De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus.

4 minuten leestijd

(Slot)

In 1816 is er dus geen nieuwe Kerk ontstaan zooals Ds. Beversluis maar even neerschrijft; en in onze Herv. Kerk is de belijdenis niet weg, zooals Dr. Niemeyer maar kalm beweert.

Neen, in 1816 was en bleef het dezelfde, aloude Geref. Kerk met dezelfde aloude, gereformeerde belijdenis in de Formulieren van Eenigheid vervat.

Onze Herv. Kerk van 1913 is in rechte lijn de voortzetting van de Gereformeerde Kerk van 1571, toen Embdens Synode de hoofdlijnen van Wezel (1568) bevestigde en van de Geref. Kerk van .J6I8, toen onze Vaderen, met de Geref. Kerken van andere landen, vergaderden te Dordt; en van de Geref. Kerk van 1651 toen de Groote Staten-Vergadering bij elkaar kwam; en van de Geref. Kerk van 1672 toen stadhouder Willem III aan het bewind kwam; en van de Geref. Kerk van 1700 toen Wilh. à , Brakel leefde en van 1770 toen Appelius leeraar was.

Wel is in 1816 wederrechtelijk de Dordtsche Kerkeorde buiten werking gesteld. Een nieuwe reglementeering is aan de Kerken opgelegd, zonder dat de Kerken waren gehoord en zonder dat de Kerken zelf dit hebben kunnen en willen goedkeuren, 't Is alles opgelegd en doorgevoerd door een geheel onbevoegde macht. Maar er is toen verklaard en telkens weer herhaald, dat niemand er aan dacht een nieuwe Kerkgemeenschap te stichten en is uitdrukkelijk de waarborg gegeven, dat aan de Formulieren van Eenigheid niet zou getornd worden en dat dezealzoo de basis van het instituut zouden blijven.

Dat komt duidelijk uit door een kwestie die zich bij het opleggen van de nieuwe kerkelijke organisatie voordeed.

7 Jan. 1816 werd bij Koninklijk besluit het nieuwe Reglement bekrachtigd, maar reeds den 7den Maart bracht de classis Amsterdam haar bezwaren ter kennisse des Konings. Men vroeg, waarom de sedert meer dan twee eeuwen gevestigde kerkelijke vergaderingen niet waren opgeroepen; men vreesde, dat de macht der Synode te groot zou worden en licht in een soort van pauselijke of bisschoppelijke heerschappij kon uitloopen; maar men was "bovenal bezorgd, dat deze Synode wel eens de Forrnulieren van Eenigheid en de Liturgie zou kunnen veranderen — waardoor groote verdeeldheid, zoo geene scheuring kon ontstaan! In dezelfde maand Maart volgde van wege den Koning een antwoord, waarin Z. M. liet zeggen, dat zij als onderdanen van den Staat gehoorzaamheid aan de wetten hadden te betoonen en achting voor degenen, wien derzelver uitvoering was aanbevolen. (Heelemaal een Staatszaak dus!) Maar overigens bleven de adressanten vrij en onverlet om de bezwaren, die hun nog mochten overblijven, bij de aanstaande Synode in te brengen*. Er was dus niets aan te doen; de Koning zei dat de Synode er zou komen en zij kwam.

Met den laatsten dag van Maart 1816 werd volgens orders van Z. M. de classis eenvoudig opgeheven. Zij was niet meer! Trouwens al de voormalige kerkelijke colleges werden op dien 31 sten Maart in stilte ontbonden.

Maar door dit adres van Amsterdam is toch iets héél merkwaardigs gebeurd. Want de Commissaris-Generaal sprak 28 Maart 1816 deze woorden: «ofschoon de bezwaren en bedenkingen al méér zijn weggenomen, gelieven de adressanten echter ter hunner meerdere geruststelling hier op te letten : de Synode is thans niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen.* De leer bleef dus zooals ze geweest was. Men behoefde zich niet ongerust te maken. Men nam over wat er was en zooals het was. Met beslissingen en uitspraken inzake die leer hield men zich thans (in 1816) niet op. Wat er was, bleef er. 't Ging nu om de Kerk te besturen.

En toen sprak de Commissaris-Generaal: »Wat de leer zelve betreft, zijn de verpligtingen van deszelfs leden (van de Synode n.l.) en die van alle andere Kerkbesturen begrepen in 't 9de art. van 't gemelde reglement {nu Art. 11 Alg. Regl.) hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de leer der Hervormde Kerk.«

Da's duidelijk. Als ronde Hollanders sprak men in ronde woorden.

In 1816 ging het dus niet in vage termen als: «handhaving van het Evangelie* of «handhaving van de beginselen van het Protestantisme of of iets dergelijks.

Dat heeft men later b.v. in 1874 bij monde van den hoogleeraar Prins wel trachten te doen.

Maar in 1816 sprak de Conimissaris-Generaal zóo niet tot de bezwaarde Classis Amsterdam. Toen ging het om de aloude leer neergelegd in de Formulieren van Eenigheid.

Daar kwam evenwel nóg iets-bij.

Men was in de Kerk nog niet zoo héél gerust. En in Juli 1816 kwam er een adres bij de Synode «van eenige-Bedienaren des Goddelijken Woords, onder het ressort der voormalige Klassis Leyden en Nederrijnland en van Woerden en Overrijnland.«

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vragenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's