De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus.

6 minuten leestijd

IV,

VRAAG. IS onze Herv. Kerk een Kerk die er een belijdenis op nahoudt of is elke leer in haar midden geoorloofd?

ANTWOORD. In het jaar 1817 werd in de Synode gesproken over het catechetisch onderwijs en wel bizonder wat «de leerboeken bij het godsdienstonderwijs» betreft. Het Provinciaal Kerkbestuur van Drenthe verlangde n. l. dat de Synode bepalen zou welke leerboeken daarbij zouden gebruikt worden, terwijl het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland voorstelde, dat de Synode of zélf een catechisatie-boekje zou laten vervaardigen of anders een der bestaande speciaal approbeeren (Kerkelijk goedkeuren en aanwijzen.) Bij monde van den Leidschen hoogleeraar J. Clarisse werd door een commissie van advies rapport uitgebracht, waarbij zoowel de eene als de andere maatregeil ten sterkste werd ontraden, als «noodeloos, nutteloos en schadelijk.» ledere Kerkeraad, iedere predikant was dus en bleef dus verantwoordelijk voor het godsdienstonderwijs, waarbij in 1816 — zooals we zagen — in ronde woorden, in bizondere verklaringen en in de proponentsformule de leer der Kerk omschreven was, zijnde de leer vervat in de formulieren van eenigheid. Ja, de Commissaris-Generaal had in 1816 verklaard, dat vooral bij het «godsdienstonderwijs» de zuiverheid van de leer kon en moest bewaard blijven en alzoo in de inrigtingen van onderwijs de leer moest worden gehandhaafd. Wie dus óp de catechisatie de leer der Kerk niet handhaafde stond wezenlijk schuldig aan schending van zijn belofte en schending van duidelijk uitgesproken bedoelingen.

Ook kwam in 1817 een liturgische kwestie aan de orde. Men wilde dat algemeen zou worden ingevoerd het doen beantwoorden van vragen door hen, die het H, Avondmaal wenschten te vieren, opdat deze leden der gemeente «hunne belijdenis plegtig zouden vernieuwen en bevestigen, gelijk zulks in de provinciale ressorten Friesland en Groningen plaats had.»

De Leeuwarder predikant Lobrij bracht in deze rapport uit. .

Er werd op gewezen, dat dit gebruik «uit de oude Paltzische liturgie herkomstig was en sedert onheugelijken tijd in een gedeelte des vaderlands tot groote stichting had plaats gehad.

De uitdrukkingen der Groninger vragen achtte men voor den tegenwoordigen tijd min duidelijk en ongeschikt; uit dien hoofde werd aanbevolen, het Friesche gebruik algemeen te maken, om namelijk aan de gemeente 3 vragen te doen, ingericht naar de 3 bizonderheden, die in vr. en antw. 81 van den Heidelb. Catechismus, als vereischten in eenen geschikten Avondmaalganger, worden opgegeven, onder vrijlating der bewoordingen aan den predikant.»

't Wordt al duidelijk, dat men hier bezig is nieuwigheden in te voeren, waarbij de leer der Kerk "betamelijke vrijheid» zal verkrijgen.

Maar het denkbeeld van de Commissie vond «geen bijval»; en diensvolgens werden die vier vragen opgesteld en met eenige wijzigingen aangenomen, welke sedert bij de voorbereiding tot of de viering van het Avondmaal worden gedaan en beantwoord. Echter «niet zonder tegenkanting van velen, die of met den inhoud dier vragen, of afgescheiden daarvan met de zaak zelve, als een vermeende nieuwigheid, geen vrede hadden.

De Synode, waarvan de Commissaris-Generaal in 1816 gezegd had: «Het Synode wordt THANS niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen», zat dus in 1817 al aardig midden tusschen de leerstellingen — en geen wonder! — maar men durfde nog niet toebijten.

Trouwens er lag ook een verklaring van den Commissaris-Gereraal »Wat de leer betreft zijn de verplichtingen van de leden der Synode begrepen in het 9de artikel van het Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de Leer der Hervormde Kerk..

De 4 vragen die vastgesteld werden, zonder »vrijlating der bewoordingen«, luidden aldus:

Ik vraag u vooreerst: Of gij van harte gelooft, dat de waarachtige en volkomene leer der zaligheid, ons van Gods wege geopenbaard, vervat is in de boeken des O. en N. Verbonds?

Ten tweeden, vraag ik u, of gij van harte gelooft, dat gij door uwe zonden diep bedorven en voor God strafwaardig zijt, en uzelven deswege mishaagt met ootmoed en berouw?

Ten derden, vraag ik u, of gij van harte gelooft, dat God, uit loutere genade, ons Zijnen eeniggeborenen Zoon, Jezus Christus, heeft geschonken tot onzen eenigen en volkomenen Zaligmaker, wiens ligchaam voor ons verbroken en wiens bloed voor ons vergoten is tot vergeving der zonden; en of gij Hem, voor uzelven, met een geloovig harte aanneemt tot wijsheid, regtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?

Ten vierden, vraag ik u, of gij overeenkomstig de verpligting, die door uwen Doop op u gelegd is, een opregt voornemen hebt, om, door de kracht des Heiligen Geestes, ' bij deze belijdenis te volharden, uw geloof te sterken, uw leven te beteren, in ware liefde en eenigheid met uwe naasten te leven en alzoo Gode waarachtige dankbaarheid voor zijne genade te bewijzen ? «

Men voelt het: men wilde zoo langzamerhand een anderen kant uit, maar men was er nog te goed van verzekerd, dat het niet eerlijk was »de leer der Kerk* los te laten. Bij het leven hoorde de leer.

Gelijk b.v. ook in de Voorrede van het Gezangboek staat: »Wij bieden aan onze Geloofsgenooten dit Evangelisch Gezangboek met zooveel te grooter gerustheid aan, als zij zullen zien, dat wij geene andere Gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdenis der Nederlandsche 'Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen*.

Wat in »de Verklaring*, volgende op de Voorrede, nog duidelijker uitkomt. Want daar wordt door onderscheidene Predikanten en Ouderlingen verzekerd, dat zij in den Haag opzettelijk hebben vergaderd, waarbij »wij met alle nauwkeurigheid hebben toegezien, dat daarin niets mogte voorkomen, eenigzins strijdig met de aangenomene leer der Nederlandsche Hervormde Kerk, zooals die naar Gods Woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de Belijdenis des geloofs en de Canones van het Synode Nationaal, te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wij ook in gemoede verklaren, dat in dezelve niets gevonden wordt, in het allerminste afwijkende van de bovengemelde Formulieren van eenigheid: hetwelk alles wij getuigen met onderteekening onzer handen.*

Wat ging het dus in 1805 om »de leer der Herv. Kerk*; eveneens in 1816; ook in 1817 —waarbij hoe langs hoe meer uitkwam, dat men ongemerkt, met het roemen van die leer, de belijdenis der Kerk al slapper en slapper wilde maken.

Ongemerkt. Geniepig. Heimelijk. Als een werk der duisternis. En op een manier, dat de Kerk de hand op den mond gelegd werd.

Dat zullen we verder zien.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vragenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's