Staat en Maatschappij.
De Grondwetsvoorstellen.
Bij Koninklijke Boodschap van 5 Februari 1913 heeft de Regeering aan de Staten-Generaal ter overweging aangeboden twaalf ontwerpen van wet tot hét in overweging nemen van voorstellen van verandering in de Grondwet. Op vijf punten trekken deze voorstellen de bijzondere aandacht.
lo. de juiste begripsbepaling van de rechten van den Souverein. In het nieuw ontworpen artikel 55 wordt duidelijk uitgesproken de erkenning • dat bij den Koning grondwettelijk de hoogste Staatsmacht berust.
2o. het geven van grondwettelijken ondergrond aan de woorden „bij de gratie Gods" in het formulier van afkondiging. Bepaalt het tegenwoordig Grondwetsartikel 72, dat de afkondiging der wetten zal aanvangen met de woorden: Wij enz. Koning der Nederlanden, enz." in het nieuwe gelijkluidende artikel wordt voorgesteld om den aanhef zooals dit gebruikelijk was te lezen: Wij enz., bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, enz." „De erkenning dat alle macht van God afkomstig is, behoort — naar-de Regeering in hare memorie toelicht — ook in de Grondwet niet te ontbreken."
3o. het kiesrecht-artikel. De regeering stelt voor artikel 80 te lezen: „De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die den leeftijd van 25 jaren bereikt hebben en aan het hoofd van een gezin staan, of zonder hoofd van een gezin te staan als zelfstandige personen in de maatschappij optreden, een en ander nader te regelen bij de wet."
Uit de redactie van dit ontwerp-artikel blijkt, dat het de bedoeling der Regeering is, om als grondslag van het kiesrecht te nemen het kenteeken van het „gezinshoofd" of den met het gezinshoofd gelijkstaanden persoon.
Onder de uitsluitingen van het kiesrecht wordt de bestaande bepaling, dat van de uitoefening van het kiesrecht uitgesloten zijn zij, die van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten, vervangen door: zij, die gedurende ten minste drie maanden van een gemeentebestuur of andere niet-kerkelijke instelling geldelijke onderstand hebben genoten.
De bedoeling van de wijziging is deze: dat de steun, die door eene kerkelijke instelling wordt verleend, niet meer als reden tot uitsluiting van het kiesrecht zal aangemerkt worden,
4o. het artikel betreffende het onderwijs. De Regeering gaat hier met het bekende advies der Staatscommissie accoord.
Het ontworpen artikel 192 luidt thans:
„Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de Overheid en bovendien, voor wat het lager en middelbaar onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van den onderwijzer; het een en ander door de wet Ie regelen.
Voor zoover zich eene behoefte aan ander algemeen lager onderwijs openbaart dan waarin door de ingezetenen wordt voorzien, wordt dit onderwijs van Overheidswege verstrekt. De inrichting van dit van Overheidswege gegeven onderwijs wordt, onder eerbiediging van de godsdienstige gevoelens van de ouders der schoolgaande kinderen, door de wet geregeld.
Het overige onderwijs van Overheidswege gegeven wordt eveneens bij de wet geregeld. In de kosten voor het algemeen lager onderwijs, op scholen door ingezetenen opgericht, wordt, onder voorwaarden en volgens regels door de wet te stellen, door de openbare kassen voorzien, op gelijken voet als zulks geschiedt ten aanzien van dit onderwijs op scholen van de Overheid uitgaande.
De Koning doet van den staat van het geheele onderwijs jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal toekomen."
De Regeering stelt hier voor: om het voorwerp van hare aanhoudende zorg zoowel het bijzonder als het openbaar onderwijs te maken en dit in afwijking van hetgeen het bestaande grondwetsartikel voorschrijft, dat die zorg alleen maar voor het openbaar onderwijs wordt geëischt.
Voorts huldigt het Regeeringsontwerp het beginsel: „bijzonder onderwijs regel, openbaar onderwijs aanvulling." Blijkt intusschen dat openbaar onderwijs nog noodig is, dan zal dit van Overheidswege gegeven worden onder eerbiediging van de godsdienstige gevoelens van de ouders der schoolgaande kinderen. Ten aanzien van dit punt plaatst de Regeering zich dus op het standpunt der relatieve neutraliteit, waarbij de ouders de richting van het onderwijs mogen bepalen. Bij het aanvaarden van de relatieve neutraliteit zal bet mogelijk zijn, dat b. v. in de groote steden aan groepen van gelijkdenkende ouders schoollocaliteiten worden afgestaan waarin bet onderwijs gegeven wordt door onderwijzers, die op voordracht der ouders door de Overheid worden aangewezen.
Ten slotte bepaalt het voorstel dat er financieele gelijkstelling zal zijn voor alle inrichtingen van lager onderwijs. De kosten voor bet algemeen lager onderwijs, zoowel voor het bijzonder als voor het openbaar onderwijs, zullen door de openbare kassen èn door die van bet Rijk èn door die van de gemeenten gedragen worden.
Met het aangeven van bovenstaande wijzigingen en voorstellen in de Grondwet zal het voor ieder duidelijk wezen van welke groote beteekenis de voorstellen der Regeering zijn. Het is toch niet onbekend, dat de tegenwoordige Grondwet, die in 1848 werd afgekondigd en op enkele punten in 1887 werd gewijzigd, ook afgezien van het feit, dat haar beginsel nog ten deele antirevolutionair is, toch nog in vele opzichten uitgaat van de vrijzinnige denkbeelden die in 1848 en 1887 gangbaar waren. De beteekenis nu van de voorstellen die thans werden ingediend, — en wij zijn daarvoor het kabinet-Heemskerk dankbaar — is deze, dat op allerlei principieele punten de vrijzinnige gedachte door het antirevolutionair beginsel vervangen wordt.
Wij noemden slechts een viertal wijzigingen, doch dit getal zou met verschillende anderen kunnen vermeerderd worden.
Op één gewichtig punt, n.l. dat betreffende artikel 171, het artikel van de Kerk, doet de Regeering geen voorstel tot verandering. De Regeering volgt hier niet het bekende advies van de Staatscommissie, waarbij als maatstaf der uitkeering aan de Kerken voor elk duizendtal leden f455 werd voorgesteld.
Artikel 171 blijft onveranderd luiden: „De tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden, of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden."
Alleen moge er nog op gewezen worden, dat in de artikelen van het bestaande zesde Hoofdstuk „van de Godsdienst" thans voorgesteld als Achtste Hoofdstuk onder het opschrift: „Van de vrijheid van Godsdienst, de Godsdienstige gezindheden en de openbare godsdienstoefeningen", waar gesproken wordt van Kerkgenootschappen, dit woord vervangen wordt door Godsdienstige gezindheden".
Het voorloopig bij de opsomming van deze vijf wijzigingsvoorstellen latende, hopen wij later bij sommigen dezer uitvoeriger stil te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's