Uit het kerkelijk léven.
Een medewerker schrijft ons:
Ethische voorlichting.
IV.
Den vorigen keer wezen we op het onjuiste van de voorstelling, die Dr. S. de B. van onze prediking geeft; thans een oogenblik over de uitwendige dingen, waardoor de leden van den Bond zich onderscheiden: ze bestaan volgens Dr. S. de B. in het gesloten laten van den gezangbundel, het zeer nadrukkelijk Heere zeggen en tal van andere kenmerken, 1) Nu zouden we om te beginnen wel eens willen weten welke deze laatste zijn. Soms dat wij met hoogen hoed en witte das in den pastorietuin rondwandelen — gelijk Dr. Gunning in De Schatkamer als een van zijne vele anecdoten ten beste geeft ? Soms ook, dat wij niet fietsen en indien wij de fiets uit de dagen onzer jonkheid als student of als ethisch begonnen dominé hebben, deze op zolder zetten of zelfs begraven — gelijk de legende van een beweert? Wat ons aangaat, wij fietsen en dragen doorloopend geen hoogen hoed en witte das, gelijk verschillende onzer collega's in engeren zin — maar wij laten wel den gezangbundel gesloten en zeggen nadrukkelijk Heere. Wij doen het eerste, omdat de gezangbundel o.i. niet deugt — maar laten op Kerstmis b.v. de Lofzangen terdege zingen, waarmee het principieële recht van gezangen erkend wordt, en we zeggen Heere, omdat wij aesthetischer achten dit te doen. Het zal Dr. S. de B. wel niet onbekend zijn, dat we bij dit laatste autoriteiten aan onze zijde hebben, die op taalkundig gebied wel kunnen genoemd worden als prof. De Vries van Leiden, en ook een van onze ethische leermeesters, die aan Heere boven Heer de voorkeur geeft, maar omdat de gemeente liever Heere hoort. Heer zegt. Dat is ook een opvatting! Wanneer onze taal zoo rijk is om — in onderscheid van het aequivalente woord in het Fransch (Eternel), Duitsch (Herr), Engelsch (Lord) — naast den vorm Heer dien van Heere te hebben, laten we dan dien vorm in stand houden in plaats van hem opzettelijk te doen verdwijnen, daarmee vasthoudende aan een eeuwenoud gebruik, door onze Vaderen welbewust 1) ingevoerd.
Verwaten is onze houding, wijl wij uitsluitend voor eigen inzicht en eigen gedrag den naam „Gereformeerd" opeischen en dien naam aan alle anderen ontzeggen en al die anderen ook buiten de Herv. Kerk wenschen. Die verwatenheid treft nog meer, omdat zelfs onder deze „Gereformeerden" geen eenheid bestaat. Wie iets weet van het gekanker tusschen de infra-en de supralapsariërs, tusschen de bevindelijken en de verstandelijken, tusschen de voor-en de onderwerpelijken; wie weet, dat daar ook weer twee groepen van kerkgangers worden gevormd, niet minder fel tegenover elkaar staande dan „ethischen" en „gereformeerden", die moet zich toch met huivering verbazen over den durf van deze groep om nu voor zich den naam uitsluitend op te eischen. 2) En als men weet dat iemand gereformeerd is, weet men nog niet, of hij van het verbond uitgaat dan wel van de verkiezing, infra-dan wel supra-lapsariër is; vragen, die niet enkel voor de leer, maar ook voor de practijk allerbelangrijkst zijn. 3)
.. Nu is het verre van ons om te ontkennen, dat wij allen het Gereformeerd beginsel precies op dezelfde wijze voorstellen. Maar dit is de ware verdraagzaamheid, dat wij principieel op denzelfden bodem staande, als beperkte menschen de een meer voor deze, de ander meer voor die zijde des geloofs voelend, elkaar als gezond in de leer erkennen. Dr. S. dé B. leze hierover b.v. de schoone meditatie van Dr. A. Kuyper in De Heraut van 1 Dec. jl. over Matth. 19 : 28. De Synode van Utrecht der Geref. Kerken, in 1905 naar wij meenen gehouden, heeft dienaangaande een zuiver standpunt ingenomen, gelijk ook onze Vaderen dit gedaan hebben, daargelaten nog dat we van een gekanker tusschen infraen supralapsariërs en de voor de practijk allerbelangrijkste vraag, of men infra-dan wel supra-man is, nooit ook maar het minste bemerkt hebben. Of denkt Dr. S. de B. soms aan de aanklacht van Ds. Bos tegen Dr. Kuyper? !
Dr. S. de B. vecht tegen windmolens, wanneer hij bestrijdt, dat de handhaving der belijdenis door de formule kan komen. Geen Gereformeerde die dit denkt. Hij wijst daartoe op het feit, dat er in de Geref. Kerken predikanten zijn, die van de „nederdaling ter helle" een andere opvatting hebben dan de Catechismus 4). Hij zou hierbij zelfs Prof. Bavinck kunnen voegen 5) — wat hem onbekend schijnt te zijn — anders zou hij het zeker wel gedaan hebben. Dr. Bavinck schijnt op het voetspoor van Calvijn den Hebreenbrief aan Paulus te willen ontzeggen 6) doch heeft ook ten dezen opzichte geen bezwaar — evenmin als in het punt van de nederduling ter helle — de formulieren van eenigheid te onderteekenen, hoewel in de Belijdenis genoemde brief aan Paulus wordt toegekend (art. 4). Terecht acht De Heraut dit in den haak: de Fransche confessie, die den brief voor niet Paulinisch hield, is door onze kerken immer als orthodox erkend 7). Geen enkele supralapsariër heeft voor zoover wij weten de Belijdenis daarom niet willen onderschrijven, omdat Art. 16 meer infralapsarisch getint is.
Het is volkomen waar, wat Dr. S. de B. opmerkt: als wij de formule niet missen kunnen zonder te verloopen in wazige mystiek; wij kunnen de formule niet voor het eerste en voornaamste aanzien zonder te verloopen in dor ongeestelijk Pharizeïsme. Wie de formule heeft, heeft de zaak niet. Daarom waarborgt de formule de handhaving van de zaak niet 1). Wie echter — zegt hij — bij het handhaven van de belijdenis de deur openzet voor formeele-afwijkingen, heeft de deur opengezet 2) Wat bedoelt Dr. S. de B, hiermee? Soms oppositie tegen Hegel, dat de deur openzetten is de deur openzetten, een vasthouden aan het principium identitatis? Zoo dit niet zijn oogmerk is, hetgeen wij veronderstellen is het dan om daar mee te bewijzen, dat het toelaten van formeele verschillen recht geeft tot allerlei materieele? Is de geachte schrijver dan vergeten, wat hij in de Pro en Contra serie over Het reeht der vrijzinnigen in de Ned. Herv. Kerk naar aanleiding van een opmerking van Prof. Eerdmans, dat men niet precies de grenslijn kan afbakenen tusschen groote en kleine verschillen, beweerde dat men dan ook niet zou mogen zeggen, dat er groote en kleine menschen bestaan, omdat velen van de middelmaat zijn?
Als echter die heele redeneering van blz. 23—27 daartoe moet dienen om te bewijzen dat men er met de formule niet komt en deze niet het eerste en voornaamste is, dan vind ik het jammer dat hij daaraan zooveel woorden verspild heeft, want hierover zijn we het in principe al lang eens: dat betoog was volmaakt overbodig. Het is het inloopen van een open deur!!!.3)
Zoo is het ook met zijn stelling, dat het onwaar is, dat ooit in eenig tijdperk van onze vaderlandsche geschiedenis de toestand der kerk beantwoordde aan het ideaal. 4) Nu is het de eigenaardigheid van een ideaal', dat het iets onbereikbaars is iets wat slechts bij benadering verwezenlijkt kan worden. 5). De toestand is nooit goed geweest laat Dr. S. de B. met ruime letters drukken. 6) Hij zou willen, dat iemand dat tijdperk eens duidelijk aanwees, waaraan hij denkt — hij moet toch ergens aan denken — wanneer hij spreekt over den tijd en de toestanden die hij terug wenscht! 7) Maar is het hem dan onbekend, hoe reeds in de jaren voor de Synode van Dordrecht leertucht werd uitgeoefend op Caspar Jnsz. Coolhaes te Leiden, Henricus Bulkius te Montfoort, O verhaag te Hoogmade, Cornells Wiggerts. te Hoorn e. a. 8) Weet hij dan niet, dat de Remonstrantsche predikanten in 1619 een acte van stilstand moesten teekeneri? 9) Blijkt daar niet onweersprekelijk uit, dat de belijdenis toen verre van een doode letter was gelijk thans wel Art. 11 van het Algemeen Reglement, en dat er met alle kracht van kerkdijken kant naar de handhaving der belijdenis werd gestreefd reeds vóór de Synode van Dordt in vele gevallen met goed succes, doch bovenal vlak daarna? Zeker-— het was verre van volmaakt. Er schoot veel te wenschen over. Soms om de laksheid en toegefelijkheid van predikanten als Plancius en Fontanus, Hommius en Bogerman? Neen, maar omdat gelijk Reitsma terecht zegt, de kerkvergaderingen voor haar besluiten en oordeelen in zake van censuur, casus matrimoniales beroepen en kerkelijke benoemingen, schorsing en afzetting van predikanten e. d. geen hulp, maar vaak tegenkanting vonden bij het gezag, waarvan zij juist steun noodig hadden. Aan den ijver tot vaststelling en handhaving der zuivere leer kon door den bepaalden onwil der politieken de vereischte kracht niet worden bijgezet. 10) Het is niet tot deze misstanden waartoe we terug willen, van Staatsbemoeiïng en inmenging zooals de Heer Dijkstra eerder reeds zoo helder heeft uiteengezet, 11) maar tot het metterdaad aanvaarden van de belijdenisschriften als een accoord van kerkelijke gemeenschap gelijk dit reeds op de Synode van Emden in 1571 geschiedde. 12) Goed in den volstrekten zin was het toen om bovenvermelde redenen niet, — kon het ook niet zijn — maar slecht in geen geval, 13) het was ten minste veel beter dan thans, omdat toen de Kerk als Kerk geen afwijking duldde van de zuivere leer, hetgeen thans aan de orde van den dag is.
Dr. S. de B. ontkent dat tegenwoordig de toestanden exceptioneel slecht zijn. 14) Wij hebben eens een professor, die zich aan de reorganisatie onzer Kerk gelegen liet liggen, hooren zeggen, dat de toestand der Ned. Herv. Kerk nimmer zoo goed is geweest als nu, maar wij zijn zoo vrij daarvoor in de plaats te stellen: nimmer zoo slecht. Wanneer men de artikelen van het Algemeene en van de Bijzondere reglementen onzer Kerk naslaat, dan zegt men tot haar: doet naar uwe woorden: wanneer men let op hetgeen er in de practijk van terecht komt, voegt men er aan toe: maar niet naar uwe werken !
Het is een onzuivere bestrijding van Dr. S. de B. om er op te wijzen dat de toestand onzer kerk in vroeger eeuwen niet in allendeele goed was, wijl de kerk aan handen en voeten gebonden was aan de macht van stedelijke en gewestelijke Overheden en eeuwen lang verhinderd is om zich als kerk in een generale Synode uit te spreken — maar toch: wanneer wij den toestand van toen vergelijken met dien van nu, dan is er een verschil van dag en nacht; omdat er toen ernst werd gemaakt met het feit, dat de formulieren van eenigheid de belijdenis onzer Kerk waren, en velen, die daarvan afweken, van hun dienst werden ontzet en thans Christenen en Boeddhisten — wie weet niet van Reform-Joden nog daarbij of die het in de practijk zijn ? — onder hare predikanten geteld worden. Art 11 toch van het Algemeen Reglement, dat handhaving der leer voorschrijft, welke, blijkens de geschiedenis van het ontstaan van dit artikel en de openhartige verklaringen van moderne professoren als Van Bell en Eerdmans, in de formulieren van eenigheid is uitgedrukt, is — gelijk wij reeds zeiden, niets meer dan een doode letter.
Tot dusverre over de veelszins kleine argumenten, door Dr. S. de B. tegen onze richting ingebracht, argumenten daarenboven die geen argumenten zijn, maar waarheden (b.v. over de handhaving der belijdenis door de formule, ) zoo groot als 2 X 2 = 4: thans over zijn opmerkingen over het quia of quatenus en het uitoefenen van leertucht.
De proponentsformule enz.
11a.
„Een ander lid der Commissie ziet er ook geen heil in de belijdenisschriften in de beloften en verklaringen te noemen.
Daarin schuilt volgens hem een groot gevaar, dat n.l. het beroep op de belijdenisschriften zoo nauw kan worden getrokken, dat men zou moeten aannemen zonder gravamen."
„ Weer een ander lid kan met de voorstellen niet mee gaan op grond van drie bezwaren:
10. omdat hij de belijdenis bindt aan de Heilige Schrift en niet aan de belijdenisschriften, die uitleggingen zijn van de Heilige Schrift;
20. omdat hij niet gebonden wil zijn aan de belijdenisschriften, daar men ten slotte gebonden zou zijn aan allerlei opvattingen en uitleggingen daarvan;
en 30. omdat geen bepaling is te maken of zij kan ontdoken worden. Ieder kan ten slotte toestemmend antwoorden, als men de belijdenisschriften maar beschouwt als een historisch gedenkteeken, dat beoordeeld moet worden in den geest van den tijd, waarin men leeft."
„En ook het vijfde lid kan niet adviseeren een der voorstellen aan te nemen.
Hij meent dat geen heil te zoeken is in een formule.
Ook vroeger b.v. in 1618 en 1816 zijn formules gegeven en toch niet tegenstaande dat is het groot verschil van gevoelen ontstaan. In art. 27 van het Regl. op het examen vindt hij niets, dat met zijn gevoelens in strijd is."
Dit is, naar wij meenen zoo getrouw mogelijk weergegeven wat de Commissie uit de Synode denkt aangaande het voorstel van den Geref. Bond tot wijziging van de proponentsformule.
Was er nu ook, gelijk we zagen nog een voorstel van ds. Koolhaas van Zuidland, die had voorgesteld te lezen „om overeenkomstig de beginselen der Kerk, uitgedrukt in hare belijdenisschriften en overeenkomstig haar karakter, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen" opdat dan, zooals hij in een woord van toelichting schreef, „de meest tegenovergestelde meeningen" niet meer zouden kunnen worden verkondigd in onze Herv. Kerk, hierover lezen we in de Handelingen der Synode (blz. 393):
„Eenstemmig is uwe Commissie van oordeel, dat hier iets van de Synode wordt gevraagd, dat tot de onmogelijkheden behoort.
Bij elke formuleering van de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk, zullen er verschillende meeningen en opvattingen blijven bestaan."
Dat de eindconclusie van de Commissie was om al de voorstellen in zake de wijziging van de proponentsformule te verwerpen, behoeft zeker niet meer gezegd.
We zullen de volgende week zien wat zij zegt inzake de belijdenisvragen.
III.
Wat het oordeel der Commissie uit de Synode aangaat betreffende de voorstellen tot wijziging van de belijdenisvragen, bizonderlijk wat betreft het voorstel om de woorden althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte" vinden we in de Handelingen der Synode het volgende:
„Deie woorden zijn aan het artikel toegevoegd in het jaar 1879 om tegemoet te komen aan hen, die bezwaar hadden tegen het letterlijk voorleggen van de belijdenisvragen.
Zij geven den liturg de vrijheid om daarin wijzigingen aan te brengen.
Ten opzichte van dit voorstel openbaart zich in de Commissie verschil van gevoelen.
Twee leden verklaren er zich vóór, maar om verschillende redenen.
Eén lid wil de woorden schrappen, omdat zij de deur openen voor alle mogelijke improvisaties en vragen.
Hij begrijpt niet, waarom den predikant de macht moet worden gegeven, dat hij de belijdenisvragen kan doen zooals hij wil.
Het andere lid wil de vrijheid tot wijziging der vragen niet aan den liturg geven.
De vragen moeten letterlijk gedaan worden. Maar aan den aanstaanden lidmaat moet het recht worden gegeven zijne instemming te betuigen, althans wat betreft den geest en de hoofdzaak.
Daarom moeten de woorden van de eerste naar de laatste alinea worden overgebracht.
Drie leden willen daarentegen de woorden op dezelfde plaats behouden.
Tegenover het eerste lid betoogen zij, dat de predikant maar niet het recht heeft te vragen wat hij wil.
Hij is gebonden aan drie dingen, die in de vragen moeten voorkomen: een belijdenis, eene verklaring en eene belofte.
Slechts wat de formuleering betreft is hem vrijheid gelaten.
Zij geven toe, dat meermalen door minder ernstige predikanten oppervlakkige vragen zijn gedaan, maar wil men het letterlijk doen der vragen voorschrijven, dan ontloopt men het gevaar niet, dat de een er een andere beteekenis aan zal hechten als de ander; of nog erger, dat men dwingt tot onwaarheid en geveinsdheid.
Van déze drie leden vindt de een de vragen te kras voor jeugdige gewetens en daarom eischt hij voor zichzelf de vrijheid den aanhef te wijzigen.
Een ander wijst er op, dat het veel eerlijker is de woorden èr in te laten, omdat er toch altijd predikanten zullen zijn, die er een van anderen afwijkende verklaring van zullen geven.
Ook hier sluit het letterlijk doen van vragen verschil van gevoelen niet uit.
Het laatste lid eindelijk wil handhaving der woorden. Zij geven de noodige vrijheid en tegelijkertijd voldoenden band.
Zij geven op zeer gelukkige wijze ruimte voor verschillende opvattingen der Evangeliewaarheid.
Bij de onmacht der menschelijke taal om zuivere klanken te geven aan de hoogste gevoelens, bij de ontoereikendheid van het menschelijk verstand om de goddelijke waarheid in woord en leer te brengen, is een dergelijke ruimte noodzakelijk."
Met dat Rapport (waarvan blijkbaar Ds. D. Eilerts de Haan de opsteller is) kwam de Commissie uit de Synode in de Synodale vergadering van Maandag 12 Aug. 1912.
Eenparig adviseerde de Commissie dus tot verwerping van alle voorstellen in zake wijziging van de proponentsformule.
Drie leden der Commissie adviseerden ook tot verwerping van het voorstel om in zake de belijdenisvragen te schrappen de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte."
Eén lid adviseerde dat voorstel aan te nemen.
Eén lid stelde voor die woorden van de eerste alinea van genoemd artikel 89 Regl. Godsd.onderwijs te verplaatsen naar de laatste alinea.
Daarop volgde de discussie in de vergadering van de Synode, waarin tegenwoordig waren de heeren: Prof. Dr. H. M. van Nes van Leiden, Prof. W. Mallinckrodt van Groningen, Ds. H. A. Leenmans van Harlingen, Dr. G. J. Weylandt van Veere, Ds. Otto Schrieke van Enschede, Ds. K. A. de Groot van Houten, Ds. J. Steenbeek van Vianen, Ds. W. Ellens van Usquert (Groningen), Mr. L. J. Huber, oud-ouderJing te Veendam, Ds, Ph. H. Edling te Budel (N Br.), Dr. G, Visser te Assen, Ds. G. E. M. Picard, Waalsch predikant te Arnhem, Mr. C. H. B. Boot, ouderling der Waalsche Gemeente te Roterdam, Ds. D. Eilerts de Haan te Heiloo (N. H.), P. Landsman, ouderling te Vlissinen. Ds. C. F. Gronemeyer, ouderling te Utrecht, Ds. P. J. van Melle te Nijkerk, Ds. . A. F. Creutzberg te Echteld, Ds. H. van Druten te Rijnsburg, W. Koopmans, ouderling te Wolvega, J. Zijp Hzn., ouderling te Twisk (N. H.) benevens de Secretaris Ds. J. Knottenbelt.
Van deze discussie volge een kort overzicht :
Prof. van Nes spreekt een woord van lof voor het schrijven van den Geref. Bond, dat in waardige toon gesteld is. Een woord van protest zou hij willen inbrengen tegen de bewering, dat in de 12 geloofsartikelen iets staan zou over de leer van de Drieëenheid, zooals deze bewering ligt opgesloten in het schrijven van den Bond. Ondubbelzinnig en onbekrompen betuigt hij zijne instemming met de belijdenisschriften, maar hij vereenigt zich met de conclusie van het rapport.
Een Kerk zonder belijdenis kan hij zich niet denken, maar hij wil niet gebonden zijn aan de opvatting, die sommigen van die schriften hebben.
De misstanden, die in de Kerk zijn, kunnen wij niet uit haar verwijderen door een nieuwe formule.
Hij acht, dat de proponents-formule van 1888 een groote voortreffelijkheid bezit boven de vorige, onder welke hij tot de Evangeliebediening werd toegelaten, maar waarvan men zeggen moest, dat zij eigenlijk niets verklaarde.
Prof. Mallinckrodt waardeert ook zeer den toon van het schrijven van den Geref. Bond; zegt dat de schriften van de apostolische vaders ouder zijn dan de z. g. n. apostolische geloofsbelijdenis, waarin hij echter evenmin, in het algemeen genomen, de Drieëenheid kan vinden; hij zegt dat de oudste Christelijke Kerk zich daarover niet heeft uitgesproken en het concilie van Nicea (325) was er ook nog oneenig over.
Hij wraakt in het schrijven, dat opeens van de oude Christelijke Kerk wordt overgesprongen op de Herv. Kerk van de 16e eeuw. Hoeveel vrijheid bestond er in de 16de eeuw niet in de uitlegging van verschillende leerstukken.
Hij heeft daarom bezwaar tegen het gebonden worden aan dergelijke vaste geloofsbepalingen en verwerpt wat de Geref. Bond vraagt. De Secretaris der Synode wil ook uitspreken, dat de waardige toon van het schrijven van den Geref. Bond, zoo gunstig afstekende bij hetgeen van de Confess. Vereeniging ter tafel gekomen is, hem heeft getroffen.
Voor zichzelf verklaart hij zijn oprechte instemming met de hoofdzaak van de belijdenis der Kerk.
Maar daarom juist wil hij alleen gebonden zijn aan de H. Schrift, zooals art. 7 van de Ned. Gel. bel. leert.
Hij komt er tegen op, dat de Geref. Bond de eerste der belijdenisvragen wil veranderen en de nieuwe lidmaten der Gemeente wil vragen niet hun geloof te belijden in God den Vader en in Jezus Christus enz. maar of zij de leer belijden te gelooven.
Daardoor wordt de belijdenis des harten, die er zijn moet, vervangen door een verklaring van het verstand, juist als bij de Joden in Jezus' tijd, die zwoeren bij de leer der vaderen.
Dit zou hij een groote schade achten voor het geestelijk leven.
De drie adviseerende leden der Synode hebben we hiermee gehoord.
Een volgende maal willen we luisteren naar de leden, die met stemhebbende macht zitting hebben in het hoogste Kerkbestuur.
{Wordt vervolgd.)
1) a. w. blz. 38. •
1) Lees daarover de bekende polemiek van Dr. A. Kuyper, ten dezen opzichte tegen Dr. Bronsveld,
2) a. w. blz. 39, 40. 3) a. w. blz. 11, vgl. blz. 33.
4) a.w. blz. 26. s) Geref. Dogmatiek IIV^ blz. 46'/.
6) Zie b.v. zijne Gereformeerde Dogmatiek llV^hXi. 424. Voor Paulus .... De brief aan de Hebreen .... Petrus.... En Johannes....
7) 3 Oct. 1909.
1) a.w. blz. 24, vgl. blz. 23. Voor de handhaving van de getuigenis is de formule onverschillig, hetgeen wij te absoluut achten, al is het waar dat de handhaving veel meer afhangt van den geest, die in de kerk woont.
2) a. w. blz. 26.
3) Vgl. Dr. A. Kuyper Pro Rege II blz. 202. Slechts in zooverre is de zichtbare Kerk metterdaad Kerk, als ze een openbaring is van het mystieke lichaam des Heeren. Trekt nu de ziel zich uit het lichaam der zichtbare Kerk terug, zoo sterft ze en houdt op Kerk van Christus te zijn. Vgl. blz:204.
4) Blz. 45. Vgl. vooral blz. 31.
5) Van Dale, Groot Woordenboek der Ned. taal i^'x.v.
6) a.w. blz. 31. 7) a.w. blz. 31.
8) Dr. % Reits7na, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden. Tweede uitgave blz. 158—162.
9) Al de mannen van het gewijzigd Art. 36 hebben nu er natuurlijk bezwaren tegen, dat hun het prediken volstrekt — ook buiten de Geref. Kerken — verboden werd.
10) a.w. blz. 165.
11) Zie ons nummer van 4 Oct. 1912.
12) F. L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, blz. 56, 57, artikelen 2, 4, vgl. 5-
13) Dr. S. de B, a. w. blz. 32.
14) a. w. blz.. 32.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's