Stichtelijke overdenking.
Dies zeg ik: Laat ze eenen reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd. Zacharia 3 : 5a.
Priesters in de Gemeente.
De „kleine profeten" op te slaan, te lezen en te overdenken kan zoo goed doen.
Niet om onze kracht te zoeken in allerlei spitsvondige inleggingen; want dan is 't beter om ze maar gesloten te laten.
Wie te véél ergens uit wil halen gaat met schade en schande dikwijls naar huis!
Maar hierom mogen de geschriften van de „kleine profeten" (Hosea, Amos, Haggaï, Zacharia enz.) ons lief zijn, omdat ze woorden bevatten, die in Israels donkerste dagen gesproken zijn en voor ónzen tijd zoo juist geschikt.
Vallen daar geen vonken van Gods toorn over het ontrouwe volk, uit Abraham gesproten? Schiet de Heere daar niet scherpe pijlen links en rechts op de vijanden van Sion? Fonkelen daar niet sterren der hope in Gods beloften en toezeggingen, die eeuwig zeker zijn voor des Heeren kerke op aarde?
O! 't is zoo goed om die „kleine profeten' eens onder elkander te verhandelen, om bij Gods oordeelen bepaald te worden. Want „wee den gerusten in Sion en den zekeren op den berg van Samaria!" (Amos 6 : 1c.) En staat er niet: zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld. Ik heb ze gedood door de redenen Mijns monds en uwe oordeelen zullen voortkomen aan het licht." (Hosea 6:7.)
Dat moeten we leeren verstaan, om het woord des Heeren diep door onze ziele te laten gaan: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is"; „dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uwe kinderen vergeten." (Hosea 4 : 6.)
Want — o! eeuwig wonder, — daar staat óok geschreven: „Keer weder tot Mij en Ik zal wederkeeren tot u"; „zoek Mij en leef."
Daar staat geschreven: Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd. En dan staat er óok bij Zefanja: vrees niet, o Sion, laat uwe handen niet slap worden. De Heere, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal." (3 : 16.)
Zoo liggen er in deze godspraken harde woorden, om te brengen tot schulderkentenis — mochten ze maar recht worden verstaan in onze dagen van diepen afval.
Doch zoo vloeien ze ook óver van vertroostingen, daar Sions Bonds-God eeuwig dezelfde is, die het werk Zijner handen, ook ten opzichte van Zijn dikwijls zoo ontrouw volk, niet wil laten varen, — mocht dit onze ziele maar verkwikken.
Dat laatste bemerken we ook in het hoofdstuk, waaruit we enkele woorden namen ter overdenking, 't Geldt hier het 4de nachtgezicht van den profeet Zacharia — zoo vertroostend, zielverkwikkend, hartversterkend voor een amechtig volk. De dichter van Ps. 30 zou hier uitroepen: „een oogenblik is er in Zijnen toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich."
Of bemerken we aanstonds bij het lezen van de eerste verzen niet, dat het den Heere te doen is om het behoud van Zijn Sion?
Onze vaderen schreven boven dit 3de hoofdstuk van Zacharia's profetieën: „dit is het 4de gezicht van den profeet, te weten, de hoogepriester Josua, in wiens persoon afgebeeld wordt dat God Zijn kerke liefheeft, hare zonden vergeeft enz."
Ja — daar gaat het om. 't Is om Sion, dat zwart van zonden is en telkens weer door nood en dood henen moet, te troosten met Gods liefde en trouw; zeggende, dat de genadegifte Gods onberouwelijk is.
In Josua den hoogepriester, is gansch Gods Kerk voorgesteld. Iets, wat op Grooten Verzoendag elk jaar gevoeld werd, als in den Hoogepriester al Gods volk naderde voor den Heere met hun zonde, om verzoening te mogen ontvangen door de uitstorting des bloeds.
En nu staat in den persoon van Josua héél het volk in vuile kleederen voor God.
In 't geheel geen gerechtigheid. Gansch geen heiligmaking. Niets geen aangenaamheid in goede werken des geloofs en der liefde.
In vuile kleederen.
En dus — niet waar? — dan is hier op Gods volk van toepassing, wat we lezen in Openb. 21:27a: in het hemelsch Jeruzalem zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt."
Gods volk kan wel zwijgen. Niemand zal het hoofd omhoog steken en de eerkroon dragen, 't Is verloren, verbroken, verzondigd — 'tis: „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al 't geen geschreven staat in het boek der wet, om dat te doen."
Dat weet Satan ook wel.
En deze „menschenmoorder van den beginne, " deze „aanklager der broederen, " deze tegenpartijder Gods — stelt zich aan de rechterhand van Josua en roept het voor de ooren des Heeren en voor de ooren der menschen uit: „deze zijn onwaardig om het leven te beërven ; 't eenig vonnis is de dood."
Daar is niets tegen te zeggen.
God is heilig en de bezoldiging der zonde is de dood. God is rechtvaardig en die zülke dingen doen, zijn des doods waardig.
Josua zwijgt. De ziel is stille. Het hart krimpt inéén. Wie zou zich niet wegschamen voor God, die de heiligheid en onkreukbaarheid van het recht Gods gevoeld heeft ?
Schuldig; verdoemelijk!
En Satan staat er vlak bij. Hij zal ook wel voor 't verdere van 't vonnis zorgen I O! welke ziel wanhoopt hier niet? Welk hart is niet vol siddering?
„Zoo'n slecht volk kan en mag toch niet zalig worden ? Dat kan toch Uw volk niet genaamd worden", buldert Satan uit voor God en het weerkaatst in de ziel als een donderslag tusschen de bergen.
Maar daar doet de Engel des Heeren, de Messias, zijn mond open en werpt ten aanhoore van gansch het volk en ten aanhoore van Satan, den aanklager, gansch de zaak van Gods volk op de verkiezing en het welbehagen Gods. „De HEERE schelde u, gij Satan! ja de HEERE schelde u, die Jeruzalem verkiest: is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? " En als het fundament voor Gods kind komt liggen in de oorzaken, die God uit Zich zelf belieft te nemen, om Zijn volk te beminnen en te zaligen, o! dat kan in de bangste tijden verademing geven en dat kan psalmen doen zingen in den nacht!
Wat wordt dan alles passend voor een in zichzelf arm en ellendig volk!
„Zie, Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselkleederen aandoen."
Ja — dan is 't gewonnen. Dan is 't oude voorbij gegaan en alles is nieuw geworden. Dan zinken de zonden weg en de mantel der gerechtigheid wordt omgehangen. Omdat Christus voor Zijn volk optreedt. En in Hem zinkt de vloek weg en vloeit de genade uit.
O! als 't volk Christus maar kennen mag. „Uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade", zeggen dan al Gods kinderen. Hij draagt het sieraad en het wordt aan Sion uitgedeeld om niet. Alles verandert dan.
Want staat de ziel vuil, besmet, bezoedeld — beschenen door het licht van Gods welbehagen en overschaduwd door het kruis van Golgotha is de goddelooze gerechtvaardigd en de onreine schoon gewasschen van ongerechtigheid.
En de ziel die het ervaren mag wordt in de ellende verlost en juicht bij de verlossing.
'Wat ontgaat aan Satan die buit I
Dat wisselkleed doet veilig staan, 't Brengt heil, genade, verzoening, vrijheid, leven, vrede, vreugd.
Door des Heeren welbehagen! Hebt gij er reeds kennis aan, die dit leest ? Want dat moet toch, zal het goed zijn. De rechtvaardigende daad Gods zal ook aan ónze ziele niet vreemd mogen zijn. En als een goddelooze gerechtvaardigd te worden, uit louter Goddelijk ontfermen, in tegenwoordigheid van Hem, die van den Vader gegeven is tot Sions Borg — ziet, dat is het zaligst lot dat der ziele geschonken kan worden!
Zing het maar eens: „Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Die van de straf voor eeuwig is ontheven; Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt."
Wat aan Josua gebeurde, was voor al Gods volk, voor de Gemeente des Heeren, voor Zijn Kerk.
God wilde dat niet doen aan éen persoon.
't Was voor al Zijn volk. En Hij wilde ook, dat dit zou worden verkondigd in het midden van de gemeente. Daarin lag in beginsel het herstel van den Kerkedienst. De tempel zou weer worden opgebouwd. En de dienst der verzoening zou voor een arm zondaarsvolk geen einde nemen. Ook in weerwil van des vijands haat en der vrienden klein geloof zou God nog weer een goede tijding in het midden Zijner Gemeente doen hooren.
Iets — wat de profeet Zacharia voelt. Waarom hij ook biddend vraagt: „Heere, zet Josua een reinen hoed op!"
Dan was Josua weer priester. Dan kon Josua weer als priester optreden onder het volk. Dan kon hij weer in de Gemeente verkondigen: „er is en er blijft een weg der verzoening door voldoening voor een arm zondaarsvolk."
Dan zou Gods werk weer een nieuw begin nemen onder Zijn volk.
Dan kon het volk weer vergaderen in Godshuis en het goddelijk evangelie hooren, dat Josua voor Gods aangezicht bevindelijk had mogen smaken aan eigen ziel.
O! Zacharia verlangt er naar, dat, wat met Josua gebeurd was, ook onder het volk, in het midden van de Gemeente gehoord mocht worden.
En — daar was het den Heere, Israels trouwe Bondsgod, immers juist om te doen! 't Was om tot Zijn volk te spreken in het midden van de bangste dagen van Zijn trouw en liefde, van Zijn genade en ontfermen, van den weg der verlossing voor een arm zondaarsvolk, enkel door den Losser, die van God gegeven is!
De tempeldienst zou weer hersteld worden, om dat heil weer bij vernieuwing aan het volk te doen zien en te doen hooren.
En o! 't blijkt dat de Heere zich verheugt in de bede van Zacharia, den profeet; want nauwelijks heeft deze gevraagd: „Heere, maak Josua weer priester, heelemaal priester, opdat hij onder uw volk mag optreden in zijn priesterlijk werk, door U gezonden" — of de engelen vliegen op Christus bevel aan, óm Jozua een reinen hoed op te zetten!
O! wat troost in bange tijden, waarin de kerkedienst verwoest is.
God wil weer een reinen hoed geven aan Zijn priesters, om te verkondigen Jezus Christus en dien gekruisigd.
Wat Hij op de bede van Zacharia gedaan heeft is ons ten bewijs.
En ziet — als God dan gebeden wil worden om déze zaak: „ Heere, herstel Uw kerkedienst weer en laat in Uw Gemeente weer verkondigd worden het Evangelie van Jezus Christus", O! dat dan het volk eens op Gods genadetroon mocht aanloopen als een waterstroom!
Al waren het er maar weinigen. Zacharia stond maar alleen.
God hoort het gebed van Zijn gunstgenoot. Ja — God heeft er lust in, om in Zijn Gemeente weer den priesterlijken dienst te herstellen; als begeerd wordt: „Jezus Christus en dien gekruisigd."
Is het geen tijd om te bidden?
Moest uit de diepte van benauwdheid ook in het midden van onze Herv. (Geref.) Kerk niet om deze zaak worden geroepen tot God? „Priesters! o geef ons priesters, Heere, die Uw Evangelie verkondigen, opdat het volk niet verloren gaat. Opdat Sion getroost wordt. Opdat er toegebracht worden tot de beërving der zaligheid met de heiligen. Opdat Gij, o God, gekend, gediend en gevreesd moogt worden door een gansch groote schare!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's