De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen. Jes. 54 : 10-13.

Het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen.

Jes. 54 is een bekend hoofdstuk, vol heerlijke, vertroostende waarheden voor Christus' Kerk op aarde.

't Verplaatst ons naar de dagen, zoo nauw samenhangend met de Babylonische ballingschap — dus naar die dagen, dat Israël, Gods Bondsvolk, ervaren had, dat God niet tevergeefs gesproken heeft: wie ver van Mij de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt. Ik roei hen uit, die afhoereeren en Mij den trotschen nek toekeeren". (Ps. 73:14).

't Zijn dagen van schande en vernedering die Israël had moeten doormaken. O! 'tis zoo vreeselijk om tegen God te zondigen, om tegen den Allerhoogste te strijden, om Zijn wetten te schenden.

De eerste wereld heeft het oók geprobeerd en ze zijn verdronken in de wateren van den zondvloed, mannen, vrouwen en kinderen, die tot het laatste oogenblik onbedacht uitriepen: „laat ons eten en drinken en vroolijk zijn".

Farao en zijn ruiters hebben het ook gewaagd om tegen God te strijden, ook zelfs na herhaalde malen gewaarschuwd en gekastijd te zijn geworden, en het heeft hun het leven gekost, daar ze verdronken in de Roode Zee.

En nu had Israel, Gods Bondsvolk, het ook gewaagd om God te vermoeien met hunne zonden en Hem, den Heilige, te tergen met hunne gruwelen, daarbij de profeten doodend, maar de vorst van Assyrië had de 10 stammen gevangen genomen en Babels vorst had Juda en Benjamin in boeien geslagen en meegevoerd in het land der heidenen.

Heilig is de Heere. Wreed is de zondedienst. Neen, God laat zich niet bespotten. En ach, satan, wereld en zonde beloven zoo véél, maar het einde is teleurstellingen bittere smart.

Zal Israel nu in het land der heidenen omkomen ?

Assyrie en Babel zijn ten bewijs, dat het vreeselijk is om door God gezocht te worden in Zijn toorn.

Maar het einde van Israels geschiedenis is hier niet.

Lees Jes. 54 maar!

Israel wordt voorgesteld als een ontrouwe vrouw, die door haar man verlaten is geworden en eenzaam is achtergebleven in een woeste plaats.

Alles om der zonde wil!

- Want de Heere is de Man van het volk van Israel. Hij had dat volk getrouwd. Maar dat volk had Hem verlaten. En vol jammer was Israel als een ontrouwe gade, vanwege haar afhoereeren achter de Baals, door den Heere toen verstooten.

Maar daar keert de Heere tot Israel terug. De Man komt weder tot Zijn gescheidene vrouw. Wat oorzaak is van groote vreugd. Hoort maar: „Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jongheid vergeten en den smaad uws weduwschap zult gij niet meer gedenken. Want uw Maker is uw man, HEERE der heirscharen is Zijn naam; en de Heilige Israels is uw Verlosser." (vers 5, 6.)

Israel, het ontrouwe volk, zal dus weer Gods volk genaamd worden. De Heere zou Zich ontfermen.

Wondere gang der geschiedenis!

God heeft Zich een ontrouw volk verkoren tot Zijn eigendom. En nu zal de Heere telkens verdriet smaken van Zijn keuze. Van Israel in Egypte, zijnde in haar jeugd. Van Israel in Kanaan, zijnde in den bloei harer jaren.

Israel de ontrouwe, dat geen-volk genaamd moest worden, maar waaraan de Heere Zich zoó verbonden heeft, dat Hij het niet los kan laten en 't wél Zijn volk blijft noemen.

Eeuwige liefdekoorden liggen er tusschen Hem en haar!

En daarom, daar komt Hij, de Man, tot Zijne ontrouwe, zeggende-„voor een klein oogenblik heb Ik u verlaten, maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een oogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser." (vers 7, 8.) Dat is gadelooze liefde! Dat is eeuwige, onwankelbare trouw!

En o! is het wonder, dat de profeet Jesaja, die het volk daar ziet tusschen de puinhoopen van Jeruzalem, maar bezocht met de lieflijkste vertroostingen Gods, is het wonder dat hij zegt: „Jubel gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! breek in jubel uit en juich, gij die geen barensnood hebt gekend, want talrijker zijn de kinderen der eenzame in de woestijn dan van de getrouwde, spreekt Jehovah." (vers 1.)

Wat dat beduidt? Heel eenvoudig dit: In Jeruzalem ging het slecht met Israel. 't Viel zoo tegen. Van vrijheid en blijheid in het Vaderland was er voor de teruggekeerde ballingen niet veel té genieten.

Verwoesting zagen ze. Spot hoorden ze. Slagen kregen ze. Benauwdheid voelden ze. Ach, wat viel dat tegen ! En wat was het weelderige Babel eigenlijk verkieslijker dan het verwoeste Jeruzalem ...

Maar neen, want Babel was een vreemd land, het land der heidenen, het land der straffen, en was de Heere nu niet met Israel en had Hij Zijn volk niet in Jeruzalem gebracht om hen daar te zegenen? Immers ja!

En o! dan is het beter in het verwoeste Jeruzalem met God, dan in het weelderige Babel zonder God. 't Komt terecht, 't komt terecht - ja, de heerlijkheid zou onvergelijkelijk schoon zijn en de zegeningen zouden het harte van gansch Sion. verblijden! Omdat de Heere tot Zijn volk was weergekeerd en Israel weer deelen mocht in Zijn gunst.

De eenzame in verwoeste plaatsen zou zich vermenigvuldigen. De verachte in ellende zon gekroond worden met eere. Een groot, een heerlijk volk zou het worden. Naar Gods welbehagen!

Hoort maar. Maak de plaats uwer tent wijd en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet: maak uwe koorden lang en steek uwe pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter rechter-en ter linkerhand en uw zaad zal de Heidenen erven en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen." (vers 2.)

Begint het u duidelijk te worden, wat heerlijkheid voor Israel is weggelegd?

Israel is gespaard en bewaard, in Gods langmoedigheid, voor een gewissen ondergang.

Israel is in ontfermen door God weer aangenomen en naar Kanaan teruggebracht.

Israel zal Jeruzalem weer herbouwen en den tempel weer herstellen.

En ja - dan zullen er zijn die schreien, omdat de heerlijkheid van stad en tempel niet is als vroeger.

Maar veel grooter heerlijkheid had God voor Zijn volk weggelegd - n.l. dat uit Israel Christus zou geboren worden, zooveel het vleesch aangaat, en dat tot dien Christus dan een Gemeente zou vergaderd worden uit Israel en heidenen saam -- een gemeente, uitbrekende naar het Noorden en naar het Zuiden, naar het Oosten en naar het Westen.

Dat zou dus de eere voor Israel worden om vele kinderen te baren, nu het door God weer in gunste was aangenomen. En er zou een zegen uitgaan over alle volkeren en natiën, overal vragende naar het heil van Davids Grooten Zoon.

Treurde men dus nu over een woest land, over een verwoeste stad, over de puinhopen van den tempel — geen nood! de Heere zou een ander land, een andere stad, een anderen tempel geven, en wel Christus Kerk, dat wondere Godsgebouw, die wandere Godsstad, dat land der ruste, waar burgeren en inwoners van alle volkeren en natiën zouden worden ingeschreven als in Sion ingelijfd.

Nu voelt gij het, dat de Heere hier belooft aan Israel, dat moedeloos en hopeloos neerzit, dat Hij een geestelijk huis gaat bouwen; dat Hij een geestelijk Koninkrijk gaat stichten — dat Hij Zijn Kerk, de Nieuw-Testamentische Kerk, de Christelijke Kerk gaat formeeren, welke Kerk der Nieuwe bedeeling de Kerk der Oude bedeeling verre in grootte en heerlijkheid zal overtreffen.

En daarom kan de bedroefde jonkvrouw wel zingen en de eenzame kan jubelen met vrolijke gezangen. Want de Heere komt om Sion te troosten: om de God des ganschen aardbodems genaamd te worden (vers 56). Wondere geschiedenis!

Wat is Sion, Gods volk, een ontrouwe. Wat is het een ondankbare, onhandige, wispelturige, zondige vrouw gelijk. En wat droomt zij dan van veel en velerei, dat tot vreugd en voorspoed en eere brengen zal.

Maar ach — zij moet dan als een eenzame en verlatene treuren in een woest land. iets, niets groeit er. Banden der benauwdeid in menigte. Angsten en smarten, teleurstellingen en ellende zonder tal.

Om tot den Heere te leeren roepen uit de verlatenheid; om alle sieraad en rijkdom weg te werpen en als een onwaardige uit te zien naar haar Maker en Man. Waarbij het wonder geopenbaard wordt, dat God zich wel voor een oogenblik onttrokken had aan haar gezicht, maar haar den scheidsbrief niet gegeven. Integendeel, met eeuwige trouw en liefde tot haar wederkeert en haar weer de Zijne noemt!

O! wat moest Sion juichen, wat moest Gods volk jubelen. De Heere is weder het deel Zijner erve, de God Jacobs weer in het midden Zijner gunstgenooten. Evenwel — 't valt zoo tegen daar in Jeruzalem, 't Valt zoo zwaar daar tusschen de puinhoopen. 't Is zoo benauwd tusschen de vijanden.

Zal er nog iets goeds gezien worden in Jeruzalem; zal er nog heerlijkheid worden gezien over den tempel; zal er nog een tijd komen, dat Gods kinderen juichen en zingen kunnen ?

Hoort daar spreekt de Heere! De Heere, Israels God. God de Almachtige, die Zich over Sion heeft willen ontfermen. En wat zegt Hij?

In het land van bergen en heuvelen wijst Hij, die Zijn maaksel kent. Zijn moedeloos volk op die reuzengevaarten, op die vaste, onwankelbare hoogten. Hij zegt tot Zijn gunstgenooten: eer zullen die bergen wijken van hun plaats en die heuvelen wankelen, dan dat Mijne goedertierenheid van u wijkt en het verbond Mijns vredes wankelt, eer Mijne beloften falen en Mijne toezeggingen ijdel blijken!

Wat de Heere hier mee bedoelt lijdt geen twijfel. Onwankelbaar vast staat het, dat Hij Zijn volk goedertieren, genadig en barmhartig is. Onwrikbaar vast, dat Hij vrede mét hen gemaakt heeft en hen met zegeningen zal vervullen.

Zoo vast als een muur, zoo vast als een heuvel, zoo vast als een berg — neen! veel vaster dan de vastigheden der aarde staat Zyn trouw-en vreêverbond, veel vaster is Zijn voornemen om Zijn Sion te zegenen en weldadigheid te bewijzen. Is dat niet heerlijk ?

O! de Heere zal het wél maken met Zijn volk!

Wat dubbel heerlijk is, als we acht geven in welke conditie dat volk is, terwijl de Heere dat alles zegt en met eede bevestigt. Want hoe spreekt de Heere Zijn volk aan? Hoe lokt Hij Zijn volk tot Zich? Hoe wil Hij Zijn volk brengen tot het genieten van Zijn heil ?

De Heere weet, dat Zijn volk verdrukt wordt, door noodweer als omringd, door onweder overvallen, van troost verstoken, van hulp en veiligheid beroofd is!

Zooals een hert straks vallen zal door de pijl van den jager; zooals buiten op het veld een man, hoe hard hij loopt, onder het losbreken van een onweder door een bliksemstraal wordt neergeworpen; zooals een arme zonder woning dakloos op straat zit; zooals een zieke, zonder hulp, angstig den dood afwacht — zóo is het met Gods volk gesteld.

En ziet, het volk dat zóo gesteld is brengt Hij binnen de muren van Zijn trouw en waarheid, tusschen de bergen van Zijn liefde en barmhartigheid, onder de vleugelen Zijner ontferming en zegt: Ik zal u behoeden en bewaken, zegenen en weldoen.

Op welke wijze? De Heere zal een stad van edelgesteenten bouwen, de muren zullen zijn van safier en robijnsteen, de poorten van parelen, de vensteren van kristal.

En dàar zal Sion wonen!

O 't is bijna ongelooflijk. Even ongelooflijk als dat de woestijn gaat bloeien als een roos en dat de wildernis tot een waterpoel wordt.

En toch is 't waar. De Heere zelf zegt, dat het geschieden zal. Geschieden voor een arm en ellendig volk. Voor een handje vol van de overgeblevenen. Voor een benauwd en een bedrukt volk.

Ja — 't zal geschieden. De Heere zegt het en belooft het.

Evenals Hij beloofd heeft: Voor een doorn zal een denneboom opgaan en voor een distel een mirteboom en het zal den Heere zijn tot een Naam en tot een eeuwig teeken, dat niet zal worden uitgeroeid.

't Is alles allegorisch, met dichterlijk vuur, met Oosterschen gloed voorgesteld, 't Is alles beeldspraak. Een beeldspraak die in de Schrift veel voorkomt. Een wijze van uitdrukking, die ieder kind van God begrijpt en die tenslotte voor ieder Bijbellezer duidelijk kan zijn.

Hoeveel malen is er niet sprake van woeste plaatsen, van een eenzame en verlatene, van een verbond des vredes, van goedertierenheid en waarheid, van bergen en heuvelen, van een stad met gouden straten en poorten van edelgesteenten?

En 't is alles om uit te drukken dat eeuwig wonder, dat de Heere wat goeds met Zijn volk voor heeft; een heerlijke erfenis voor dat volk heeft uitgemeten — waardoor een arm en in-zich-zelf verloren volk telkens getroost mag worden en waardoor de matte ziel lafenis mag ontvangen.

Zeker, 't is een wonder! 't Is ook enkel genade, 't Is onbegrijpelijk schoon en onvergelijkelijk heerlijk.

Maar alles ligt dan ook in Gods vreêverbond, dat steunt in Jezus Christus.

Was Jezus niet op aarde gekomen, voor Israel zou geen hope geweest zijn en de gemeente des N. Verbonds was niet te voorschijn geroepen.

Dan was de weg over de aarde vol vloek geweest en vol vloek gebleven.

Dan had ieder de vrucht van het booze werk Zijner handen gegeten en er was geen bevrijding van den dood en van de straf geweest.

Maar ziet, nu Christus op aarde is gekomen, nu mag voor een ziel, die zich als een ongetrooste en ten doode opgeschrevene voor God mag leeren beklagen vanwege de zonde, verkondigd worden, dat zóo zeker als de bergen vast staan en de heuvelen niet wankelen er een verbond der genade is, waarbij de Heere beloofd heeft: geloof in den Heere.

Jezus Christus en gij zult zalig worden. En een arme zondaarsziel zal komen aanvliegen als een moede duif naar die rustplaats. Ja er zal een menigte van duiven komen aanvliegen.

Alom zal een arm en ellendig zondaarsvolk gevonden worden. En er zal een schoone erfenis zijn voor velen.

O! is 't niet vervuld? Is Israel niet bewaard en gezegend ? Heeft het ware Israel Christus niet gezien? Hebben ze geen rust en vrede gevonden? Is er wel eén van Gods beloften onvervuld op de aarde gevallen? Is de gemeente Gods niet uitgebreid onder de nieuwe bedeeling? Moest de tent niet uitgespannen worden in de breedte? Moest de woning voor Gods kinderen niet worden uitgebreid ?

Ja — van een arm en ellendig volk, dat gemakkelijk door de heidenen kon zijn uitgeroeid is een groote gemeente van Jezus Christus geworden. De Heere heeft geijverd om een God van de gansche aarde te zijn en van alle creaturen toe te voegen tot de inwoners van de eeuwige Godsstad.

En zijn de muren niet gegrond op de blauwe safïiersteenen, vermeldende de trouwe van den eeuwigen God? Zijn de poorten niet van roode robijnen, waarmee leven, kracht, verzoening en vreugd wordt afgebeeld?

O! dàar kan de ziele van Gods kind ademhalen.

Dàar ligt de eenige troost voor leven en sterven beide.

God bemint Zijn volk. God laat niet éen verloren gaan van de Zijnen. God bewaart ze allen.

En Hij, de God des eeds en des verbonds. Hij wil Zijn volk telkens voeren in Zijn Godsstad, waar het zoo heerlijk en rijk is.

Heerlijk en rijk voor een bedrukt, arm, van troost verstooten volk - als het mag legeren tusschen de bergen en mag liggen op de heuvelen van Gods liefde en trouw, van Gods ontfermen en genade - in Jezus Christus kennende den Borg en Vrijspreker van alle zonde en schuld, de Fontein en Springader van alle heil en zaligheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's