Stichtelijke overdenking.
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God, en niemand meer. Jes. 45 : 22.
Een lokkende Heiland.
'n Eigen-lievend schepsel, de mensch. 'n Groote egoïst in zijn hart, niet licht uit het oog verliezend wat hem schade zal kunnen berokkenen, nog minder wat hem voordeel zal aanbrengen.
Heel de samenleving staat daar, om te getuigen, welk een machtige drijfveer eigenliefde in heeft, 'k Verwacht van u, lezer, dan ook geen tegenspraak, zoolang we met onze gedachte toeven bij het natuurlyke leven.
Maar hoe verandert het opeens, hoe raakt ge zijn spoor bijster, zoodra ge hem stelt, dien eigenlievenden, baatzuchtigen, op eigen voordeel bedachtzamen mensch tegenover de wereld der geestelijke dingen.
Als ge hem moogt plaatsen voor die twee wegen: een eeuwig wel of een eeuwig wee, dan laat hij aan anderen, o, zoo gaarne, den voorrang.
Dan moet er eerst nog een nader onderzoek ingesteld; het mocht eens niét waar zijn. En ook al gelooft hij het met zijn verstand, dan heeft hij nog zoo'n haast niet. Als dit eens achter den rug is en dat voorbij, ja, dan zal hij er eens over gaan denken.
De jongeling zegt: als ik maar eens een eigen positie heb.
De huisvader: als de kinderen groot zijn en de zorgen iets minderen.
De man van zaken: als ik het maar zoover gebracht heb, dat ik onbezorgd kan leven.
En is het zoo met den man, met de vrouw is het niet anders. Een ieder op zijn terrein zoekt te ontkomen aan dat aanbod van genade.
De Schrift zegt het dan ook voldoende: „daar is niemand die God zoekt, ook niet één, tezamen zijn ze onnut geworden".
Wanneer ge nu eens recht indenkt, wat toch een vreeselijke toestand: eigen heil en eigen zaligheid een vijand te wezen. En toch is het waar.
Wanneer er aan 's menschen zijde een vraag rijst naar God, zoo kan het nooit anders of het is er van den Heere Zelf gelegd. Daar wordt niemand zalig of hij zal moeten bekennen: dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied.
En nu weten we wel, dat ook van deze leer misbruik gemaakt kan worden. Och dat kan niet anders: de heerlijkste waarheden worden het schrikkelijkst bevochten.
Weet ge hoe de verleider komt: De Heere moet u eerst opzoeken, anders is het toch om niet. Aan uw werk kleeft geen heil. Neen, ge kunt het er gerust op wagen. God is machtig u ook zelfs daar te vinden, waar gij u om geen God bekommert.
Alsof deze waarheid de andere ophief, dat de Heere ons als dagelijks roept. Gods souvereiniteit heft onze verantwoordelijkheid niet op.
Als gij het zien wilt gerealiseerd in daden, stel ik u den Heiland voor, zooals Hij nederzit (weenend) bij de stad des bloeds: hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen als een klokhen hare kiekens — maar gij hebt niet gewild.
Zegt nu maar eens: die tranen zijn niet gemeend.
Fluistert maar eens, zoo de moed tot spreken Uontbreekt; niet bij haar de schuld gezocht.
Immers ge weet het, dat is der waarheid een kaakslag gegeven.
We willen aan de hand van het Woord u een van de liefelijkste noodigingen des Heeren voorhouden, 't Verlorene vluchte.tot Hem, die Zijne liefde-armen uitbreidt" met deze woorden: „wendt u naar Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer."
Wat zullen we van deze heerlijke waarheid het eerste naar voren brengen?
Dit: eerst 't verre: alle gij einden der aarde. Dat klinkt u toch wel iet-wat wonderlijk in de ooren, niet waar? Zoo wijd, en zoo ruim, neen dat kunt ge kwalijk toegeven.
Gesteld, waarde lezer, dat ik me naast u voegde, wat hadt ge dan meer? Het woord des Heeren woudt ge toch niet op zijde dringen.
't Blijft er staan, of ge er u aan stoot of dat ge er op leerdet rusten, 't maakt voor het Woord geen verschil.
Ja, maar, zoo rijst de verzuchting, het komt ons tóch verkeerd voor.
Zoo wijd schijnt me wel de breede weg. Daar staat in Gods Woord: het pad is nauw en de poort is eng, die ten leven leidt en weinigen zijn er die denzelve vinden.
Zeker — lezer, dat-staat er, en daar is geen deel van eene gedachte, dat bij ons opkomt, hiertegen positie te nemen — maar ge woudt toch niet — neen dat kan uwe bedoeling niet zijn, het een tegen het ander uitspelen. Dat is duidelijk het werk van Satan. Deze tracht immer da wigge te schuiven tusschen de waarheden.
Houdt immer vast aan de eenheid van Gods Woord. Doet nooit mee aan dat ongoddelijk toegeven aan een van beide: de verantwoordelijkheid laten vallen aan onze en de vrijmacht Gods aan goddelijke zijde.
De einden der aarde worden opgeroepen. Alles wat de prediking des Evangelies kan beluisteren. De verst-afgedwaalde, de meestgoddelooze, de diepst-weggezonkene — en nu is het wel niet streelend voor den eigengerechtigen mensch, die meent dat het alleen de besten ten deel zal vallen, 'tis voor den zoodanige een slag in het aangezicht, maar voor den gansch verlorene, die zich, wat hem zelven betreft, niets van de einden der der aarde onderscheiden weet, is het een allerliefelijkste boodschap. Ja juist daar is het voor — voor degenen, die verre zijn.
De Heere zet hier Zijn vredetrompet aan de lippen en Hij blaast daarin zoo krachtig, dat Zijn geluid de gansche aarde doortrilt.
Het Evangelie is voor den weggedrevene. De zoekende en reddende Heiland komt dien mensch-met Zijne noodigingen achterop.
In het laatste Bijbelboek wordt de Heiland geteekend in deze gestalte: kloppend aan het harte van den zondaar. In allerlei omstandigheden, op velerlei wegen, op telkens afwisselende tijden komt Hij aankloppen. Niet om iets te nemen, maar te geven. Hij brengt mede goud, want daar is armoede.
Hij brengt mede kleederen, om toe te dekken, want zij zijn naakt.
Hij heeft oogenzalf, omdat blindheid hunne oogen verdonkert.
'Hij heeft schatten van rijkdom, terwijl er bij hen niet is dan enkel gebrek.
Wat een juiste teekening van beide zijden. De Heere rijk en zij arm.
Als ze 't nu maar wisten, die menschenkinderen — maar ach, ze weten het niet, ze meenen dat ze rijk zijn en verrijkt en geen dings gebrek.
Bij zulk een dwaas volk, bij zulke verdwaasde menschen klopt de Heere aan.
Schuilt hierin nu geen troost voor een oprecht bekommerde ziel, die zich telkens aan deze dwaasheid schuldig weet ? De Heere buigt Zich over het vertred ene heen, met groote schreden komt Hij het weggedrevene achterop.
Hij stelt Zich midden op den heirbaan, waarlangs het vluchtend volk voort vliedt, dat den dood voor zich ziet en van achteren, roepende, lokkende, noodende: wendt u tot Mij, alle gij einden der aarde.
Meet eens uit de breedte en geeft mij de mate der lengte, ja peilt tot op den bodem: deze diepte van ontferming, opgesloten in die enkele woorden: alle gij einden der aarde.
Als gij met uwe zonde te doen kreegt, als de Heere u de oogen heeft geopend, voor uw staat voor de eeuwigheid, dan is deze gedachtengang u niet vreemd: daar leeft niemand verder van den Heere, daar is geen schepsel meer van God afgeweken dan ik; dan zult ge aan alles eerder iets hebben dan aan een belofte des Heeren. Het altijd terugkeerend refrein is dit: 't is zeker niet voor mij.
En ziet, nu snijdt de Heere Zelf de pas zoo heerlijk af met deze woorden: alle gij einden der aarde.
Tusschen deze grenzen, niet waar, moogt ge u door de gunste Gods nog bewegen.
Als ik het eens zoo mag zeggen, die wijde vlucht, waarop de zonde u heeft gevoerd — moegedoolde — wordt nog omkringd door het woord, dat vlak voor uw voet wordt nedergeworpen: tot aan de einden der aarde.
Och, zou dat waar zijn, zegt een bange ziel, zou ik daar op aan kunnen?
Op niets zekerder. Bergen wankelen en heuvelen zullen bezwijken, maar .het verbond des vredes zal niet wankelen.
Tot dien God moet het aangezichte gewend. Op Hem zien alleen, dat is het leven.
Maar wie is daartoe nu bekwaam. Het Schriftwoord zegt het duidelijk: „Wordt behouden."
De breedte van het aanbod wordt zoo nauw in de uitkomst: de zaligheid is alleen van den Heere.
Wat is het toch heerlijk, dat onze tekst eindigt met dit ko telijk sluitstuk: want Ik ben God en niemand meer.
Hier hebt ge dadelijk de oplossing. Hier wordt de Heere alles en de mensch niets. Ik ben God — zegt de Heere. Ik sta in voor uw heil — Ik kan wat gij niet kunt.
Indien gij het op Mij waagt in het volle geloofsvertrouwen, uw behoud staat wêl verzekerd. Daar is niemand die u uit Mijne hand zal rukken. Zelfs de Duivel vermag niets.
Ik ben God en niemand meer. Wat een gedachte, lezer. In het einde zullen we met niemand anders te rekenen hebben, dan met dien Heere, Die nu nog staat met wijd-uitgebreide armen — voor Wien geene moeite te veel is. We zullen Hem allen zien. Hij is de eenige Behouder, maar ook de eenige Rechter. — Niemand meer dan Ik.
Dat deze gedachte u eens op de knieën mocht brengen — gij die voor dien God nog nooit in waarheid uw knie hebt gebogen. Hij is de eenige met wien wij te doen zullen hebben. Is de Heere niet voor ons geworden de Losser en Koning, Hij zal ons moeten veroordeelen.
Die omwending zal moeten geschieden. Laat het ons maar zeggen in een taal, die ge zeker zult verstaan: we moeten bekeerd worden, waarachtig tot God bekeerd.
Behouden worden. Op wien wijst het. Onmiskenbaar niet waar op den Almachtige. Hij is onze Behouder.
Vlucht dan altijd maar weer tot Hem, gij die het gezien hebt: het leven heb ik niet in mij zelven, ik kan het ook niet van iemand ter wereld verkrijgen. Wendt u tot Hem telkens opnieuw, Hij heeft het beloofd en Hij zal het doen ook.
De Heer' is recht in al Zijn weg en wérk, Zijn goedheid kent in 't gansch heelal geen perk. Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht, Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem [vlucht, Dat ongeveinsd in 't midden der ellenden Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden, Hij geeft den wensch van allen die Hem vreezen Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.
Wat zal dat een ure zijn, wanneer ze zullen aankomen van de einden der aarde, van alle volkeren, opziende naar éen Heil.
Wanneer daar zal ruischen over de groote schare, die juichen zal voor den Troon: daar is Hij, Die ons vrijkocht en verloste.
Dat zal een ure zijn, wanneer de poorte van het hemelsch Jeruzalem Hem zal uitlaten in Zijne glorie.
Dat zal een ure zijn, wanneer ze Hem zullen volgen, wanneer Hij spreekt: wordt behouden.
Binde de Heere u op het harte deze vraag: Ook mijn Behouder?
Fluistere uwe ziel: uit genade, ja, enkel om mijns Lossers wille.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's