Staat en Maatschappij.
Samenwerking met Rome.
III.
Staat het belijdend Protestantisme alzoo vierkant aan Rome's kerkleer tegenover en stelt het Gereformeerd volk daarbij door Gods genade er bijzonderen prijs op om het uit te spreken dat het de meest principieele tegenstander is van de kerk van Rome, toch ligt in die verklaring nog niet opgesloten dat het verschil in kerkgemeenschap ook leiden moet tot het voeren van een afzonderlijke politiek. Ware dit consequent doorgeredeneerd zoo, dan zou er ook geen sprake kunnen zijn van een samen optrekken van leden der Hervormde Kerk met leden van de Gereformeerde Kerken.
Grondslag van samenwerking met de Roomsch-Katholieke Staatspartij in de politiek is de gemeenschappelijke overtuiging dat de Christelijke grondslagen van ons volksleven behooren bevestigd te worden, en voorts, omdat ons land een Christelijk land is, het look Christelijk behoort te worden geregeerd.
Bij het stellen van dien eisch voor het politiek beleid — en men zal dit grif moeten toegeven — is er bij het liberalisme geen enkel punt van aanknooping te vinden, integendeel de geest die de vrijzinnigheid ademt en de staatkunde die door haar wordt gevoerd, gaan in eene richting, die er toe leidt om de Christelijke grondslagen van ons volksleven te ondergraven.
Zoo staat het niet bij de Roomsche Staatspartij, die met het belijdend Protestantsche deel der natie, om maar enkele punten aan te geven, één is in de worsteling tegen den anti-christelijken geest, die heerscht in de richting van ons lager-, middelbaar-en hooger onderwijs, één op het gebied der Sociale wetgeving, één in de kerstening der koloniën, één in de bestrijding van de Neo-Malthusiaansche beginselen, êén in het doen verblijven van den dienst der barmhartigheid aan de Kerk, één in de handhaving van het ouderlijk gezag, één in ... . Doch is het noodig om nog meerdere bewijzen aan te voeren om te doen zien dat op tal van punten er eene gemeenschappelijke overtuiging bestaat die een samenwerking tusschen Antirevolutionairen en Christelijk-Historischen eenerzijds en Roomsch-Katholieken anderzijds toelaatbaar maakt?
En nu voere men niet aan dat die in verschillende opzichten aanwezige overeenstemming er slechts een is in schijn.
Dat dit niet zoo is, valt met de feiten aan te toonen.
Toen in de zitting van de Tweede Kamer van 1 Mei 1902 bij gelegenheid van de vaststelling van het Militaire Strafrecht op art. 9 luidende: „Ingeval krachtens dit Wetboek de doodstraf kan worden uitgesproken, doch de rechter oordeelt dat het belang van den Staat de toepassing dier straf niet eischt, veroordeelt hij den schuldige tot levenslange gevangenisstraf of tot tijdelijke van ten hoogste twintig jaar" de heer Heemskerk een amendement voorstelde om de woorden: „en de rechter oordeelt, dat het belang van den Staat de toepassing van de doodstraf eischt, kan de schuldige tot die straf worden veroordeeld, " te vervangen door: „wordt de schuldige gestraft met den dood, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, omdat deze antirevolutionaire afgevaardigde terecht inzag, dat de veroordeeling tot de doodstraf niet van de subjectieve meening van den rechter mag afhangen; stemden voor dit amendement niet alleen de Antirevolutionairen, maar ook schier alle Roomsch-Katholieke kamerleden.
Zoo ook stond het in de zitting van 16 Mei van het zelfde jaar bij de behandeling van een amendement van de heeren Idenburg en Duymaer van Twist om in het zelfde Wetboek art. 122 luidende: „De militair die opzettelijk een mindere uitscheldt, beschimpt of in zijne tegenwoordigheid bespot, wordt gestraft . . . ." enz. te vervangen door: „De militair, die een mindere uitscheldt, tegen hem vloekt, hem beschimpt of in zijne tegenwoordigheid bespot, wordt gestraft met. . ." enz. Naast het uitschelden en beschimpen van den mindere wilden deze afgevaardigden ook het vloeken tegen den mindere strafbaar stellen. En toen nu het amendement in stemming kwam stonden niet minder dan tien van de veertien aanwezige Roomsch-Katholieken aan de zijde van de Antirevolutionaire kamerleden.
Merkwaardig was het dat bij die beide stemmingen de Roomsch-Katholieken de Antirevolutionairen veel krachtiger steunden dan dit van Christelijk-Historische zijde het geval was.
Zoo bewijst dan dit stemmen der Roomsch-Katholieken dat de overeenstemming waarvan wij hierboven gewaagden niet een is in schijn maar een is in werkelijkheid.
En niet anders stond het met die overeenstemming ook daarna.
(Slot volgt.)
Godsdienst en politiek.
Te Kampen sprak de vorige week de moderne Luthersche predikant Ds. Junod uit den Haag over het verband tusschen Godsdienst en politiek.
Wij achten het van belang om uit die rede iets onder de aandacht onzer lezers te brengen, omdat uit hetgeen de redenaar sprak zoo glashelder het verschil in beginsel uitkomt tusschen de vrijzinnigen en de partijen der rechterzijde.
Godsdienst en politiek, zoo betoogde Ds. Junod, gaan ook voor de vrijzinnig godsdienstigen samen. Toch is er verschil tusschen hetgeen men van onze zijde wil en wat de anderen voorstaan.
„Daar is godsdienst en godsdienst."
„Spreker eert het religieus besef van den mensch, wanneer het uit zijn diepste ik is opgegroeid en aldus zijn persoonlijk bezit is. Maar daar is ook een godsdienst, voor eeuwen in dogma's vastgelegd en sedert duizendmaal uitgesproken in catechisatieboekjes enz., een godsdienst die de massa zegt aan te hangen, terwijl nochtans het innerlijk bestaan van talloos velen er geen voeling mee heeft. En die godsdienst schept een gezag buiten den mensch."
Nu vraagt de liberaal zich af of zijn streven in harmonie is met het ideaal, uit zijn eigen ziel geboren.
De Calvinist slaat zijn Bijbel op en zegt: Daar staat geschreven.
Zie daar de tegenstelling.
Anders gezegd.
„We staan voor deze groote vraag: Doet de mensch u kwaad aan door wat gij wilt, leeraart en gelooft, zelfstandig te onderzoeken, met eigen gemoed en eigen verstand"?
„Wie zegt: ja, dat is kwaad, beweegt zich in de lijn der rechterzijde, wie antwoordt: neen, dat onderzoek is recht, is zelfs plicht, die waagt het met de persoonlijke zielevrijheid, trekt blijmoedig ten strijde en schaart zich links."
„Wie dit verstaat weet, dat ook wij vrijzinnigen hebben onzen godsdienst, ons geloof, die voelt dat wij gelooven in de rede, in het recht en in de liefde."
„Dat geloof is het, dat ons voert tot algemeen kiesrecht tot ouderdomspensioen, tot den strijd tegen de tariefwet" enz. enz.
Commentaar is hier niet noodig.
Beginsel en practische toepassing van dat beginsel worden hier in één adem gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's