De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

En hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebr. 11:13c.

De vreemdelingschap des Christens.

De vraag, waarmee al!e menschen zich wel eens of meermalen in hun leven bezig houden, is zeker deze, wat toch het leven zelf is. „Van waar komt gij en waar zult gij henengaan!' vroeg de Engel des Heeren aan Hagar, toen zij vluchtende was voor Sara hare vrouwe. Het is diezelfde vraag, die bij een iegelijk van ons opkomt als de drukten en beslommeringen van het leven ons een oogenblik met rust laten en we denken dan over den weg, dien wij gegaan zijn en over het einde, waarop hij uitloopt. Die vraag kan niemand van zich afschudden. Toch is het een eigenaardigheid van ons allen, dat we die vraag eigenlijk zoo weinig mogelijk stellen, het werk doen dat er voor ons ligt en op onze afdoening wacht en elk bijzonder werk onze gedachten zoo in beslag neemt, dat de vraag naar ons leven in zijn geheel blijft liggen en we aldus, gelijk men wel eens zegt, het bosch voor de boomen vergeten.

Evenwel laat die vraag zich niet voortdurend op den achtergrond dringen. Hoe meer men zwoegt en slaaft, des te sterker dringt het zich menigmaal voor onzen geest op van waar wij komen en waar wij henengaan. Dit toch is het middelpunt van alle religie, die van meest beschaafde natiën als die van de ruwste natuurvolken; het is het vraagstuk, dat in alle eeuw de denkers heeft bezig gehouden en zij hebben hunne beschouwingen gegeven, die echter geen verklaring waren, maar eindigden met een groot vraagteeken. Hoe zou men het geheim ook kunnen oplossen, het geheim van het leven?

„We zullen het niet weten", mogen we gerust uitroepen, als wij zelf het antwoord moeten zoeken en we dit niet van Hoogerhand willen ontvangen. Niet ten onrechte heeft dan ook de leekedichter, die op zijn modern standpunt het onfeilbaar Godswoord verwierp, moeten klagen:

Wij weten weinig. Te weinig Heer, en elders: Waakzaam werkzaam wachten wij. Dat het Raadsel zich ontknoope. Wat ons korte leven zij.

Een raadsel — zeker dat is het; het is het grootste raadsel, dat te stellen is en men gist dit als de oplossing of men gist dat, doch het spreekwoord zegt: gissen doet missen, 't doet missen ook hier. „Tot de Wet en tot de Getuigenis. Zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad zullen hebben."

In ons Schriftwoord nu lezen we een machtige geloofsbelijdenis, die ons de ware levensbeschouwing geeft en die van den nieuwen tijd veroordeelt. In de laatste honderdvijftig jaren vooral wordt de waarheid, door dit woord geleerd niet meer aanvaard. Immers het geloof aan de onsterfelijdheid des menschen is zoek geraakt in vele kringen, het is zoek geraakt zelfs bij tal van predikanten onzer kerk en indien men de waarheid er van al niet loochent, men schroomt evenzeer om deze te bevestigen. Men spreekt zeer flauwtjes van een hope der onsterfelijkheid. Aan de graven, waarin de dooden worden neergelaten, worden geen woorden van waren troost gehoord en de omstanders gaan menigmaal henen met de gedachte, dat de grafredenaar aan geen leven na dit leven gelooft.

Men gaat er zelfs prat op, dat het moderne leven met die verouderde ideeën van belooning of vergelding in het hiernamaals heeft afgerekend. Het leven is volgens velen geheel en al diesseitig geworden, dus het houdt zich alleen bezig met de dingen aan deze zijde van het graf, waarmee alles eindigt. Men zegt het den Prediker na, maar op andere wijze dan hij het bedoelde: Want wat den kinderen der menschen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten en eenerlei wedervaart hun beiden; de uitnemendheid der menschen boven de beesten is geene, want zij allen zijn ijdelheid.

Algemeen echter is het geloof dat het met ons leven hier niet gedaan is en dit het voorspel en de inleiding is van het leven, dat ons na den dood wacht, gelijk dit ook in ons Schriftwoord tot uitdrukking komt. Het handelt over de geloovigen van den ouden dag, de Patriarchen, die zich hebben vastgehouden als ziende de Onzienlijke. Een Abel, een Henoch, een Noach, een Abraham, een Izaak en Jakob zijn allen in het geloof gestorven, de belofte niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd. De belijdenis van het woord onzer overdenking was de grondtoon van hun leven, de stuwkracht van hun werken.

Toen vader Jacob bij koning Pharao kwam, vroeg deze aan den aartsvader: Hoevele zijn de dagen uws levens? en hij antwoordde: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest en hebben niet bereikt de dagen van de. jaren des levens mijner vaderen in de dagen hunner vreemdelingschappen. We lezen van Abraham toen hij van de kinderen Heths een begraafplaats wilde koopen voor zijn overleden vrouw dat hij zeide: ik ben een vreemdeling en inwoner bij u. Deze uitdrukking die door Abraham werd gebruikt voor het als vreemdeling verkeeren onder een volk, werd door Jacob in geestelijken zin genomen en toegepast op het leven van het kind Gods hier op aarde en ieder die kennis aan den weg des heils heeft verkregen, moet met haar van harte instemmen.

We vinden hier met weinig woorden den toestand der kinderen des Heeren aangeduid. Ze zijn vreemdelingen, wonen niet in hun eigen vaderland. Ze zijn gasten — vertoeven niet in hun eigenlijk huis. Ze zijn reizigers op weg naar de eeuwigheid, want de Heere, heeft hun de eeuwigheid in het harte gelegd. Ze zijn welbewust eeuwigheidskinderen.

Zeker ook de anderen die zonder God daarhenen leven, zijn voor een eeuwigheid bestemd. Hun leven loopt niet af met den dood, zooals zij het gaarne zouden willen — neen, het gaat door; want er is slechts verandering, geen vernietiging. Maar toch: er is een verschil tusschen beiden: eeuwigheidskinderen in bijzonderen zin zijn degenen die Jezus Christus zijn ingeplant want zij weten het en het is aan hunne ziel zoo stellig betuigd, dat zij op reis zijn naar de eeuwigheid.

Het zijn groote verplichtingen ongetwijfeld, die uit dit alles voortvloeien, verplichtingen die wij allen voor zoover wij het geloof hebben verkregen, waarvan de apostel spreekt maar al te goed beseffen; want zelfverwijt komt op en zelfbeschuldiging blijft niet uit, als wij letten op de eischen, die het Schriftwoord ons stelt.

Gasten en vreemdelingen op aarde te zijn — zijn we er wel voldoende van doordrongen? Zijn we er immer van doordrongen ? Geenszins. De zorgvuldigheden der wereld nemen ons dikwerf zoo in beslag, dat er voor het hoogere geestelijke leven geen tijd overschiet. We zijn van nature zoo in de strikken der wereld verward, dat we voor goed daarin geheel en al schijnen vast te zitten — want de wereld laat niet spoedig los, zij zetelt in ons binnenste zelf.

God echter wil nederdalen in 's menschen hart en alzoo teweeg brengen wat deze zelf niet vermag. Als we aan onszelven waren overgelaten, we zouden niet zoover komen om de belijdenis der Patriarchen in waarheid tot de onze te kunnen maken — heeft ooit iemand zijn eigen vleesch gehaat? Het vleesch met zijn begeerlijkheden moet daartoe worden gekruisigd en de strijd er tegen aangebonden, noodzakelijk en onafgebroken. Het is een strijd van te moeten en niet te kunnen. Ons leven wordt verscheurd door den tweespalt tusschen het gebod Gods dat in ontzaggelijke strengheid voor ons staat en onze zwakke tot zonde geneigde natuur.

Als God evenwel een rein hart schept in het binnenste van ons en onzen geest vernieuwt, dan komen wij tot het besef van den toestand, waarin wij van nature verkeeren en krijgen we een oog voor de waarheid van het woord, dat we hier slechts gasten en vreemdelingen zijn. Menigmaal zullen we ons dan nog hebben aan te klagen dat we de pinnen der reistent nog diep in den grond steken, dat het schijnt, alsof we meenen hier een vaste woning te hebben. Menigmaal zal er geen onderscheid te bespeuren zijn tusschen ons en degenen die der wereld toebehooren omdat wij allen in haar opgaan, maar er is een troost dat het onderscheid er is en straks in het hiernamaals zeer duidelijk aan den dag zal treden: dan zult gijlieden, zegt Maleachi, wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze tusschen dien die God dient en dien, die Hem niet dient.

Er is, zegt Petrus, een uitverkoren geslacht, een. koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; een heilig volk dat is, een volk dat niet bij andere volkon wordt geteld, dat afgezonderd is voor den dienst des Heeren. Zie dat volk zal alleen wonen en het zal onder de heidenen niet gerekend worden, zeide Bileam, Israels legerplaats overziende en hij voegde er aan toe: Hoe goed zijn uwe tenten, o Jakob, uwe woningen, o Israel.

Het Israel, dat Bileam zag is een beeld van de gemeente van Jezus Christus hier op aarde. Israel was uit het diensthuis van Egypte uitgeleid en was reizende naar het (vader)land dat hun was beloofd: het vertoefde als vreemdeling in de woestijnen die het doortrok. Het had het land Kanaan in 't gezicht, waarin Jozua hen zou brengen.

Maar de gemeente van Jezus Christus hier op aarde is ook reizende; zij is een vreemdelinge, hier, uitgeleid uit het diensthuis der zonde en zij reist door de woestijn des levens met hare spaarzame oasen, ook om door een beteren Jozua in een beter Kanaan te worden gevoerd, dat haar geenszins zal ontvallen, maar waarin zij eeuwig zal blijven.

Er staat niet alleen, dat de Patriarchen gasten en vreemdelingen waren, maar er staat ook: en hebben beleden dat zij het waren. Dit laatste mag niet worden verwaarloosd. Het is niet voldoende, God in de binnenkamer te zoeken, en buiten op de markt des levens te doen alsof Hij niet beslaat en ons geloof te laten voor hetgeen het is. Een licht dat ontstoken is kan niet verborgen blijven, het moet zijn schijnsel geven. Daarom als we werkelijk door God zijn geroepen en deel hebben gekregen aan de erfenis der heiligen in het licht, kan de belijdenis niet uitblijven en indien dit laatste het geval is, dan zijn wij ook niet waarlijk geroepen. Zoo ook zegt de Apostel het. Indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus en met uw harte gelooven dat dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt, zoo zult gij zalig worden; want met het harte gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. Een iegelijk die Mij belijden zal voor de menschen, verzekert de Zone Gods zelf, dien zal ook Ik belijden voor Mijnen Vader, die in de hemelen is; maar zoo wie Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ook Ik verloochenen voor Mijnen Vader die in de hemelen is.

Geen godsdienst dus, die schuwt om op de markt des levens uit te komen, die zich te teer en te fijn houdt om aldaar te getuigen, opdat hij niet door het stof van het alledaagsche wordt bezoedeld, want hij moet ons geheele leven, in de binnenkamer zoowel als daarbuiten, doortrekken. Hij eischt de eereplaats, die hem rechtens toekomt.

Maar aan den anderen kant, en hierop mogen wij, die tenminste uitwendig belijdenis doen van den naam des Heeren Jezus Christus en die buiten de legerplaats der wereld uitgaan, Christus' smaadheid dragende, wel nadruk leggen — geen belijdenis ook zonder waarachtige godsvrucht, zonder innerlijk leven, opdat zij niet een ledige schaal is, waaraan de pit en de kern ontbreekt.

Op het woord onzer overdenking volgt: want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. Hart en mond waren bij de patriarchen in overeenstemming: omdat ze aan hert hemelsch vaderland dachten, hadden zij het aardsche Ur der Chaldeeën verlaten in gehoorzaamheid aan het gebod, dat God hun gegeven had. Veel was er, dat hen naar dat oude wellicht trok, hun vrienden en hun magen, maar zij gingen voorwaarts, ziende in het gebod, blind voor dè toekomst, niet wetende, waar zij komen zouden.

Zoo ook moet het met ons zijn, medereizigers naar de eeuwigheid. Wij moeten voor de heerlijkheid, die ons is voorgesteld, de schande der wereld verachten. We moeten het kruis torsen, want als we geen kruisdragers willen zijn, we zullen de kroon niet beërven. Daar in den hemel is onze erfenis. Vandaar is onze geboorte. Daar zijn onze betrekkingen. Daarom moeten we uitgaan van de wereld, die voorbijgaat met al haar begeerlijkheid, om onze schreden te richten naar de eeuwige stad die fundamenten heeft, omdat ze gegrondvest is op het bloed van het Lam van eeuwigheid geslacht.

Als burgers dier hemelstad reeds hier op aarde te leven is ons aller roepiug. Hoe zou hij echter zich hier een vreemdeling kunnen gevoelen, voor wien dees' aarde het een en al is? Het een is met het andere onvereenigbaar. Maar ongetwijteld is dit er het gevolg van, dat hij, die van een zoodanige gezindheid is en daarvan getuigenis geeft in woord en daad, indien hij zich niet bekeert van zijne wegen, in plaats van burger zelfs geen gast en vreemdeling zal zijn in het Koninkrijk der hemelen, maar daarvan onherroepelijk worden uitgesloten in onverzoenbare vijandschap.

Hij evenwel, die zich hier op aarde een gast en vreemdeling gevoelt, zal eens als medeburger der heiligen en huisgenoot Gods, het volle burgerschap der hemelen verwerven, dat niet kan verloren worden. Vele banden zullen daartoe moeten losgemaakt, banden die ons hechten aan hetgeen de wereld in schoonschijnende gestalte vooroogen stelt: begeerlijkheid en grootschheid, maar banden ook van hoogere natuur, van vriendschap en van liefde, zoo heilig en zoo teeder, dat er niets hoogers kan worden bedacht dan juist dit alleen: de band van God met de ziele in zalige gemeenschap, in onuitspreekbre innigheid.

„Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde. Bezwijkt mijn vleesch en mijn harte, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. Mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn; ik zet mijn betrouwen op den Heere Heere." Houdt deze belijdenis van Asaf iets anders in, dan als gast en vreemdeling hier op aarde te verkeeren, wijl de Heere zelf ons deel geworden is?

Laat ons dan op de knieën vallen, opdat het ons gegeven worde-alzoo het leven door te gaan, losgemaakt van alles en van allen die zich tusschen den Heere en onze ziel stellen, als armen naar de wereld, doch velen naar den geest verrijkend als niets hebbende hier op aarde, maar alles bezittende in den hemel.

Dan voorzeker is ons Schriftwoord voor onze ziel gaan leven, omdat het ook voor en van ons is geschreven en alzoo wij de eere zijn waardig gekeurd om te behooren tot die wolke van getuigen die begeerig is naar een beter, dat is het hemelsch vaderland, waarin ook ons een woning is bereid. Nu dan:

„Zalig zijn ze, die heimwee hebben, want zij zullen thuis komen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's