De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus.

8 minuten leestijd

VRAAG. Mag de Kerkeraad het geloof der aspirantleden onderzoeken en bij gebleken onrechtzihnigheid of bij onkunde van het fundament der Christelijke religie de bevestiging verbieden?

ANTWOORD. We slaan het Reglement op het Godsdienstonderwijs op en wel bij art. 38. Daar gaat het (Hoofdst. V over «het aannemen en bevestigen van lidmaten*) over de taak en de bevoegdheid van den Kerkeraad, bizonderlijk wat den predikant toebetrouwd is en wat aan de ouderlingen is opgedragen. [Een zeer goede uitgave van het Kerkelijk Wetboek is die van J. Knottenbelt (Douwes en Feith) bij J. B. Welters te Groningen; laatste druk.]

De predikant brengt de namen van zijn «aannemelingen* in den Kerkeraad; de Kerkeraad «na zich te hebben verzekerd, dat er tegen het zedelijk gedrag der aannemelingen geen bezwaren zijn* vaardigt tot de aanneming af den predikant, bij wien de aangifte heeft plaats gehad en éen of meer ouderlingen.

Hier wordt dus aan den Kerkeraad reeds een beperkte macht gegeven in betrekking tot »de aannemelingen*, daar er hier alleen sprake is van «het zedelijk gedrag* en b, v. niet van hun godsdienstig kerkelijk leven — hoewel art, 14, 3e zegt «aan den bizonderen Kerkeraad is bepaaldelijk opgedragen het toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der gemeente«.

Bij de «aanneming* wordt dus de macht van den Kerkeraad beperkt, met het doel natuurlijk om de ouderlingen in hun rechten te verkorten en den predikant alles in handen te geven. Dat hebben de modernen gedaan, die N. B. zulke vijanden zijn van clericalisme — en dan liefst alles in handen geven van den predikant en waarbij de ouderlingen, de wettige vertegenwoordigers der Gemeente «den mond wordt gesnoerd. Wat zijn de modernen toch consekwent in hun beginselen! 't Is om er «naar* van te worden. Zulke clericalen !...

De ouderlingen moeten natuurlijk toezicht houden op de belijdenis en den wandel van de leden der Gemeente. En geldt dat toezicht degenen, die reeds lidmaat zijn, hoeveel méér zal dat niet gelden degenen, die gereed staan lidmaat te worden. Zoodat het ook spreekt als een boek, dat de ouderlingen toezicht moeten houden op de belijdenis van de aannemelingen, op het oogenblik dat zij, afgevaardigd door den Kerkeraad, bij «de aanneming* tegenwoordig zijn!

Daar moeten ze tegenwoordig zijn, als ouderlingen der Gemeente, wier taak omschreven is in art. XI algem. Regl. («handhaving harer leer)») en in art. 13, 3e Regl. Kerkeraden («toezicht op de belijdenis en den wandel*); waarbij nu komt wat in art. 38 Regl. Godsdienstonderwijs verder beschreven staat n.l. «het onderzoek wordt zóo ingericht, dat de aannemelingen gelegenheid erlangen, niet alleen om van hunne verkregen kennis te doen blijken, maar ook om belijdenis af te leggen van hun Christelijk geloof.

De predikant mag dus bij «de aanneming* niet over de dingen heenglijden. 't Moet bij «de aanneming* uitkomen wat de geloofsbelijdenis van de catechisanten is; en bij dat onderzoek moeten de ouderlingen tegenwoordig zijn, afgevaardigd door den Kerkeraad, die geroepen is op de belijdenis en den wandel van de leden der Gemeente toezicht te houden en voor de handhaving der leer in het onderwijzen èn in-het belijden zorg te dragen.

De ouderlingen hebben dus een taak ten opzichte van den predikant, die onderwijst — en ten opzichte van de catechisanten, die onderwezen zijn geworden en die vertolken, wat ze van hun leermeester gehoord hebben.

Als de ouderlingen de overtuiging krijgen, dat, wat de leeraar heeft onderwezen niet overeenkomstig de leer onzer Herv. Kerk is, althans wat de hoofdwaarheden der leer betreft — en ze bemerken, dat wat de leerlingen belijden niet is overeenkomstig de belijdenis, waarop de ouderlingen bij de leden der Gemeente toezicht behooren te houden, dan moeten ze tegen onderwijzer én leerlingen bezwaren inbrengen en bewijzen, dat het onderwijs uit een christelijk oogpunt beschouwd niet voldoende is voor hen.

De ouderling is geroepen de leer der Kerk te handhaven en is 't derhalve ook zijn taak om te zeggen «onvoldoende» als het onderwijs naar zijn innigste overtuiging in strijd is met hetgeen hij als geloofsleer der Christelijke Gemeente heeft leeren kennen en belijden.

Daarom kan den ouderling ook niet verboden worden zelf eenige vragen te doen, wanneer de predikant het bij 't ondervragen zóo heeft weten te richten, dat niets openbaar werd van de klove, die er misschien is tusschen het geloof van «de aannemelingen» en de leer der Kerk. Want 't moet juist uitkomen wat men leert en wat men belijdt, waarbij de ouderlingen, de Gemeente vertegenwoordigend, een taak hebben om toe te zien, dat er positief christelijk onderwijs gegeven wordt en dat niet binnen de Kerk komen als lidmaten, die niet onberispelijk zijn in hun belijdenis.

Allereerst staat de predikant dan schuldig. En de ouderlingen hebben allereerst tegenover hem een taak.

Hij heeft in den beroepsbrief beloofd, dat hij «door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, alles zou doen wat een herder en leeraar, overeenkomstig Gods Heilig Woord, volgens de verordeningen der Ned. Herv. Kerk, betaamt«; hij moet overeenkomstig art. II Algem. Regl. zorgen, dat de leer gehandhaafd wordt; hij moet volgens art. 13, 3e. Regl. Kerkeraden toezicht houden op de belijdenis der leden, en moet dus in al zijn godsdienstonderwijs (zie art. 1 Regl. godsd. onderwijs: bij 't bijbellezen, bij het onderricht in de bijbelsche en kerkelijke geschiedenis en in de christelijke geloofs-en zedeleer) eerbied toonen voor de belijdenis der Kerk, welke hij dient.

Doet hij dat niet, dan mogen de ouderlingen, waar het de kenmerkende stukken van de belijdenis der Herv. Kerk geldt, hem niet ongemoeid laten; maar hem aanklagen, op goede gronden, bij het Classicaal Bestuur, gelijk vanwege het Classicaal Bestuur ook bij elke persoonlijke kerkvisitatie een onderzoek naar de belijdenis van den leeraar, en van de Kerkeraads-/ leden, ingesteld wordt; waarin het bewijs' geleverd is, dat het toezien op den leeraar, wat zijn leer en belijdenis aangaat, volstrekt niet on-reglementair is.

Eerst de leeraar dus. Dat is recht en billijk. Maar dan ook de leerlingen verhinderen, dat zij een misstap doen.

Uit medelijden mogen we iemand maar niet toegang verlenen daar, waar men niet hoort. Dat is in strijd met de christelijke zedeleer. En dus moet bij ernstige bedenking tegen de belijdenis der leerlingen, eenvoudig door de ouderlingen gezegd worden «het is voor ons onvoldoende», waarna de zaak in den Kerkeraad, die volgens art. XI Algem. Regl. bij al zijn handeling zorg te dragen heeft dat de leer der Kerk niet stout geschonden wordt, aanhangig wordt gemaakt.

Deze dingen zijn voor rechtzinnige ouderlingen, die bij een modern predikant zitting hebben, niet gemakkelijk. Alles ligt in onze kerkelijke reglementen zoo verward. De modernen hebben er zoo schandelijk in geknoeid, juist om leervrijheid te krijgen in onze Herv. Kerk, Maar de draad der belijdenis is gelukkig door al de Reglementen toch nog te duidelijk zichtbaar, dan dat rechtzinnige kerkeraden alles maar op z'n beloop zouden behoeven te laten.

Voor een nederlaag moet men niet zoo bang zijn. 't Gaat voor ons niet om het te «winnen» of anders te gaan «doleeren».

Daarvoor is ons de zaak te ernstig, 't Moet een gewetenszaak zijn, vasthoudende aan de Kerk onzer Vaderen, die geen leervrijheid duldt, maar een belijdende Kerk is. Wier diepe ellende in deze we te goed kennen, dan dat we zouden zeggen: zoo moet het — of anders gaan we er uit!

Neen, de Herv. Kerk is de plantinge Gods in dezen lande. De Herv. Kerk is de aloude Geref. Kerk. De Herv. Kerk heeft haar Geref. belijdenis, ons van de Vaderen als een dierbaar en goddelijk pand overgeleverd.

En nu weten we, dat die Kerk heusch niet in ééns verlost kan worden uit haar diepen val, maar óok weten we, dat als er hoe langs hoe meer, ernstig, kalm, waardig, eensgezind en beslist een verdedigen van de waarheid mag komen en een tegenstaan van alle knoeierij en leugenleer, de Heere nog heerlijke beloften voor Zijn Kerk heeft weggelegd.

En daarom is ook dit de hootdzaak: door alle rechtzinnige Kerkeraden moet ernstig gevraagd worden, dat het belijdend karakter onzer Herv. Kerk meer uitkome, waartoe ook dit kan dienen, dat aan alle »aannemelingen« dezelfde vragen zullen worden gedaan en dat in de proponentsformnle door alle  predikanten een positieve belijdenis wordt uitgesproken en onderteekend.

De Heere geve wijsheid, ijver, liefde — en veel gebed.

't Staat treurig met onze Kerk — maar als we oog mogen krijgen voor de teekenen der tijden is het nog niet verloren!

[N. B. We laten dit antw. deze week plaatsen, op verzoek. Volgende week zetten we D. V. de beantwoording der vraag: Is onze Kerk een belijdende Kerk? weer voort. Want de opmerkzame lezer zal wel begrepen hebben, dat dit antw, — al stond er per abuis het woordje »slot« boven — nog niet beëindigd is. We willen hier de historie zoo breed mogelijk doen spreken.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vragenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's