Stichtelijke overdenking.
En leidden Hem heen om te kruisigen. En uitgaande, vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg. Mattheus 27 : 31b en 32.
Het is een woelige optocht naar Golgotha; zelfs vrouwen en. kinderen loopen uit om tóch maar getuigen te kunnen zijn van het schouwspel dat daar is te zien. Het is er verbazend rumoerig, luide stemmen van ruwe soldaten, vermengd met getier van Joden en Jodengenooten, vervloekend Jezus van Nazareth. Die menigte trekt de lijn van haar optreden door tot het laatste. Het is de kroon op het woord van straks, zooveel malen herhaald: „Kruis Hem, kruis Hem!"
Vrouwen en kinderen zelfs trekken mee naar Golgotha. Het schijnt, dat ook het akelige, het huiveringwekkende veel aantrekkingskracht heeft voor den zondigen mensch. Maar ook blijkt hieruit, dat heel het Joodsche volk het eens is met het vonnis over Jezus geveld. Ja, zoo was Hij veracht en de onwaardigste onder de menschen, een Man van Smarten en verzocht in krankheid en een iegelijk was als verbergend het aangezicht voor Hem.
Jezus moet Zijn eigen sterfpaal dragen. Het was om de zonde Zijns volks, maar — en vergeten we dat nimmer — het kruishout, 't welk Jezus daar torscht, is bovenal een teeken van Gods toorn en vloek. De Heiland is Gode een vloek geworden. Hoe ? Om eigen zonde? O neen, het is om onze ongerechtigheden, o volk van God, dat Christus zonde werd gemaakt en dus een vloek in uw plaats.
Daarom draagt Hij ook het kruis, het teeken van schande en vloek.
Zijt gij onder uw zonde bezwaard, vindt gij nergens rust voor uw ziel, noch in de eenzaamheid, noch onder de menschen — o zie dan op Hem, die Jeruzalem wordt uitgeleid, beladen met smaad en schande, willig buigend onder den eisch en vloek der wet, opdat Hij vervloekten zou zaligen. Ziet, juist om ellendigen, die den eeuwigen dood hadden verdiend, te behouden, gaat Jezus met het kruis naar Calvariëns top.
Wat zware moeizame gang is dat voor den Heiland geweest! Ach Hij had al zooveel geleden. Heel den nacht reeds gefolterd naar lichaam en ziel. En nu dat zware ruwe kruis op Zijn schouder. Het moet den kruisheuvel op. Jezus dreigt te bezwijken. Hij kan bijna niet meer. Hoe moet het nu? Wachten, totdat Jezus weer wat uitgerust is? Maar dan wordt het te laat. Zelf het kruis voor Jezus dragen? Maar wie is daarvoor te vinden? Het hout der schande voor een misdadiger dragen, wie doet dat?
Gelukkig, daar wordt de moeielijkheid opgelost. Ze vonden, zoo staat er, een man van Cyrene, met name Simon. Hij kwam juist van zijn akker.
Mogelijk had hij uit de verte den stoet met die joelende menigte wel gezien - maar, voordat hij goed en wel op de hoogte is van wat er gebeurde, wordt hij geprest het kruis achter Jezus te dragen.
Die Simon van Cyrene, hij komt daar zoo onverwacht in. Daar had hij nu in 't geheel niet op gerekend. Het was, zouden wij zeggen, toevallig, dat die Simon daar nu juist moest zijn.
Toevallig — zoo zouden wij geneigd zijn te zeggen. Maar wat in ons oog toevallig is, dat is het daarom nog niet. Neen zeker niet. Toevalligheden zijn niet denkbaar, waar God alle dingen werkt naar den Raad van Zijn almachtigen wil.
Het was naar Gods Raad, naar Gods bestel, dat daar juist die Simon van Cyrene moest komen, om het kruis achter Jezus te dragen. Zoo is het nog, als wij onze wegen nagaan.. Veel schijnt ons toevallig, dat toch zoo niet is. Hebt gij bij later nadenken over uw levensweg, kind des Heeren, niet menigwerf in dingen, die klein en nietig u schenen, Gods Vaderhand gespeurd. Zijn genadebemoeienissen met u opgemerkt? Hoe menigwerf zijt gij gekomen op wegen, die gij niet hebt geweten? Gij zaagt toen niet eens, dat de Heere uw schreden richtte, en als gij nu terugziet, nietwaar, dan moet gij zoo vaak zeggen: „juist daar, moest ik komen, juist dat moest me gebeuren, opdat God Zijn voornemen ook aan mij zou vervullen.
En als gij dan ziet op de leidingen, die God met ü hield, leidingen en wegen, waartegen gij toen in verzet kwaamt, in opstand zelfs tegen uw God, omdat gij meendet, dat het niet goed ging en dat het wel anders en beter kon, o dan moet gij met beschaming terugdenken aan al dat bedillen van Gods wegen en volmondig klinkt uw „amen" op het woord van den psalmist:
Uw doen is enkel majesteit Aanbiddelijke heerlijkheid En Uw gerechtigheid oneindig.
God weet precies, wat Zijn kinderen noodig is, veel beter, dan zij zelf het weten. Daarom is het ook maar goed, dat de Heere niet doet naar de dwaasheid van ons denken. Niet waar, zoo menigwerf komt het in ons hart op, dat de wegen Gods niet recht zijn. Dan willen wij in onze eigenwijsheid het beter weten dan God het weet. En dan — vooral als wij komen in den weg van lijden en beproeving — rijst de vraag in ons hart naar boven: „Waarom doet God het nu juist zoo? Hij had het toch wel anders kunnen doen. En naar onze meening ook beter, daarbij vergetend, dat wij aan Gods handelingen den krommen maatstaf van eigen inzicht aanleggen, waarbij we wel moeten komen tot een verkeerde conclusie.
Wij zien dat eerst achteraf. Ook Simon van Cyrene zal het wel niet dadelijk hebben verstaan. Wanneer hij van te voren geweten had dat hij, komend van den akker, het kruis achter Jezus moest dragen — dan zou hij wel een anderen weg zijn ingeslagen.
Want waarlijk, het kruis achter Jezus te dragen, is niet naar den mensch.
Simon had er ook al niet veel lust toe. Ja, zijn heele natuur kwam er tegen in verzet. Hij weigerde dan ook eerst het te doen. Dat kruis dragen; het is zoo'n smadelijk werk. Daar valt geen eer bij de menschen mee te oogsten, integendeel bespotting. Geen wonder, dat Simon bezwaar had. Wij hebben daar allen bezwaren tegen. En als wij er niet toe worden gedwongen, dan doen wij het stellig niet.
Laten wij onszelf maar niet bedriegen met ons diets te maken, dat wij wel zooveel medelijden met Jezus zouden gehad hebben en er ons bereid toe hadden verklaard. We zouden ons zeer vergissen, door dit van onszelf te denken. Als we konden rekenen op de toejuiching der wereld, dan ja, maar nu, nu er smaadheid aan kleeft, ach we werpen het verre van ons.
Ons vleesch en bloed komt op tegen de moeite, die aan den weg des Heeren is verbonden.
We willen geen smaadheid der wereld. We willen wel droomen van een Christus, die enkel heerlijkheid heeft en geeft, maar we willen niet met Hem lijden, wij willen niet ondergaan in de wateren des doods, wij willen ons leven niet verliezen. Daarvoor hebben we toch het eigen-ik te lief en dat ik willen wij handhaven tegen alles in. Hier ligt het struikelblok voor den natuurlijken mensch.
Menigeen wenscht met Jezus in den hemel te zijn, diens heerlijkheid te genieten, maar men heeft geen behagen in Hem op deze aarde. Een lijdende Christus bekoort ons niet en de gemeenschap des lijdens met Hem wordt geschuwd. Liever geeft de mensch alles om zichzelf toch maar te kunnen handhaven. En toch, het leven moet verloren, opdat wij als verlorenen in onszelf gevonden worden in Hem, die de Heere onze Gerechtigheid wordt genaamd.
Wie alles heeft opgegeven, vindt in Christus alles terug. En daartoe komt de eigenlievende, eigengerechtige mensch van zichzelf niet. We moeten er toe gedwongen worden, anders doen we het nooit.
Gelukkig, dat we met een almachtige God te doen hebben, die de hardste harten als waterbeken neigt. En als God den zondaar trekt, dan moet hij komen, al is hij nog zoo onwillig; want Hij dwingt den zondaar om te gaan achter Jezus.
Hij zaligt Zijn volk als onwillig en wordt gevonden van degenen, die naar Hem niet vraagden. Zie het maar aan dezen Simon van Cyrene. Hij was onwillig. Hij vond het een schande het kruis van den Nazarener, die uitgeworpen was door de goddelooze en de vrome wereld tezaam, te moeten dragen.
Maar wat eerst schande hem scheen, is hem een eenige eere geworden. Zoo gaat het nog menigmaal als God Zijn kinderen trekt uit de duisternis tot Zijn heerlijk en wonderbaar licht. Daartoe dient ook vaak allerlei kruis, rampspoed in nood, verlegenheid en verslagenheid, want daarmee zoekt God Zijn volk op en brengt het tot bukken onder Zijn Woord, dat alle eigen willen en loopen wegslaat, opdat wij zouden gewenteld worden op Hem, die voor al de Zijnen zonde werd gemaakt, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Simon draagt het kruis achter Jezus. Onwillekeurig denken wij hierbij aan het woord van den Heiland: Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, die neme zijn kruis op en volge mij. Ja, de weg ten leven loopt door het kruis tot de kroon. Dat is ook de weg van Jezus geweest. Het is de weg ook van al Zijn discipelen. Het is een moeielijke weg voor het vleesch. Toch moet het. 't Is de weg Gods. Door den dood tot het leven, door de droefheid tot de blijdschap. Gods weg begint niet met jubelen en juichen, maar met droefheid en donkerheid. Toch is het een zalige weg. Immers wie met den nood zijner ziel uitgaat tot Jezus, die zal droefheid in blijdschap zien omgezet, donkerheid in licht, ja, die zingt straks tot roem van Gods genade:
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei veranderd in een blijden rei. Nog altijd deelt hij, die gemeenschap heeft aan het lijden van Christus, ook in Zijn glorie en heerlijkheid. Wij moeten dus aan het kruis van Christus gemeenschap hebben. Eén plante in de gelijkmaking Zijns doods, zullen we dat ook worden in de gelijkmaking Zijner opstanding. Hoe heerlijk.dan als wij smaadheid mogen dragen om Jezus' wil!'Dan kennen wij geen andere roem dan het kruis. Daar alleen wordt een vrede gesmaakt, die alle verstand te boven gaat. Hoe staat gij daaronder? Kent gij iets van het kruisdragen achter Jezus? Nog niets? Dan zijt gij diep te beklagen. Dan mist gij het allervoornaamste. Wie geen deel heeft aan den gekruisigden Christus, heeft ook geen deel aan Zijn heerlijkheid. Zie dan wel toe en bekeer u. Schrijf op al het uwe den dood, want het zal u geen ruste geven. Verschuil uzelf niet achter uwe onmacht, maar worde deze veeleer u tot schuld, opdat gij daarin de sterkte des Heeren moogt aangrijpen, die machtig is ook u te dwingen achter Jezus te komen.
Nog kan het. Zie op naar het Kruis. Daar schenkt Jezus vrede allen die Hem zoeken, daar wijst Hij geen zondaar af, daar laat Hij geen bidder staan. Daar vindt gij alles wat gij behoeft. O worde het nog uw taal: „Waar zouden wij henengaan. Gij, o Heiland, Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens."
Kinderen Gods, gij kleinen en grooten, vergeet het nimmer; hoe gij gedwongen zijt achter Jezus te komen. Dat zal u in de diepte brengen en groot doen denken van uw Zaligmaker. Weest ook geduldig nu in allen weg, dien God met u houdt. Al is.die weg hier met doornen bezaaaid, die weg loopt toch naar omhoog, O daar, daar zie ik blinken de kroon, die eens alle kruisdragers siert.
Houdt onder alles 't oog naar boven gericht en weerklinke steeds luider en luide uw lied:
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen. Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's