De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Jezus zeide tot haar: Maria! Zij zich omkeerende zeide tot hem: Rabbouni! 't welk is gezegd: Meester. Joh. 20:16.

De zin van ons Paaschfeest is zoo onuitputtelijk rijk. Het heil, dat Christus in Zijne verrijzenis aan Zijne Gemeente schenkt, is als een edelgesteente, dat altijd nieuwen gloed uitstraalt; welks glans nimmer verdoft. Zoo is toch al 't werk Gods van Zijn volk. Nooit verdroogt de sprinkader van Zijn heil; die bron welt tot in alle eeuwigheid. De aderen van die fontein liggen in het eeuwige Wezen zelf gespreid. Hier wandelt Gods Kerk door het oord der vreemdelingschappen bij den zachten glans van den Fakkel der Verrijzenis. Hiernamaals is die Fakkel een Zon, een eeuwige Zon, in welker golvende lichtzee elk verloste zich baadt. De Paaschgroet predikt, dat heel de schuld is afbetaald; dat er niets te doen is overgebleven om al de zonden des volks te verzoenen bij God; dat het rantsoen ten volle is betaald en door den Vader is aanvaard. 't Paasch-evangelie slaakt de boei des doods, waarin al 't volk gekluisterd lag en roept 't jaar der vrijheid uit over de ziel, die zich gebonden weet met onbreekbare ketenen. Gelukkige zondaar, die waarlijk een verrezen Heiland behoeft om bevrijd te worden van het geweld des doods! Uw Paaschfeest komt; kome het nu! In heerlijken eenvoud ligt de kracht der Schrift. Sober is 't woord, dat zij spreekt in den Kerstnacht, op Golgotha, aan den morgen der Opstanding, De bolster is onopgesmukt, opdat de kern al onze aandacht hebbe. Zoo werkt God altijd. Hij, Die 't hooge versmaadt, leest 't verachte uit, opdat Hij daarin Zijne heerlijkheid betoone. Israels eenvoudigen worden geroepen om getuigen van 's Heilands opstanding te zijn. En hoe menschelijk, hoe wankelmoedig, hoe traag in 't gelooven worden ze ons geteekend. Zou 't ook zijn, opdat verslagene zielen er uit leeren zullen, hoe de Heere Zijne hand tot kleinen wendt? Ongetwijfeld. Letten we op Maria Magdalena. Nadat Petrus en Johannes zijn heengegaan uit den hof, is zij alleen achtergebleven. Ze heeft 't nauwelijks bemerkt. Leunend tegen de steenrots, waarin de grafstede is uitgehouwen, staat ze en weent en wacht. Alleen-zijn met hare tranen en hare zuchten, dat trok haar. Waar hare hope was ondergegaan, daar wilde zij toeven; alleen met al den weedom harersmart. Voor geen ander dan haar Meester, die haar, ach te vroeg, ontviel, heeft haar ziele plaats. Welke rouwdragende kent dat niet in 't gewone leven? Het leed, dat 't hart ten boorde toe vult, perst naar de eenzaamheid. Zoo staat Maria in den stillen hof, waarover de weelde van den morgenstond is uitgegoten. Maar haar oog speurt er niets van. De schoonheid der haar omringende natuur, waarvan in stille pracht de ochtendzon uitglanst, spreekt haar niet toe. Weenend staat zij bij 't ledige graf. Aandoenlijk tafereel! Och, hoe weinig verstaan wij van de dingen des Vaders! Hoezeer hebben wij toch noodig dien hoogsten Profeet om ons van stap tot stap te onderwijzen in den weg, dien wij te gaan hebben. 't Ledige graf stemt Maria zoo onuitsprekelijk droevig; 't wekt geen de minste gedachte in haar aan 's Meesters woord, dat van „opstaan" sprak. Ze bukt zich in 't graf, als zoekend de plek waar de Meester gelegd was. Mocht ze Hem daar nog maar zien, in stillen slaap des doods verzonken, haar smart zou minder snerpend zijn; maar nu, ondra- gelijk is de gedachte, dat Hem ruwe, plompe, schennende handen wellicht hebben aangegrepen.  O grenst deze kosrtzichtigheid niet van ‘t onbegrijpelijke? Zeker, mijn lezer, maar als wij ons daarover niet te beschuldigen hadden, waartoe zouden wij een Middelaar behoeven. Die van God ook tot wijsheid geschonken wordt, dien, die gelooft? Wie zichzelf kent, herkent zich in deze Maria's-gestalte, vol onkunde aangaande de dingen, die des Geestes Gods zijn. Maria's verlangen strekt zich hier nauwlijks verder uit dan paar een gestorven Heiland, Die in den dood blijft. Wonderlijk, lezer, dat geen der discipelen of discipelinnen dit ledige graf aanstonds in verband bracht met wat de Christus zelf had gezegd van Zijn opstanding uit de dooden ten derde dage. Ook hier bleken de kinderen der wereld, de Sanhedristen, verstandiger dan de kinderen des lichts. 't Sanhedrin heeft er wel aan gedacht, en daarom de wacht bij 't graf. Maria denkt slechts aan den doode! Wij vallen er haar niet hard om. Dit lijdt geen twijfel, dat ware liefde haar hart vervult; liefde, die niet doolt, maar die ongetwijfeld echt in den wortel was. Haar was. veel vergeven, veel geschonken, hare liefde is groot. En zou ware liefde die doolt nog niet beter zijn dan zuivere kennis, die echter aan alle warmte des harten gespeend is. Bukkend in 't graf ontwaart haar oog er twee engelen; hun lichtend gewaad doet ze kennen als hemelboden. Engelen in 't graf: rijke Paaschprediking; de hemel nam bezit van de groeve. De vertering vervangen door den glans des hemels! Maar dat deze engelen, ook zonder woorden, haar toeriepen: „uw Jezus leeft; Hij is waarlijk opgestaan," daar verstaat Maria niets van. Verstaat gij 't, lezer, dat hier de triomf van het uit God stammende leven wordt uitgeroepen? Daarom is de dood, de schrik- koning, uit het graf gebannen, en engelen des lichts hebben er hunne tente opgeslagen ? Maria verstond 't niet. 't Ging haar als 't Hagar en zoovelen van Gods kinderen gaat, vlak bij de bron zouden ze nog van dorst versmachten; maar de Heere houdt trouwe! Hij weet wat de Zijnen van noode hebben. 'n Weenende was voor die-hemelbode 'n ongewoon schouwspel. Zij kwamen uit 't land zonder tranen; waar niemand zegt: ik ben ziek; waar vreugdeglans over alle aangezichten ligt gespreid. Naar dat land baande Jezus den weg, lezer. Derwaarts leidt Hij al wie zich Hem vertrouwt: Hem, den Oppersten Leidsman. Ook voor u? Vrouw, wat weent gij? zoo luidt der engelen vraag tot Maria. Bestraffing ligt er in; onderrichting ook; vertroosting zelfs, maar op dit alles let Maria niet. Mijn Heere hebben ze weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben, zoo luidt haar antwoord. En zou ik daarom niet weenen? Mijn Heere, Die mij zoo onuitsprekelijk liefhad. Maria, dit zegge eerst uw hart, maar waar zijn de verlichte oogen des verstands? Gij acht uw Heiland de prooi van schennende menschenhand; maar is Hij dan niet de Christus, de Zoon van den levenden God ? Heeft Hij dan niet den sleutel der helle en des doods? Zou Hij dan niet den dood tot overwinning verslinden? Hoe kunt ge weenen om dit ledige graf, is dit dan geen oorzaak van eeuwig verblijden? Zal nu dan niet elke ziel, die één plante wierd met Christus in de gelijkmaking Zijns doods, één plante met Hem zijn in eeuwige heerlijkheid? Maar van dit alles verstond zij niets. 'n Andere stem zal noodig zijn, om haar op alle deze dingen opmerkzaam te maken. Zelfs 't engelen woord stuit af op de dwaasheid van ons hart. Gods stemme alleen dringt door. Ongetroost wendt Maria zich van den engel af. Daar ontwaart haar oog door een tranennevel heen een nieuw aangekomen gestalte bij het graf. Ook van die zijde klonk haar weer de vraag toe: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij meende 't-was de hovenier van Jozefs hof; mogelijk wist die er meer van; hem wilde ze 't vragen: o, als gij 't gedaan hebt, zeg mij, waar hebt gij Hem gelegd? Wat teedere aanhankelijkheid; maar hoe ver afgedwaald! Zij meende, 't was de hovenier. En 't was ook de Hovenier, maar niet van Jozefs maar van 's Vaders hof; de hemelsche Hovenier, Die gezien heeft, dat hier ééne Zijner plantingen door fellen twijfelwind dreigt te worden geknakt. Zijne liefdevolle zorge dreef Hem herwaarts. Hier moet sterking, dekking, beschutting aangebracht. Hier moet hulpe geboden aan één, die wankelt ten doode. En zou Hij daar worden gemist. Hij, Wiens zorgend alziend oog heel den hof Zijner Kerke doorwandelt; elke, worsteling speurt, eiken noodkreet opvangt, ; alle tranen telt en in Zijn flesch vergaart? Hij is waarlijk de Hovenier  en welk een! Veel rijker en heerlijker, dan 't Maria zich ' voorstelde. Zoo zal Hij Zich nu openbaren aan deze bang geschudde plante. Nu gaat Hij met den dauw Zijner liefde verkwikken; met den arm Zijner almacht beschutten; het heil Zijner Verrijzenis uitgieten over een gebroken hart. Hoe? Door haar de Schrift te openen, gelijk Hij 't straks den Emmaüsgangers doen zal? Dat kon, maar Zijns is de veelvoudigheid eener oneindig-goddelijke Wijsheid. Hij kent den weg tot 't hart der Zijnen. Hij weet hoe Hij de snaren van 't hart van Zijn kind moet beroeren. Hij is immers de Hemelsche Hovenier, en daarom kent Hij de wijze, waarop alle planting in Zijn hof moet verzorgd en opgekweekt. Bedil Zijn wijsheid niet. Zou de plant den Hovenier aanwijzen moeten hoe Hij haar verzorgen zal? Jezus zeide tot haar: Maria ! O, die toon vol goddelijk meedoogen, waarop zij met haar eigen naam werd toegesproken. Genade lag er in, die zich neerbuigt tot het in zondenood en twijfelstorm verlorene; barmhartigheid, die uitgaat om te zoeken wat bedrukt is; lankmoedigheid, die niet laat varen wat dolend afdwaalt; ook de bestraffing der innigste liefde: Maria, hoe kunt gij zoo weenen, zoo treuren, zoo dwalen, zoo klein van geloof en traag van hart zijn? Maria! In dat enkele noemen van haar naam legde de Heere al den rijkdom van Zijn eeuwig Evangelie; al de volheid van Zijne ondoorgrondelijke zondaarsmin. Benaderen wat in dit ééne woord voor Maria lag vervat kan alleen wie als Maria op de puinhoopen van zijn verloren-gewaand geluk door den Heiland met zijn eigen naam werd toegesproken. Mijne schapen hooren Mijne stem; Ik ken ze en ze volgen Mij; hoe wordt 't hier bewaarheid. De stem, waarmede de Heere Zijn treurenden roept en vertroost, dringt door tot in de verdeeling der ziel; daardoor worden ze overreed en overmocht en heengebogen en geneigd naar hun Heere en Heiland als de bloem naar de zon. Dan vallen de schellen van de oogen; dan ontvangen ze sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid. Dan brokkelt de tegenstand des harten weg. Dan wordt op eene onnaspeurlijke wijze de kracht van 's Heilands opstanding ervaren. Dan wordt op dien dag van 'sHeeren heirkracht al Zijn volk gewillig. Zie 't maar aan Maria! Die stem doet al de snaren harer ziel zoo machtig trillen, reeds van af haar eerste samentreffen met den Heere Jezus. Zij herkent haar Jezus en zich aan Zijne voeten nederwerpend welt uit haar hart de belijdenis op, dat zij Hem gevonden heeft Dien haar ziele zocht. Rabbouni, mijn Meester! Meer kan zij niet uitbrengen. Maar 't is ook genoeg. Al wat Jezus haar te zeggen had, lei Hij in Zijn ééne woord: Maria; al wat zij Hem te «eggen heeft, ligt in haar ééne woord: Rabbouni, vervat. Al de verwondering, die haar ziel overstelpte. Al de wederliefde, waarin haar ziele is ontvonkt. Al de dank van haar verlost hart. Al de aanbidding, waarmee zij zegent Hem, Die haar zoo uitnemend heeft liefgehad. 'n Paaschjubel: Hij leeft, mijn Meester; Hij werd van den dood niet gehouden. Hij leeft en ik zal leven. Opnieuw wordt 't verbond bezegeld. Nauwer nog wordt haar ziele vastgesnoerd aan Immanuel. Lezer, wat heerlijke Paaschzegen was voor deze Maria van Magdala weggelegd.  O, mocht u én mij op 't komend Paaschfeest 'n gelijke zegen worden geschonken. Roert in onze ziel de levende behoefte aan den Heere Jezus Christus, den Heiland van zondaren? Hebben wij Hem waarlijk noodig? O, ongetwijfeld, als we ons zelf recht kennen; en de macht des doods, die ons gevangen houdt; en 't Recht Gods, door ons geschonden ; en de heilige Wet, die haar vloek legt op allen, die afwijken; en de ontzaglijke armoede van een leven zonder God! Opene de Heere daarvoor ons oog! Dat doet ons zoeken Hem, Die gestorven is om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Geve de Heere ons maar een  behoeftig, zoekend harte; voor zulke harten is er Paaschzegen weggelegd. Wie zoo tot den verrezen Heiland vlucht, keert niet ledig weder. De Verrezene schenke ons op ons Paaschfeest de ervaring van de vrucht Zijner opstanding en Hij doe Zijn troostwoord tot ons uitgaan:

Ik leef en gij zult leven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's