Stichtelijke overdenking.
Het is ons nut, dat één mensch sterve voor het volk en het hele volk niet verloren ga. Joh. 11 : 50.
Een wonderlijke weg.
Wat stond het er donker voor met dien armen jongeling, toen zijne broeders hem grepen en hem wierpen in den kuil. Maar nog donkerder werd het, toen de zilverlingen werden uitgeteld in de handen van de koopers. In een vreemd land, onder een hard juk zou hij misschien al zijn levensdagen moeten slijten. Waarlijk, voor zijn oog kon het moeilijk donkerder worden. En toch was het einde er nog niet, o neen, de beker zou nog voller worden. Als hij vasthoudt aan zijn God, en weigert af te glibberen op paden der zonde, wanneer hij, door zijn God gedragen, mag spreken: zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God — zoo wordt hem het pad naar den kerker gewezen : 'k Vraag u — lezer — is daar nog één lichtpunt te ontdekken ? Van zijn vader, die hem lief was, afgescheurd, verkocht als slaaf naar een vreemd land, eindelijk ingesloten in een kerkerhol — 't kan niet erger.
En toch, wanneer we het mogen zien, het geheel afzien — zoo wordt wat donker scheen, licht, het wordt een allerkostelijkst geheel.
Op de vraag: waarom hij van zijn vader moest, komt dit als antwoord: opdat hij zijn vader mede in het leven zou behouden.
Waarom moest hij naar dat vreemde land? Opdat hier korenschuren zouden verrijzen voor een stervende natie.
En in den kerker werd de bruggeslagen, die toegang verleende tot het hof. ' Laat één schakel weg en de gansche keten is verbroken.
Jozef moest in Egypte zijn, om het volk des Heeren in het leven te behouden.
Ziet ge het nu, wat donker schijnt voor het oog, is toch lichtend inderdaad.
En dat het zoo is verstaan door Jozef zelf zegt het geschiedverhaal in het laatste hoofdstuk van Genesis.
Daar komt weer Jozef te staan met zijne broeders alleen. Thans zijn de rollen omgekeerd bij toen ze hem overleverden in de handen der Ismaëlieten. Toen smeekte hij om zijn leven, nu doen zij het aan hem.
Evenwel Jozef zint op geen wrake. «Gijlieden wel — zoo spreekt hij — hebt kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft het ten goede gedacht, opdat Hij een groot volk in het leven zou behouden".
Is deze geschiedenis van Jozef niet als eene profetie van wat eenmaal geschieden zou met onzen Heere en Heiland.
In de donkere schaduw van het kruis jubelt nog altijd de duurgekochte Gemeente van Hem, Die het leven daar liet: Die Christus, zooals Hij aan het hout hangt, is voor mij de meest dierbare.
Had Hij ook niet een Vader, Die Hem liefhad met een teederheid, waarvan Jakobs liefde slechts schaduwbeeld was? Was ook Hij niét als slaaf, dienende harde meesters hier op aarde? De kerkerstraf, waaronder Jozef zuchtte, zinkt weg in het niet, in vergelijking met wat onze Heere moest lijden. '
Biedt dit lijden tal van punten van overeenkomst, de verlossing niet minder.
Jozef heeft zijn volk gered van een wissen dood; Christus heeft hetzelfde gedaan maar dan eindeloos verder in strekking.
De voorraadschuren van Jozef waren eenmaal ledig; die van Christus worden hoe langer hoe voller.
Was het bij Jozef nog immer in Egypte; bij Christus is het in het hemelsch Kanaan. Moest Jozef zijn volk redden door lijnen van lijden, Christus gaf voor de Zijnen het leven. Hij moest sterven, opdat een heel volk behouden zou worden. Dit goddelijk moeten straalt zoo heerlijk uit in het woord, dat we nader met elkander willen overdenken. Een mensch moet sterven voor het volk, opdat het geheele volk niet verloren ga.
De uitdrukking kent ge. Ge weet van wiens lippen ze gesproken werden.
De Hoogepriester, zooals hij zat in zijn Raad, heeft ze de wereld ingezonden.
Laat het ons eens zien.
Israels oudsten zijn bijeen geroepen. De zaak, welke behandeling eischt, schijnt van buitengewoon gewicht.
Ge vraagt, wat er dan aan de hand zij.
Dit — anders niet, lezer — daar zijn menschen gekomen, die aanschouwers zijn geweest van een wonder, door den Heiland verricht en dat hebben ze medegedeeld aan den Raad. Lazarus is opgestaan uit de dooden. Die vier dagen daar gerust had, was op 's Heeren roepstem uit de grafstede uitgetreden. Anders niets.
Ge vraagt andermaal: „maar mocht zulks dan niet? " Moest daarvoor de Joodsche Raad tezaam geroepen?
Zeker, immers als op dezen weg werd voortgegaan, zou heel het volk Hem aanhangen, en Hem als Koning uitroepen. De Romein zou komen en wegnemen beide plaats en volk.
Waarlijk, men weet niet meer hoe te moeten handelen. Het gevaar moest gestuit, nog langer toezien zonder handelen, 't werd misdadig.
Maar hoe zullen ze dan doen? Op welke wijze zullen ze ingrijpen?
Daar staat de Hoogepriester op. Zijn kalme waardigheid, die hem voor een oogenblik scheen te hebben verlaten, is teruggekeerd. Wat anderen niet durven, spreekt hij uit. Natuurlijk, zegt hij, die mensch moet sterven. Gij verstaat niets en ge bedenkt niet, dat het ons nut is, dat één mensch sterve voor het volk en het geheele volk niet verloren ga. Hij, de Hoogepriester, spreekt uit wat God in den hemel uitgesproken heeft. Wat hij daar zeide was niet — zooals de Evangelist Johannes zoo heerlijk opmerkt — van hemzelven, maar, zijnde de Hoogepriester van dat jaar, profeteerde hij dat Jezus sterven zoude voor het volk.
De Hoogepriester — dit was zijn werk, — moest het lam aanwijzen, dat als offer zou dienen op den grooten zoendag. Dit doet Kajafas hier. Onwetende en onwillende wijdt hij het Lam Gods, dat voor Zijn dood-en doemschuldig volk zal ingaan ten doode. Hij treedt op in Gods Naam, om dat goddelijk werk te verrichten. Wat hij sprak van den Joodschen Raad, gold in de hoogste mate van hemzelven: gij verstaat niets, gij bedenkt niet. Och, als hij het geweten had, wat zou hij zich verzet hebben. Maar nu doet hij het zoo gaarne.
Hoe wonderlijk toch, lezer, loopen Gods wegen. De grootste vijanden blijken nog te zijn instrumenten in Zijn hand. Hij gebruikt ze naar. Zijn welbehagen, ze loopen het pad af dat Hij hun heeft voorgeschreven. De bitterste haat en de vurigste vijandschap weet de Almachtige nog zóó aan te wenden, dat van achteren moet beleden: wat wordt het een schoon geheel.
Wat kan deze loop der dingen, deze Majesteit Gods, het harte van den discipel, dat dikwerf zoo bang kan kloppen, toch rustig maken. God regeert op een Koninklijke wijze over alles. De dichter bezingt het zoo treffend:
God, die helpt in nood, Is in Sion groot, Aller volken macht Niets bij Hem geacht. Buigt u dan in 't stof' En verheft met lof 't Heilig Opperwezen, Wilt het eeuwig vreezen.
Waarlijk, die God, Die zoo helpt, is het waardig, dat men voor Hem buigt in het stof. Wanneer wij hadden moeten kiezen, zou onze keuze geheel anders zijn geweest. Laat hét ons maar belijden, als wij bij het bepalen van Gods keuze gestaan hadden, zouden wij gezegd hebben: die instrumenten deugen niet. Zij moeten geheel anders zijn, b.v. in den trant van een grijzen Simeon, een der oude vromen, die het Kindeke liefheeft.
Neen, zegt de Heere, zelfs het harte van vijanden neig Ik als waterbeken, hun denken en doen stier ik naar Mijne wijsheid. De dienstknecht van den tegenpartijder moet hier het werk doen wat eeuwige jubel zal vormen van Gods volk.
Een goddelooze Hoogepriester wijst hier het Lam aan, dat op den grooten verzoendag geslacht zal worden voor al Zijn volk.
„Het is ons nut, dat één mensch sterve voor het volk en het geheele volk niet verloren ga" — zoo spreekt Kajafas in zijn bitterheid. Ge proeft zijn vijandschap als uit ieder van zijne woorden. Het venijn van Satan sist u als tegemoet.
Evenwel, alles tezaam kan niet verhinderen, dat tot stand komt juist wat God wil, dat uitgevoerd zal worden. In den grooten Raad, die hier Boven gehouden werd, waar de besluiten genomen werden over al Gods volk, was ook dit stuk voor geweest. Daar was de Eengeborene, de Zoon, opgestaan met deze woorden: Zie, hier ben Ik, al Uw welbehagen zal Ik doen." Door dit werk alleen zouden aardbewoners inklimmen. Die Christus Gods is de eenige weg, die ten hemel leidt. Hij zou en wilde zich geven voor verlorenen.
En nu vraag ik u: wat is de beweegreden geweest om dit te doen ? Wat heeft Hem er toe genoodzaakt?
Wat? noem mij in het schepsel iets, dat Hem konde behagen. Ge zegt het met mij, niet waar, wanneer God de oogen u daarvoor opende wat gij door de zonde geworden zijt, dat is alleen geweest Zijn vrije goddelijke liefde, Zija eeuwig welbehagen. Hij heeft den weg, die toegesloten was, geopend door Zichzelven ter dood te laten wijden door-des Hoogepriesters hand. De vijand heeft op deze wijze eigen vesting verraden en overgegeven.
Hoe is het nu, lezer, hebt gij voor dit wonderheerlijke werk al een oog verkregen ?
Is die overgave ter kruisiging al een zegelied voor u persoonlijk geworden?
Is Hij uw Borg, Die voor u bij God intreedt? Dan zult ge ook al iets weten van uw schuld.
Daar wordt in het Schriftwoord dat we heden ons zagen voorgelegd, zulk een ernstige gedachte vertolkt.
„En het gansche volk niet verloren ga."
Dus daarom gaat het, om het leven niet te verliezen.
Daarvan ziet die mensch nu van nature niet-met-al. Hij spot met het kruis en den Gekruiste. In allerlei vormen kleedt zich dat verzet. Hij wil van Hem, Die kwam om te behouden, niet weten, tot de Heere het hem zien laat: gij behoort tot die verlorenen. O, wat wordt er dan een roepen gehoord en een zoeken gezien.
Gelukkig, wie dit mag kennen,
't Is toch zoo in-droevig, er met het verstand alles van te weten en toch in zijn hart nog een vijand te zijn.
Wanneer het bij u nog zoo mocht wezen, lezer, wordt dan eens bang voor uzelven, en vraagt den Heere, of Hij u oogen geve om te zien en een harte, dat Hem in oprechtheid vreest.
Daar is nog nooit een zondaar, die waarachtiglijk met zijne zonde geen raad meer wist, verstooten door den Genadige. Juist den zoodanigen is Hij een heerlijke Heiland. Wat heeft dat volk, dat als verloren tot Hem kwam, een rijken Christus, Kajafas moge Hem overgeven ten doode — hij maakt op deze wijze Gods volk vrij, volkomen vrij.
Zij kunnen het hier in deze wereld nog wel eens bang hebben, evenwel is daarvoor hen geen nood. De Satan met zijn duizendtallen kan nog niet één lammetje rooven van de gansche kudde. Van alle zijden worden ze omsloten door Gods hand. De Herder heeft Zijn leven gegeven; de kudde gaat vrij uit. Gods gerechtigheid heeft voldoening geëischt en verkregen. En nu staan ze onder de hoede van Hem, Die ze kocht tot den prijs van Zijn léven.
Hebt ge u dit wel ingedacht, bange ziel? Gij huivert nóg telkens voor de groote eeuwigheid terug. Ge durft het er maar niet op wagen. Uwe zonden verschrikken u dermate, dat ge zeggen moet: dat loopt nog op mijne veroordeeling uit".
Och ziet eens — wanneer het zoo uwerzijds is gelegen - -op uw Borg.
Luistert eens naar het woord van den Hoogepriester: het is u nut, dat één mensch sterve voor het volk.
Hij voor u, in uwe plaats — drinkt deze heerlijke waarheid in met volle teugen.
Waagt het met Hem alleen. Laat u glijden in Zijne armen en spreekt:
Bij U, mijn Koning en mijn God, Verwacht mijn ziel een heilrijk lot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's