet of van een lateren auteur? Is wat het geheel aangaat, de wetgeving voorafgaande aan het profetisme of wel het profetisme aan de wetgeving, zoodat vóór het optreden der profeten, slechts de hoofdbepalingen der Mozaïsche wetgeving aanwezig waren, maar de uitvoerige voorschriften omtrent allerlei bijzonderheden eerst na den arbeid der Profeten zijn te boek gesteld? Deze en dergelijke vragen zijn het, waarop antwoord gezocht wordt. Dat antwoord is slechts door geduldig en ernstig vorschen te vinden, ¹)
Ds. Roozemeyer buigt dus niet meer voor het: Daar staat geschreven, maar hij aanvaardt den Bijbel onder beneficie van een nauwkeurig onderzoek of hij wel betrouwbaar is — "dat is het quatenus op de H. Schrift toegepast — laat staan van op de belijdenis — d. i. voor zoover Ds. Roozemeyer zelf uitmaakt, wat uit God moet zijn 2) en wat niet als b.v. Ps. 137. 3) Dat dit alles in dogmatisch opzicht gewoon gereformeerd is, geloof ik niet, wanneer ten minste onze belijdenis dit is. Ik voor mij kan hier niets anders — gelijk de modernen aan de ethischen terecht verwijten —. dan een principieel verschil bespeuren, dat op fundamenteele wijze Ds. Roozemeyer c. s. van de gereformeerden scheidt.
En indien dat alzoo met het groene hout is, hoe zal het dan met het dorre zijn ? Dan komt men er toe in Gen. 6:1 — 4 met hem, die jarenlang aan de Universiteit, waaraan de medewerker van De Waarheidsvriend studeerde, als de vertegenwoordiger van het ethisch beginsel gold, een stukje mythologie te zien, dat verhaalt van den omgang van engelen met vrouwen, uit welken omgang reuzen geboren werden, door de Grieken halfgoden genoemd, of gelijk een ander professor de cynische opmerking te maken, na de Openbaring van Johannes uiteengerafeld te hebben, zoodat er geen stuk van heel bleef: er staat aan het einde, M. H., indien iemand afdoet van de woorden des hoeks dezer profetie. God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens Nu, M. H., na al hetgeen U van mij gehoord hebt, zult U wel begrijpen, dat mijn naam in dat boek niet te vinden is." 1)
Wij houden ons daarom aanbevolen om van Dr. S. de B. te vernemen, welke ethischen in dogmatisch opzicht gewoon gereformeerd zijn, — in kerkrechtelijke opvattingen schijnen ze ook volgens Dr. S. de B. aanmerkelijk uiteen te gaan, wat dogmatisch verschil in zich sluit, !) —waar zij het fundament ondergraven, waarop ons dogmatisch gebouw, dat zeker stukwerk blijft, is opgetrokken. Indien toch de historische critiek, welke door de ethischen aanvaard wordt, gelijk heeft, dan hangt alles in de lucht, moeten we komen tot de aanvaarding van een pia fraus (vroom bedrog) bij het opstellen van het boek Deuteronomium, of van de profetieën van Daniël, ja zelfs volgens velen bij den schrijver van het vierde Evangelie, wijl dit niet van den Apostel Johannes is, evenmin als de brieven aan Timotheüs en Titus van Paulus zijn.
Misschien zal Dr. S. de B. opmerken, dat iemand als De la Saussaye Sr., de grondlegger der ethische richting in ons vaderland, op isagogisch gebied zeer beslist conservatief was. 2) Hoever dit echter ging, blijkt b.v. uit het begin van zijne preek over: de mensch gaat naar zijn eeuwig huis (Pred. XII:5c): Het boek genaamd de Prediker is van zeer jonge dagteekening, wellicht het jongste van den geheelen Kanon, Het is — heden ten dage een zoo goed als eenstemmig oordeel van alle bevoegde uitleggers, joodsche zoowel als christelijke van allerlei richting, de meest rechtzinnige niet uitgesloten, dat de auteur van dit boek zeker na Maleachi, alzoo niet vroeger dan het Perzische tijdperk, waarschijnlijk eerst in het Grieksche, 2 a 3 eeuwen vóór Christus, toen Palaestina gestadig de twistappel was tusschen de Syrische en Egyptische koningen, geleefd heeft. Taal en inhoud wijzen op dien zeer jongen oorsprong. De auteur legt zijne beschouwingen naar de gewoonte der oudheid in den mond van dengene, die als de schepper der Hebreeuwsche wijsbegeerte werd beschouwd, den koning Salomo. 3) Hiermee — in 't bijzonder in den laatsten zin — is het principieele recht der historische critiek op de H. Schrift geponeerd: 4) wat geldt voor de Prediker, kan ook gelden voor de opschriften van de Psalmen, ja voor de Evangeliën en brieven der Apostelen: 't is immers de gewoonte der oudheid aldus te doen, gelijk onze ethische leermeester voor het Is N. Testament ons gedurig voorhield.
De leugenachtigheid van de leuze: ethisch of Gereformeerd, vermogen wij daarom niet in te zien, wijl wij nog nimmer gewoon Gereformeerde ethischen hebben leeren kennen in hun geschriften niet alleen, maar vooral niet in hunne gesprekken, zoodat wij gerustelijk zullen voortgaan die tegenstelling te maken, ja het integendeel van het hoogste gewicht achten de scheidingslijn tusschen beide van meet af in het oog te houden: vindt gij uw uitgangspunt en norm in de H. Schrift opgevat in den zin onzer Belijdenisschriften, of baseert gij U op het ondefinieerbare geloof der gemeente, de realiteit der geestelijke dingen, het leven zooals dit van Godswege is geopenbaard, 1) of hoe men het laatste standpunt ook karakteriseeren wil,
Dit dus over het principeele verschil tusschen ethischen en gereformeerden: een volgende maal over de wijze, waarop Dr. S. de B. de prediking van de Bondsmannen bestrijdt.
1) Blz. II.
2) Vgl. blz. 20, 28.
1) Zie daarover Evangelische beschouwingen I, Dr. H. Ph. Rogaar. Wat onderscheidt ons Evangelischen in Kerkrechtelijk en in Leerstellig opzicht historisch van de orthodoxen, wat van de modernen, blz. 17 en vooral IV, Ds. R. H. Drijber, De Heilige Geest en de Drieeenheid passim.
2) 32 Sept. 1912.
1) Vgl. Prof. Dr. A. G. Honig, De ethische richting. Het object der dogmatiek II in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift. Aflev. 6, Oct. 1912, blz. 204, 205, 206, 208, 213.
2) Al de leerredenen van Dr. D. Chantepie de la Saussaye. Voorrede van den tweeden druk. 3) Zie zijn Het Christelijk geloof, 2e druk, 1894. Hfdst. II. De bijzondere openbaring en hare oorkonde, blz. 28-63.
4) Art. 4 en 5.
1) a. w. blz. 38, 39.
2) a. w. blz. 47.
3) a. w. blz. 51. Vgl. Dr. A. Kuyper Encyclopaedic der H. Godgel. l' blz. $17. Niet de Schrift toch bepaalt op dit standpunt wat essentieel zal zijn, maar omgekeerd de persoonlijke en communale mystiek maakt uit, wat al dan niet in de H. Schrift als goud geschat zal worden.
4) Vgl. Dr. A. J. de Sopper, Zaligheid, Mattb. 5 : 8 in Overdenkingen, 20e jaarg., 4e bundel 1912, blz. 211. Wat ze minachten is uw verouderde, onhoudbare, ongeestelijke magisch-fetichistische bijbelbeschouwing.
1) a. w. bl. 12. h
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's