De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

6 minuten leestijd

ALPHEN A/D RIJN, 20 Jan. 1913. Aan de Redactie van uDe Waarheidsvriend.t

M.

UEd. zoude mij zeer verplichten onderstaand als ingezonden stuk op te nemen in De Waarheidsvriend. Wellicht strekt het tot een rijke gedachtenwisseling, temeer daar het iets geheel buitengewoons is, dat een Confessioneel predikant voor twee Leerstoelfondsen een lezing houdt.

Lezing ten bate van de Leerstoelfondsen der Confess. Ver. en van den Geref. Bond, gehouden den 15 Januari 1913, in de Ned. Herv. Kerk te Alpen aan den Rijn, door den WelEerw. Heer Ds. Veldhoen.

De Godsdienstoefening werd begonnen met het zingen van Psalm 118:8. Vervolgens werd een gedeelte van Gods Woord gelezen, wen wel 2 Tim. 2 : 14.—27 warop Z.Eerw. voorging in gebed, wat gevolgd werd door het zingen van Psalm 119:53 en 65. Als inleiding bepaalde Spreker zich bij het aantoonen van het vergankelijke van des menschen werk, zooals de toren van Babel enz. Als tekst nam spreker 2 Timotheus 2:19, waaruit werd aangetoond, in tegenstelling bij het werk des menschen, de onwankelbaarheid van Gods werk. Bijzonder werd gelet op Gods Kerke op aarde, welke een onwankelbare vesting was, gedurig fel bestreden door menigerlei vijand; doch een vesting behoefde geen vesting te zijn, wanneer er geen vijanden waren. In de dagen van Paulus, bijzonder in het eind zijn levens, werd het hem dikwijls bange, als hij zag het on-en bijgeloof welke door Hymeneüs en Filetus de Kerk werden ingebracht. Zoo dat Paulus dacht, dat al het werk des Heeren teniet gedaan zou worden. Voorzeker, donkere wolken dreven er toen boven de Gemeente des Heeren. Doch als Paulus dan weder naar boven mocht zien, kwam het evenwel weder uit zijn mond. Dat zelfde evenwel hoe eenvoudig ook, is nog krachtiger dan een machtig bidder aan de legerspits.

Neen, Paulus! geen nood; het gebouw staat vast; de Heere kent degenen die de Zijnen zijn, en een iegelijk die zich naar den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

Zag het er droevig uit in de laatste dagen van Paulus, toch ging het niet kwaad. De Kerke staat vast als een rots, en hoe harder de golven der vijandschap tegen dien rots aanslaan, des te schooner wordt dezelve gespoeld. Maar toch rustte Paulus onder dat alles niet, maar waarschuwt tegen de leugenleer in Efeze; eer dat het verkeerde zaad opwast gaat hij er tegen in. Wel vreezende voor den vijand, doch met den troost in het hart, dat de duisternis het licht niet zal overwinnen. De Heere werkt in zijn huis zonder geweld of hamerslag, gelijk bij den bouw des tempels. De Heere kent degenen die de Zijnen zijn. Hij heeft ze in Zijne handpalmen gegraveerd, Maar de Heere kent ook degenen die de Zijnen niet zijn, degenen, welke overkleed zijn met den mantel van het Sadduceïsme en Farizeïsme. Daar tegenover mogen juist de Zijnen niet verborgen blijven, die als 't ware door den Heere als steenen in dien tempel gevoegd zijn. Zij moeten afstand doen van ongerechtigheden en standvastig blijven strijden; wel niet altijd een gemakkelijke taak, doch ook weer niet te zwaar voor degenen die waarlijk de Zijnen zijn.

Tusschenzang uit Gezang 156:1i.

Men zou zeggen, er is ook in onze dagen behoefte aan rust, want het is binnen de muren onzer Kerk onrustig genoeg. Doch van onzen kant is het te rustig. Een flauwheid en lauwheid; de zonde wordt vergoelijkt, verderfelijke leer is binnen geslopen. En sommigen die daar oogen voor hebben loopen de Kerk uit, inplaats van den brand te helpen blusschen. Men maakt van Gods lieven en dierbaren Zoon een gewoon Rabbi van Nazareth, dat geschiedt niet ver bij ons uit de buurt, nochtans is het niet op onzen weg die leden onzer Kerk uit te drijven, neen, maar onder biddend opzien te trachten, hen tot andere gedachten te brengen. Want Christus blijft toch, niettegenstaande dat alles, de Rots, waartegen de golven breken. Er dient ook gewaakt te worden tegen nog andere vijanden, zooals geestdrijverij, menschen die voor 40 jaar al een belofte hebben gekregen enz., ook tegen de ziekelijke vroomheid. Neen, de belijdenis onzer vaderen moet vastgehouden worden, en daarvoor de knie gebogen, niet omdat het werk des menschen was, maar omdat het Gods werk is. En het is niet alleen donker in de Kerk (hoewel wij toch reden hebben om te danken, dat God steeds meer en meer mannen verwaardigt om de Geref. waarheid te verkondigen) maar ook is het donker buiten de Kerk; het gezag van Schrift en belijdenis worden ondermijnd, met de eeuwigheid wordt geen rekening meer gehouden, ja zelfs durft men het uiten, dat als al de kerken in puin lagen, en er geen enkel priester meer zou zijn, dat het dan pas een goede tijd zou zijn. Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent degenen die de Zijnen zijn, en een iegelijk die zich naar den naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid. En worden wij geroepen om als Timotheüs te staan en gezonde woorden te spreken, de Heere heeft ze als schapen geweid, omdat ze ellendigen waren, en gewijd met de staf liefelijkheid en samenbinding. Maar helaas gemeente, ik moet mij schamen, wijl ik van avond voor twee Leerstoelfondsen sta te spreken, en waarom ? Ach. omdat de een een gezang zingt en de ander ze niet mag zingen, dat is het verschil. Het doet mij zeer, dat er twee Leerstoelfondsen bestaan. Het is dan ook een vrucht dezer eeuw en geen vrucht van den Heere, en het kan dan ook niet tot lof der orthodoxen gezegd worden, dat zij zoo jammerlijk verdeeld zijn. Dat de belijdenis onzer vaderen' weder tot haar eere moge komen tot heil der Kerk en eer des Heeren, Amen.

Slotzang Psalm 33 : 6.

U, M. de Redacteur, dankzeggende voor de verleende plaatsruimte. Uw Abonné,

B. H. H.

Onderschrift van den Hoofdredacteur:

Wij hebben een oogenblik geaarzeld om dit lngezonden te plaatsen. Want het komt ons voor dat of de inzender niet goed geluisterd heeft en verkeerd heeft genoteerd of dat Ds. Veldhoen een weinig den bal heeft mis geslagen, wat vooral te betreuren zou zijn, waar hij in het publiek sprak en op uitnoodiging van de Afdeeling Alphen en Qmstreken van den Geref. Bond. Maar ten slotte hebben we het toch geplaatst, vertrouwende, dat dit raadsel wel spoedig zal worden opgelost.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's