De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

Onjuiste voorlichting.

Ds. A. G. H. van Hoogenhuyze, predikant bij de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam, die destijds als predikant te Doorn met zijne bekende brochure „Hoe lang nog? " heel wat pennen in beweging bracht, heeft in De Nederlander van 24 Februari in een lang ingezonden schrijven opnieuw van zich doen hooren.

Onze lezers — ook wij deelden indertijd in De Waarheidsvriend het een en ander uit het geschrift mede — zullen zich herinneren dat de brochure, bevattende „een woord aan Hervormden, die de Christelijk-Historische beginselen zijn toegedaan", bedoelde om de Christelijk-Historische Unie er toe te bewegen om met de tegenwoordige coalitie te breken.

Een der redenen, die tot dit advies leidde, was gelegen in de omstandigheid, dat, naar schrijvers meening, bij het voortbestaan der coalitie de Ned. Herv. Kerk in gevaar kwam.

Op hetzelfde aambeeld hamert de Amsterdamsche predikant ook nu weer in zijn ingezonden stuk, waarvan, de redactie van De Nederlander verklaart, dat zij met den inhoud van het schrijven niet instemt en dit nader zal beantwoorden.

Ds. Van Hoogenhuyze nu, die aan de onderhandelingen der hoofdbesturen van de onderscheidene rechtsche partijen voor de a.s. stembus, in de vergadering van de Chr. Hist. Unie de principieele beslissing wil laten voorafgaan van de vraag, of de Unie nog langer bij de coalitie zal aangesloten blijven, acht de zaak, waarom het gaat, niet gering, terwijl de tijden ernstig zijn.

Van die zaak heet het dan: „Of men het hooren wil of niet, het moet telkens herhaald worden, dat de Hervormde Kerk, door God in Nederland gesticht, die nog een tegenwicht is tegen het wassend socialisme, hoe langer hoe meer in het gedrang komt, en door het tegenwoordig politiek gedoe het kind van de rekening dreigt te worden."

Hoewel het verre van aangenaam is, om maar niet een ander woord te gebruiken, om telkenmale eenzelfde onderwerp te moeten bespreken, wanneer althans geen nieuwe gezichtspunten, de zaak betreffende, worden geopend, terwijl men voorts in gebreke blijft om, waar het toch op aankomt, de bewijzen aan te voeren, die tot staving moeten dienen van hetgeen men beweert, meenen wij ons ook ditmaal niet te mogen onttrekken, om ten aanzien van hetgeen de Amsterdamsche predikant beweert, iets in het midden te brengen.

Over de vraag, of de Hervormde Kerk, zooals deze zich in onzen tyd openbaart, inderdaad een tegenwicht is tegen het wassend socialisme, spreken wij natuurlijk niet. De beantwoording van die gewichtige vraag laten wij liever aan de theologische medewerkers van ons blad over. Voor ons is het punt van overweging de bewering: dat de tegenwoordig gevoerde politiek, die der coalitie, de Ned. Herv. Kerk in het gedrang doet komen.

Wie is nu de eigenlijke bewerker van dit onheil? Hoort wat Ds. Van Hoogenhuyze daarover zegt: „Onder de orthodoxe protestanten begint de doleantie steeds meer den toon aan te geven; men wil, wat kerkelijk niet gelukt is, langs den weg van de politiek verkrijgen; men haat de Ned. Herv. Kerk."

Het is ons niet duidelijk, welk verband er ligt tusschen hetgeen hier beweerd wordt, en dè klacht dat de Hervormde Kerk door de politiek der coalitie het kind der rekening dreigt te worden. Om dit laatste waar te maken, kan men toch niet volstaan met te verwijzen naar wat men meent opgemerkt te hebben in de gezindheid van peisonen tot eenige politieke partij der rechterzijde behoorende, maar moeten de bewijzen geleverd worden, dat wat men beweert, ook werkelijk zoo is.

Doch ook ditmaal brengt Ds. Van Hoogenhuyze die bewijzen niet bij. De Amsterdamsche predikant redeneert buiten de coalitiepolitiek om. Hij zoekt zijn kracht in het citeeren van enkele uit hun verband gerukte en voor zijn betoog nietszeggende uitdrukkingen uit het Standaard-artikel van 4 Febr. 1.1., waarin onder het opschrift „De veelgezochte", o. m. gehandeld wordt over de synodale organisatie van 1816. En die woorden van De Standaard, waarvan wij begrijpen, wijl enkele passages uit het stuk tegen de modernen en de ethischen gericht waren, aan Ds. Van Hoogenhuyze niet sympathiek konden zijn, doet de schrijver van het ingezonden stuk naar de pen grijpen, om, zooals hij dit schrijft, „alarm te blazen", omdat men nooit verantwoord is, „wanneer men, ten einde de overwinning van links te keeren, hand-en spandiensten verleent aan de beide groepen (dus ook de antirevolutionairen), die hoe eer hoe liever de Hervormde Kerk zagen ineenvallen, en de belangen dier Kerk leggen in handen, in welke zij allerminst veilig zijn."

Ook ten opzichte van deze beschuldiging, dat de antirevolutionaire partij, die groote groepen van Hervormden in haar midden telt, hoe eer hoe liever de Hervormde Kerk zag ineenvallen, acht Ds. Van Hoogenhuyze het niet noodig bewijzen aan te voeren. Het schijnt alsof de Hervormde Kerk alleen maar veilig is in handen van de confessioneele en ethische predikanten, die tot de Christelijk-Historische Unie zijn toegetreden.

Wij mogen dergelijke beschuldigingen niet zonder protest laten voorbijgaan. Wij zouden heel wat kunnen aanvoeren om dit ons protest nader te mutiveeren, maar daarmede zouden wij ons op zijpaden begeven, die de aandacht van het hoofdpunt, waarom het hier gaat: „dat de Hervormde Kerk bij de tegenwoordige politiek het kind van de rekening dreigt te worden", zouden afleiden.

Is nu Ds. Van Hoogenhuyze onmachtig om ter staving van zijne bewering de noodige bewijzen aan te voeren, het moge ons vergund zijn aan enkele feiten te herinneren, die juist van het tegendeel getuigenis afleggen. 1o. De Hoogeronderwijswet die met de instelling van „de bijzondere leerstoelen" de Hervormde Kerk in het gevlei komt. Van deze instelling profiteeren nu reeds de confessioneelen, die aan de Universiteit te Leiden geregeld voorlezingen laten houden.

2o. De benoeming van mannen als Dr. Visscher en Dr. van Leeuwen als hoogleeraren aan de Universiteit te Utrecht waardoor het mogelijk is geworden dat Hervormde studenten van Gereformeerde beginselen hunne opleiding kunnen krijgen aan een Rijksuniversiteit.

3o. Het tegemoetkomen van de Regeering aan de wenschen van vele Hervormden, bijzonderlijk aan de vrienden van Ds. Van Hoogenhuyze door aan de Hoogeschool te Utrecht een 5e hoogleeraarsplaats in de theologie te vestigen, teneinde een geestverwant van die mannen benoemd te krijgen en dat op een tractement, dat noch aan Dr. Visscher, noch aan Dr. van Leeuwen bij hunne benoeming is te beurt gevallen.

4o. Het toekennen van tractementen aan verschillende Ned. Herv. gemeenten als te Nijverdal, Losserscheveld, Feyenoord enz. met de bedoeling om of een nieuwe gemeente het beroepen van een predikant mogelijk te maken of in eene gemeente het aantal predikantsplaatsen te vermeerderen.

5o. De gelden die door Minister Colijn op de laatste begrooting voor zijn departement werden aangevraagd voor het vestigen van een 2e Hervormde predikantsplaats voor het garnizoen Ede.

Wijzen al deze feiten, om nog van geen andere te spreken, er niet op dat het de rechtsche kabinetten in geen enkel opzicht te doen was of nog is, om de Hervormde Kerk in minder gunstige conditie te brengen. En zou de anti-revolutionnaire partij, wanneer het haar wel te doen was om, zooals Ds. Van Hoogenhuyze beweert, de Hervormde Kerk ineen te laten vallen, hare stem dan aan deze voorstellen gegeven hebben?

Ds. Van Hoogenhuyze moest eerst beter en objectiever de zaken onderzocht hebben voor en aleer hij zijne aanklacht, nu voor de 2e maal, in het openbaar had doen hooren.

Staat hij als tegenstander tegenover de coalitie gekant dan is dit zijn zaak, maar dan moet hij met andere argumenten aankomen dan die, dat bij de tegenwoordige politieke constellatie de Hervormde kerk het kind van de rekening dreigt te worden.

Dit is niet waar. En Ds. Van Hoogenhuyze moest dit weten.

Met geen enkel feit kan de Amsterdamsche predikant wat hij beweert waar maken en dit zoo zijnde had hij zich er van moeten onthouden om menschen die met den gang van zaken niet op de hoogte zijn op het dwaalspoor te brengen.

Wij hopen, dat ook van de zijde der Christelijk-Historische pers tegen een optreden als Ds. Van Hoogenhuyze zich veroorloofde, om der waarheid wille met ernst zal worden opgekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's