Uit het kerkelijk leven.
Een medewerker schrijft ons:
Ethische voorlichting. VI.
(Slot)
Wat het standpunt van Dr. S. de B. aangaat, Prof. Obbink heeft dienaangaande een - o. i. niet ongegronde critiek uitgeoefend in zijn recensie van Dr. S. de B's brochure in De Nederlander 1).
De clou schijnt mij — aldus Prof. O. — te zijn, dat de schrijver het bestaan van een volkskerk naast een belijdeniskerk verdedigt. Hij acht het mogelijk in dier voege dat beide partijen elkaar niet zien als tegenstanders, die strijden moeten op leven en dood, doch als medestrijders voor het ééne groote doel, dat elk langs eigen weg het best te bereiken acht. Ja zelfs spreekt hij uit (blz. 17) : »wij willen hartelijk medewerken aan wie hier (bedoeld is: de volkskerk) zich niet in vinden kunnen een eigen goedgesloten kerkverband met streng gehandhaafde belijdenis te doen verkrijgen. Laten zij ons helpen om de Hervormde Kerk met haar kerkgebouwen enz. te doen voortbestaan.* Maar als de schrijver dan vraagt, of hierin niet de oplossing te zien is van het kerkelijk vraagstuk ? Dan lijkt mij dat voor een man met scherpzinnigheid en doorzicht als Dr. S. de B. meer naief dan doordacht. Niet alleen dat de Gereformeerde Kerken daaraan niet zullen willen medewerken, maar ik geloof niet, dat er een Gereformeerde» is, die dat plan zal durven toejuichen. " De locus de ecclesia bekleedt een te eigenaardige plaats in de Gereformeerde dogmatiek dan dat een plan als dit er zelfs ernstig in overweging zou komen.
Wij verstaan wel, dat Dr. S. de B. op zijn ethisch standpunt dit wil, gelijk de modernen op het hunne ijveren voor evenredige vertegenwoordiging, maar hij moest begrijpeen dat wij daaraan niet kunnen meehelpen, gelijk wij ons ook met kracht verzetten tegen de evenredige vertegenwoordiging. Sterker nog. Dr. S. de B. verlangt van ons een totale verloochening van heel ons streven. Immers hij vraagt zoo vriendelijk, of wij maar niet de kerk zullen verlaten: dat is veel beter dan dat de Herv. Kerk wordt opgelost, en tot dank daarvoor, dat wij de kerk verlaten, wil hij ons in een zeker kleedingstuk, dat wij niet noemen zullen, aan den dijk laten staan, tenminste voor zichzelf het leeuwendeel, het prae opeischen: de voorsprong der Herv. Kerk moet worden vastgelegd en dan subsidie voor alle kerken geregeld'2), Dat heet nog eens zijn buurman van den stoel praten om er zelf lekker op te gaan zitten" zooals een inzender In De Waarheidsvrimd eens opmerkte.
Voordat de verbonden Balkanstaten Turkije; reeds voor het grootste stuk hebben verdeeld, is er kwestie over welk deel van de staatsschuld ieder zal overnemen. Maar in dit geval, waar wij strikt juridisch alleen aanspraak hebben op de goederen en eigendommen der Ned. Herv. Kerk - -gelijk b.v. de bekende uitspraak van het Hoogerhuis, in het proces tegen de Vrije Kerk in Schotland daaromtrent niet zonder beteekenis is — zou Dr. S. de B. alles voor zijn richting willen inpalmen om ons met een aalmoes af te schepen.
Doch het zal bij hem misschien, gelijk bij meerdere ethischen, wel zijn gelijk de moderne Dr. C. J. Niemeyer in het Weekblad voor Vrijzinnig-Hervormden openhartig verklaarde: hoe meer Gereformeerden de Ned. Herv. Kerk verlaten, hoe liever hij het heeft. Dan is hij van die lastposten, die het iemand zoo moeilijk kunnen maken ontslagen.Tusschen de regels doorlezend, komt men onwillekeurig tot die veronderstelling, vooral als we letten op de blijkbare sympathie waarmee over het uittreden der Gereformeerden gesproken wordt.
Een ethisch amice schreef niet zoo lang geleden aan ons: ga de Ned. Herv. Kerk uit; zij kan je missen als kiespijn. Maar juist omdat de H.H. ethischen ons zoogoed kunnen missen, daarom blijven we om pal te staan voor het erfdeel ons door onze Vaderen toevertrouwd.
Hoe is het mogelijk, dat Dr. S. de B. van ons verlangen kan om primo de Ned. Herv. Kerk te verlaten en haar goederen in de handen van zijn geestverwanten te geven, waar in 1886 door de doleerenden en thans door ons zoo nadrukkelijk wordt betoogd, dat wij recht hebben op een deel van kerkengoederen —ja wanneer men den maatstaf van het Hoogerhuis — gelijk gezegd — zou willen aanleggen op alles en secundo de overgebleven Hervormden te helpen, die dan principieel op het standpunt staan, dat men allen wind van leer moet dulden, tenminste in geen geval daaraan krachtdadig een einde maken. Hij zal in het midden brengen dat hij ons wil helpen om subsidie te krijgen en de eene dienst den anderen waard is, maar wij meenen het de eer van ons geloof te na te komen, wanneer wij bij principieele tegenstanders of bij den Staat om hulp voor de instandhouding van den Dienst des Woords zouden gaan bedelen 1). Om al deze redenen kunnen wij met de plannen van Dr. S. de B. geen oogenblik meegaan, maar moeten wij ons krachtens ons beginsel daartegen van meet af aan verzetten.
Dr. S. de B. moet dit alles zeer wel begrijpen, waar hij zelf opmerkt dat in 1886 met zooveel klem werd verzekerd dat er niet een „nieuwe" kerk gesticht werd, dat men bleef in de kerk der Vaderen en dat de vrijzinnigen de macht der traditie voelend, - weigeren de Herv. Kerk te verlaten, ook al zouden zij, predikanten en gemeenteleden het gemakkelijker hebben in een eigen kleinen kring. 2) Maar nu — zouden wij opeens zoo waar, wijl Dr. S. de B. dit het beste dunkt, de traditie moeten opgeven voor zijn richtinggenooten. Het van ons verlangde altruïsme is even groot als het egoïsme van Dr. S. de B.
En wij zeggen het hem na: dat ook wij ons niet gewillig ontnemen laten het groote middel, dat God in onze handen gelegd heeft om er ook Zijn Koningrijk onder ons meê te bouwen — niet om ons zelf, maar om ons land en ons volk, „ Dat late de Heer(e) verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou. (1 Kon. 21:3). 3)
Wat de confessioneelen zouden moeten doen? Prof. O. zegt; Laat Dr. Kromsigt zich er eens over uitspreken. O.i. heeft Dr. S. de B. dienaangaande het rechte inzicht: dat zij naar het hem voorkomt óf tot de „gereformeerden" óf tot de „ethischen" moeten naderen, gelijk dan ook reeds geschiedt. 4)
Dat is zeker prettig voor de confessioneelen, maar tegen de macht van feiten valt niet veel in te brengen! Op het beroep van Ds. Lingbeek op Gods Woord hopen we weldra terug te komen.
Het standpunt van Dr. S. de B. is zeer ruim — gelijk hij zelf beweert. Wij zouden dus — om nog eenmaal die namen te noemen — de confessioneelen en gereformeerden willen houden binnen de kerk, maar evenzeer de belijders van den Christus, die deze namen niet dragen. Ziedaar ons principieele, zeer ruime ern tegelijk zeer duidelijke standpunt dat wij, gelijk wij anderen beschouwen en behandelen als broeders, volkomen gelijk berechtigd met ons, de anderen ons zullen beschouwen en behandelen als broeders, volkomen gelijk berechtigd met hen. Maar al zijn wij ruim, wij zijn niet slap en gevoelen ons niet zwak en zijn niet tevreden met een bestaan, dat men ons vriendelijk voorloopig wil gunnen. Wij eischen ons recht om er te zijn, precies zooals wij zijn. 1)
Maar als de leden van den Bond het zeggenschap opeischen voor zich alleen, de andere Gereformeerden bestrijden, de ruimere vormen bestrijden.... als zij de anderen bannen willen en bij beroeping en benoeming hen bannen zullen — natuurlijk dan stellen wij ons te weer. 2)
De gelijkenis van Dr. S. de B. met die van de Remonstranten van drie eeuwen terug is werkelijk wonder opvallend. Hij wil, dat wij al zijn medestanders als broeders zullen beschouwen, dus ook die de wondervolle geboorte des Heeren en Zijn borgtochtelijk lijden en sterven loochenen - gelijk hij het ons doet. Maar zooals Dr. Hoedemaker terecht eens opmerkte -: wat bijzaak is voor den moderne, is hoofdzaak voor den ethische, wat bijzaak is voor den ethische, is hoofdzaak voor den gereformeerde.
Natuurlijk, dat iemand, die een gewichtige waarheid loslaat, de broederband wil reiken aan hem, die haar vasthoudt, maar, dat het omgekeerde niet zoo grif gaat.
Wtenbogaert c.s. betitelden op de Haagsche samenspreking van 1611 hun tegenpartij „broederen Contra-remonstranten" een beleefdheid, die echter van de andere zijde niet beantwoord werd. 3)
Wat de wijze van optreden betreft, die Dr. S. de B. tegenover ons in practijk wenscht te brengen: zooals een Roomsch priester eenmaal tot de liberalen zeide: op grond van Uw beginsel eischen wij gelijke rechten, maar op grond van het onze zullen wij U vervolgen: zoo zeggen we: op grond van Uw beginsel, dat in de kerk alleen de prediking van den Christus als Zaligmaker klinken zoo veelzijdig als het kan en allen allen noodig hebben ter aanvulling van hetgeen men bezit en beleeft, ter correctie van hetgeen men in eenzijdigheid scheef trok, 4) hebt U het blijven der gereformeerden in de Ned. Herv. Kerk toe te juichen, ja te bevorderen, gelijk Dr. S. de B. ook zegt: Wij hebben er geen het minste bezwaar tegen, dat de leden van den Bond voor hun eigenaardigen blik op het Evangelie Gods en voor hun speciale prediking nadrukkelijk plaats vragen in de Hervormde Kerk, integendeel: wij hebben reeds gezegd, dat wij hun die van harte inruimen 1) maar op grond van ons beginsel, dat wij ons alleen thuis voelen in een kerk, waarin onze zienswijze niet enkel de eenig geldige, maar zelfs de eenig voorkomende is, hetge u Dr. S. de B. zich begrijpen kan 2) zullen wij niet rusten totdat ~ de Ned. Herv. Kerk niet alleen in theorie maar ook in practijk staat op de geopenbaarde waarheid onzes Gods, gelijk die door Athanasius tegenover Arius, door Augustinius tegenover Pelagius, door Gomarus tegenover Arminius werd beleden en in onze dagen door de mannen van den Geref. Bond wordt hooggehouden tegenover zoo tal van ethischen met hun leeringen van de algemeene verzoening of van de conditioneele onsterfelijkheid, van de mogelijkheid van vallen van den Heere Jezus Christus, van den vrijen wil en-de wederstandelijkbeid van Gods genade en afval der heiligen.
Er was eenmaal een tijd in ons leven, dat wij het standpunt van Dr. S. de B. in zijn: Eenheid en roeping der Kerk — ongeveer zeven jaren geleden verschenen — .te poiitief vonden : thans is het onze overtuiging, dat de ruimheid van Dr. S. de B., om de vrijzinnige prediking in de kerk toe te laten, lijnrecht in strijd is met het woord van den Apostel Johannes: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt tot hem niet: wees gegroet. Want die tot hem zegt: wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boóze werken 3) of met dat woord van Paulus: Verwerp een ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning, wetende dat de zoodanige verkeerd is en zondigt, zijnde bij zich-zelven veroordeeld. 4)
Hiermee wordt ook veroordeeld dat idealistisch beweren van Dr. S. de B., dat het geestelijk leven der gemeente zich van zelf moet handhaven en de afwijkingen uitdrijven, onweerstandelijk uitdrijven wat den levenswortel der Gemeente aantast, het geestelijk leven zoo hoog moet zijn opgebloeid, dat de zuivering „van zelf" komt 1), wat misschien in de een of andere plaatselijke kerk door samenwerking van verschillende factoren eens is geschied, maar wat zeker niet voor de Ned. Herv. Kerk in haar geheel in haar tegenwoordigen vervallen toestand is weggelegd. „Wordt het organisme zelf aangetast, daa moogt gij bij de boetbazuin niet stilstaan blijven, maar dient evenzoo de hand gelegd aan de tucht en de kerkorde." 2) Het zijn niets dan hersenschimmige idealen, die Dr. S. de B. najaagt, wanneer hij denkt dat de afwijkingen van zelf zullen worden uitgedreven. Heeft de opleving van het modernisme in onze dagen hem daaromtrent niets te zeggen? Misschien zal de schrijver antwoorden, dat deze haar oorzaak vindt in de verdeeldheid en zwakheid van de belijders van den Christus onderling. Ongetwijfeld — maar daarin zeker niet alleen.
Om ten slotte onze conclusies saam te vatten: Dr. S. de B. heeft van onze opvattingen en ideeën een caricatuur geleverd gelijk de predikant van Spijk (in Groningen), komt met voorstellen, die ten eenemale voor ons onaannemelijk zijn, wijl zij insluiten een totale verloochening van ons streven gelijk dit sinds jaar en dag bekend is, redenen waarom wij ons door zijne negatieve en positieve beweringen niet zullen laten afhouden van voort te varen naar het doelwit, dat ons in de verte tegenblinkt: herstel der Gereformeerde Kerk zij het ook door de oplossing der Hervormde, zoodat van elkander scheidt wat bij elkaar niet hoort en wij aldus komen mogen tot den wezenlijk gezonden toestand, dat in ééne kerk alleen diegenen gevonden worden, die principieel op denzelfden bodem staan, opdat deze dan niet zij gelijk de Ned. Herv. Kerk tegenwoordig een koninkrijk tegen zichzelven verdeeld a. h. w. eene vereeniging van „elck wat wils, " maar in het bezit van een eigen karakter waarin zich uitspreekt wat er in haar midden leeft. Het karakter der kerk nu, zooals wij die wenschen is dat van een nauwgesloten gereformeerde die invloed uitoefent en ons volk als geheel bereikt, alhoewel Dr. S. d, B. zoo vrij is de mogelijkheid daarvan te ontkennen. 3)
Dit zij dan het doel, dat ons voor oogen staat, dat ons bezieling geeft. Dr. S. de B. vinde zijn hoop voor de toekomst daarin, dat alles anders zal worden, wanneer degenen, die het met hem eens zijn, spreken gaan, 1) onze verwachting zij van den Heere alleen die eenmaal onze kerken in de lage landen aan de zee heeft geplant en die machtig is om hare vervallen hut weer op te richten tot eere Zijns naams, tot zegen van ons volk, tot een steun en een stut voor menigeen, die in den verwarden toestand onzer kerk zich houden wil aan de H. Schrift als den aleenigen regel van geloof en leven.
De proponentsformule enz. IV.
IV. Nadat de drie leden met adviseerende stem gesproken hebben, volgt Dr. Weyland van Veere.
~ Hij vereenigt zich met de woorden van Prof. van Nes en van den Secretaris.
Wat de proponentsformule betreft in 1906 had ons geacht medelid van Dis een nauwer omschrijvende formule willen geven. Hij keurt dat af. Op zichzelf is het niet goed, wijziging te brengen in een formule als deze is. Het is ten slotte een accoord treffen met zijn geweten. De ook thans opnieuw gedane poging de Kerk zuiver te houden, verdient geen aanbeveling. Op klein menschelijke wijze moet geen wijziging gebracht worden in de formule, die wij sedert verscheidene jaren gebruiken.
De heer Landsman, ouderling te Vlissingen, vereenigt zich met de woorden van Dr. Weyland."
Ds. de Groot van Houten voelt veel voor het voorstel; een Kerk zonder belijdenis is niet denkbaar; die belijdenis moet toegepast worden bij de toelating tot de Evangeliebediening en tot de belijdenis. Maak de belijdenis ruim, maar dan moet de Kerk er ook aan gebonden zijn.
Ds. Gronemeyer, ouderling te Utrecht, zegt te behooren tot degenen die in 1886 voorgesteld hebben de nietszeggende formule van 1882 te vervangen door de tegenwoordige. Wie het Evangelie van Jezus Christus verkondigt, is een christen. Het moet niet te doen zijn dogmatici te kweeken, maar belijdende christenen.
Ds. Schrieke van Enschede zegt, dat hij de belijdenis bindt aan de Heilige Schrift en niet aan de belijdenisschriften en aan de belijdenisschriften niet wil gebonden zijn. Een formule kan onderteekend en toch ontdoken worden. De hoogleeraar Scholten heeft de drie formulieren van eenigheid wel onderteekend. Hij wijst op hetgeen in deze dagen in de Kerk van Z.-Afrika tegenover den heer Ruijsch van Dugteren is geschied en noemt dat een waarschuwend voorbeeld.
Ds. Edling van Budel is het eens met het gezegde van Ds. Gronemeyer, dat men de catechisanten niet tot dogmatici moet trachten te maken, maar tot menschen van godsdienstig leven. Wij moeten het met de vrijheid wagen, anders moet men maar weer Roomsch worden.
Ds. van Melle van Nijkerk zegt, dat hij zijn stem nog voorbehoudt over art. 27 V. h. Regl. op het Examen. Maar dit artikel, zooals het nu is, lijdt toch aan groote onduidelijkheid ; en de onbepaaldheid van formules is z. i. toch in strijd met het belijdend karakter van onze Kerk.
Hij dringt niet op een letterlijke handhaving aan van onze belijdenis, maar zooals het nu is, kan het niet blijven! Noch het formeel, noch het materieel principe van onze Kerk wordt door tal van personen gehandhaafd. Wat voor beginselen zijn het dan, waarvan men spreekt?
Hij zou daarom in de proponentsformule willen zien uitgedrukt wat voor het principe onzer Kerk is te houden.
Hij kan zich echter meer vinden in het voorstel van Ds. Koolhaas dan in dat van den Geref. Bond.
De gelegenheid de belijdenis te herzien, heeft steeds ontbroken. Maar nu moet onze Kerk uitspreken wat zij onder hare beginselen verstaat.
Men heeft gezegd, dat het kleine middelen zijn.
Maar groote middelen zouden zeker nog minder bevallen.
Zegt men: de Heilige Schrift is voldoende, dan antwoordt hij, dat elke ketter zijn letter heeft en de belijdenisschriften toch niet alleen voor de studeerkamer voldoende kunnen zijn.
Ds. Steenbeek van Vianen vereenigt zich geheel met het voorstel van den Geref, Bond. Geest en hoofdzaak is te onbepaald.
In strijd kan een groote zegen liggen, maar wanneer dienaren dés Woords in hunne prediking tegenover elkander gaan' staan, moet men toch bedenken, dat een rijk dat tegen zich zelf verdeeld is, niet kan bestaan. Hij ziet daarin den ondergarg der Kerk.
Men ontvangt den beroepsbrief, waarin men herder en leeraar genoemd wordt, maar een ander predikant van diezelfde Kerk heeft weer een andere opvatting van de waarheid.
Men kan zekeren zegen zien in den strijd; maar hij acht die verdeeldheid zéér treurig. Ds. van Druten van Rijnsburg kan zich niet in die uitdrukking „leer" vinden. Hij zou er liever voor gelezen hebben „de waarheid." De herziening der belijdenisschriften heeft sedert 1618 niet plaats gehad; daarom zou hij eerst willen uitgemaakt zien wat thans de belijdenis der Kerk is. Dit kan men niet van de Synode vorderen, maar zou de Kerk moeten uitspreken.
Hij zou zich met de voorgestelde formule wel kunnen vereenigen, in zooverre zij met de Schriften overeenstemt.
Hij vindt de vragen, die in art, 39 gedaan worden, veel hartelijker dan wat voorgesteld wordt.
Ds. Eilerts de Haan van Heiloo (N.H.) verblijdt zich, dat de vergadering op een énkele uitzondering na tegen de voorstellen is. Het zal wel moeilijk zijn vast te stellen wat beginselen en hoofdzaak zijn. Verschil van opvatiing en meening kan niet voorkomen worden. De groote fout is, dat men elkander niet waardeeren kan in zijn verschillende opvattingen.
Hij stemt met den Secretaris in, dat het niet om een leer, maar om een belijdenis des geloofs moet te doen zijn.
De President, Ds. Leenmans van Harlingen, waardeert ook den toon van het schrijven van den Geref. Bond en waardeert ook het ijveren van den Bond meer éénheid te verkrijgen in de belijdenis der Kerk.
Maar hij betreurt het dat het den weg gaat van het intellect. Het moet niet zijn instemmen met een leer", maar „gelooven in." Het geloof behoudt, maar de instemming met een leer niet.
Let hij op art. 27, dan ziet hij de belijdenis, tot criterium gesteld; een Geref, Kerk heeft de Schrift tot criterium, In hoeveel punten zijn de belijdenisschriften, waarmede hij het in den kern van harte eens is, niet in strijd met Gods Woord! Heeft dan Prof. Doedes te vergeefs geschreven?
Hij meent dat het doel van het voorstel van den Geref. Bond zéér te waardeeren is. Men moet toestemmen, dat er groot verschil in de prediking is. Maar met het voorstel van den Geref. Bond zal men het doel, dat men zich voorstelt, niet kunnen bereiken.
Hij houdt zich liever aan de formule, neergeschreven in het tegenwoordig art. 27."
„Vervolgens maakt de President nog een opmerking over de uitdrukking van het rapport: „het groote kwaad ligt daarin, dat ieder zijne opvatting van de Evangeliewaarheid als de eenig mogelijke wil zien beschouwd en aan anderen opgedrongen en de daaruit voortvloeiende onverdraagzaamheid en gemis aan waardeering."
Hij zegt: , „de eenig mogelijke" zal wel als „de eenig ware" moeten verstaan worden. En verder: als hij van harte gelooft, dat het geloof in Jezus Christus datgene is wat voor lederen mensch noodig is, kan er toch geen waardeering zijn van 'het juist tegenovergestelde !
Het Evangelie heeft een absoluut karakter.
De Heere Jezus Christus staat niet naast andere godsdienststichters, maar Hij is de weg. Prof. van Nes merkt nog op, dat ook de proponenten bij hun aanneming tot lidmaten de vragen van art. 39 hebben beantwoord, wat voor hen een verklaring zijn kan van hetgeen als geest en hoofdzaak is te beschouwen.
Ds. Schrieke zegt nog eens, dat het waarachtig geestelijk leven kan toenemen, ook zonder formules. Dat het groote middel voor onze Kerk is Evangelisatie. En dat ten opzichte van zooveel dat wij anders zouden wenschen moet gezegd worden: laat het te zamen opwassen tot den tijd des oogstes.
Ds. van Melle meent dat het wel mogelijk zou zijn een formule te ontwerpen, waarmede alle leden van rechts zich zouden kunnen vereenigen.
De belijdenis geeft alleen den zin aan, hoe de Schrift moet worden verstaan n.l. in Gereformeerden zin.
Hij komt nog eens op voor de formule van Ds. Koolhaas.
De groote hoofdzaak van het Evangelie vinden wij uitgedrukt in de belijdenis. Na deze discussie, wordt het voorstel van den Geref. Bond, inzake prop.-formule en belijdenisvragen, verworpen met 17 van de 19 stemmen.
Ds. de Groot en Ds. Steenbeek stemmen vóór.
Het voorstel van Ds. Koolhaas, inzake de prop.-formule, wordt daarna óok verworpen met 14 stemmen.
5 leden: Ds. de Groot, Ds. van Melle, Ds. Oreutzberg, Ds. Steenbeek en Ds. van Druten stemmen vóór.
Over de discussie inzake de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte", voorkomend in art. 39 Regl. Godsd.onderwijs, een volgende maal!
{Wordt vervolgd.)
1) Zie Be Waarheidsvriend van 29 Nov. 1912,
2) a. w. blz. 13.
1) Vergelijk onze recensie van Dr. P. J. Kromsigt's brochure over De kerkelijke kwestie in ons nummer van 15 Nov. 1912,
2) a. w. blz. 16. 3) a. w. blz. 46.
4) a. w. blz. 13.
1) a. w. blz. 35, 36. 2) a. w. blz. 46.
3) Reitsma a. w blz. 197. 4) a. w. blz. 35.
1) a. w. blz. 37. 2) a. w. blz. 37.
3) 2 Joh. 10, II. 4) Tit. 3:10, II.
1) a. w. blz, 28, 29.
2) Dr. A. Kuyper Tractaat van de Reformatie der Kerken^ Volksuitgave blz. 128.
3) a. w, blz. 42.
1) a. w. blz. 47.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's