Staat en Maatschappij.
Verscherping van den leerplicht.
Schier bij elke gelegenheid dat dit pas geeft, wordt van de linkerzijde aangedrongen, dat de leerplichtwet in dien zin worde gewijzigd, dat schoolbezoek in stede van tot het 12e jaar tot het 13e jaar verplicht wordt.
Ook bij het laatste onderwijsdebat in de Tweede Kamer, bij de behandehng van de begrooting van Binnenlandsche Zaken, drong men van die zijde op verscherping aan.
Terecht toonde minister Heemskerk weinig neiging om aan het verzoek om 7-jarigen leerplicht toe te geven.
Afgezien toch van het standpunt, dat men ten opzichte van deze aangelegenheid kan innemen, mag er wel eens op gewezen worden, dat invoering van den leerplicht van 6 tot 13 jaar een zeer ingrijpende maatregel is, die blijken zal van zeer ver strekkende financieele gevolgen te zijn.
Ons geheele lager onderwijs is op 6 leerjaren ingericht. De scholen zijn naar dit beginsel gebouwd, zoodat uitbreiding van den leerplicht met één jaar beteekent, dat de lokaliteit van bijna alle scholen, zoowel openbare als bijzondere, zal moeten worden vergroot. Bovendien zullen de uitgaven behalve voor den verbouw der school en voor den aankoop van grond, in niet geringe mate stijgen zoo voor salarissen van onderwijzers, alsook voor schoolmeubelen, leermiddelen, verwarming, onderhoud enz.
Onlangs deelden Burgemeester en Wethouders van Amsterdam in hun prae-advies op de voorstellen van enkele raadsleden met betrekking tot langer schoolbezoek mede dat voor deze gemeente alleen de bijbouw van 't lokaal was te stellen op f5000.
Neemt men dit bedrag als maatstaf — al zal dit voor de andere gemeenten lager te stellen zijn — voor hetgeen aan meerdere kosten voor schoolruimte zal moeten besteed worden, dan zal men kunnen begrijpen dat, gerekend over het geheele land, alleen voor dit doel op millioenen guldens zal moeten gerekend worden.
Voor de openbare scholen beteekent zulk een meerdere uitgaaf natuurlijk niets; immers
Je gemeentelijke schatkist, en zoo deze tekort schiet de rijkskas, is daarvoor aan te spreken. Maar met de bijzondere school staat dit anders.
Het is opmerkelijk dat van de zijde der voorstanders van den 7-jarigen leerplicht nimmer op de financieele moeilijkheden, waarin het bijzonder onderwijs zal geraken, de aandacht wordt gevestigd.
De vrijzinnigen en sociaal-democraten denfeen zeker dat de bijzondere school het maar voor het opscheppen heeft.
Invoering van den 7-jarigen leerplicht beteekent dan ook niet anders dan nieuwe bevoorrechting van de openbare school boven het bijzonder onderwijs, ten minste wanneer bet Rijk niet de volle kosten draagt, en dit is niet te verwachten.
Marine-toestanden.
Bij de onlangs gehouden debatten over de Marine-begrooting maakte de revolutionaire geest, die onder de schepelingen heerscht, een ernstig punt van bespreking uit.
Het is reeds zoover gekomen, dat 78 % van het minder Marine-personeel in den onder socialistische leiding staanden Matrozenbond zijn georganiseerd. Van de matrozen ongeveer 100 %, van de mariniers 68 % van de stokers 53%.
Dat het, in verband met den slechten geest onder het personeel, met het godsdienstig leven van het scheepsvolk verre beneden peil staat, daarvan getuigden ook de cijfers, die wij eenigen tijd geleden in ons blad mededeelden, en waaruit bleek hoe als 't ware de geheele vloot aan allen godsdienstzin gespeend is, ja erger nog tegenover den godsdienst onverschillig en vijandig gekant is.
Is het onder deze omstandigheden te verwonderen, dat een schepeling, die aan zijn commandant verklaarde geen lid van den Bond te zijn, maar orthodox-protestant te wezen, en daarom op de vloot niet kon dienen onlangs uit den zeedienst ontslag vroeg?
Omtrent den gezondheidstoestand der schepelingen rapporteert de Regeering, dat bij de Europeesche schepelingen in Oost-In die van de 11727 vrij-van-dienst dagen wegens ziekte, die er in het geheel meer voorkwamen dan in 1910 er 8104 vielen op gevallen, die het gevolg waren van onzedelijk leven. Voor wat de Europeanen aangaat, bedroeg het ziektecijfer in 1911 niet minder dan 30.95 % van het vlootpersoneel.
Met het oog op deze feiten, die een treurig licht werpen op het geestelijk en zedelijk leven van het vlootvolk, deden de heeren Duymaer van Twist en Van der Voort van Zijp aan den Minister van Marine de vraag of de Regeering door bevordering van den godsdienstzin en van het zedelijk leven het niet mogelijk kon maken dat ook jongens uit Christelijke gezinnen op de vloot dienst namen.
Helaas was het antwoord op die vraag niet moedgevend. Integendeel getuigde het woord dat de Minister sprak van volslagen onmacht op dit punt.
De Minister zeide: „Ik zou (op de vraag van den geachten afgevaardigde van Steenwijk en op zijn voetspoor die uit Tietjerksteradeel) gaarne een bevestigend antwoord geven, maar het is mij niet mogelijk, omdat ik het met overheidsmaatregelen niet kan bereiken; bij den tegenwoordigen toestand verwacht ik van rechtstreeksche overheidsbemoeiing — ik zeg het met leedwezen — niets."
En iets verder sprak de Minister: „Ik zou verheugd zijn indien het mogelijk was te maken, dat ook jongens uit onze positief-Christelijke gezinnen zich voor den dienst op de vloot gaven. Maar ik durf daarop onder de tegenwoordige omstandigheden niet te hopen."
Ziedaar het ministerieel antwoord, waarvan wij overtuigd zijn, dat de heer Colijn het met groot leedwezen uitsprak. Toch hopen wij dat er nog een weg zal te vinden zijn, om onze matrozen uit de geestelijke en zedelijke ellende, waarin zij leven, op te heffen.
Maar dan zal het moeten zijn: „Tot de Wet en tot de Getuigenis."
Mislukt.
In den Raad van de gemeente Ambt-Almelo stelde de burgemeester bij gelegenheid van een voorstel van een tweetal raadsleden tot vaststelling eener nieuwe instructie voor het onderwijzend personeel aan de openbare dagere scholen in de gemeente voor om in een der artikelen deze alinea toe te voegen. »Het is aan het hoofd der school, het onderwijzend personeel en de kinderen verboden Gods naam te misbruiken of ruwe taal te bezigen."
Van dit amendement moest de liberale raad niets hebben, met 9 tegen 2 stemmen werd het voorstel verworpen. De poging, die de antirevolutionaire burgemeester hier deed om de openbare school beter te maken, mislukte.
De goede keuze.
Heer', mijn God, ik wil mijn leven U volkomen overgeven.
Nu welaan, het moet geschiên: zonde, ik wil van u niet weten; wereld, u geheel vergeten zonder ooit terug te zien!
Hinkte ik lang op twee gedachten, spilde ik nutteloos mijn krachten, eindlijk werd mijn trachten daad: eigen wil gevangen geven, voor mijn God alleen te leven, Hem te dienen, vroeg en Iaat.
Ik ontzie geen moeite of smarte; willig en van ganscher harte volg ik waar Uw Hand mij leidt. Vader, in Uw heilige oogen welgevallen vinden mogen is mijn hoogste zaligheid.
'k Wil wat boven is betrachten en verwerpen en verachten wat daarbuiten mag geschiên. Vreemd der wereld en haar zorgen, wil ik, Heere, in U geborgen naar het Land der ruste zien.
U alleen heb ik verkoren; al mijn krachten. Heer', behooren aan Uw dienst; ik ben Uw knecht. Ja, U wil ik dienen, vreezen. Laat het waarheid worden, wezen Wat ik U heb toegezegd!
Naar G. TERSTEEGEN. 1912.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's