Staat en Maatschappij.
Onbillijke klaehten.
In de Kroniek van Dr. Bronsveld's Stemmen voor waarheid en vrede wordt in het laatste nummer weer danig te keer gegaan tegen de coalitie, de anti-revolutionairen, de neo-Calvinisten enz.
Als er „zekere Juni-gebeurtenissen" aanstaande zijn, weet de Utrechtsche doctor zijn pen bijzonder vaardig te hanteeren.
De Kroniekschrijver, die — wat ons reeds lang bekend is — verklaart, dat hij geen onbepaald vereerder van Calvijn is, vindt bijzonder de neo-Calvinisten weinig aantrekkelijke menschen.
Nu valt over den smaak en bijzonder over die van Dr, Bronsveld niet te twisten, maar onbillijk en onwaar wordt de redacteur van de Stemmen als hij oordeelt, dat de mannen uit de Geref. Kerken tegen ons, die lid blijven van de Ned, Herv. Kerk, optreden om ons zooveel mogelijk te verdringen uit, of den toegang te verbinderen tot openbare betrekkingen ; en voorts dat zij vooral ten platten lande ieder Ned. Hervormde boycotten, hun het leven moeilijk maken en ze op den achtergrond dringen.
We hooren hier de echo van hetgeen Ds. van Hoogenhuyze als één zijner klachten nog onlangs deed hooren toen hij schreef: dat alom in den lande gezien wordt hoe de Hervormden uit gemeenteraden, polderbesturen enz. gekeerd worden, zoodat vanwege het samengaan in coalitie de slagen neerkomen op de Hervormde Kerk.
Nu wil het ons maar niet duidelijk worden, op welke gronden zulk beweren berust. Men zal toch niet mogen aannemen dat de heeren Bronsveld c. s., die niets liever zullen zien dan dat de vrijzinnigen weer in de meerderheid komen, denken door maar steeds op hetzelfde aambeeld te hameren, dat zij ten slotte de lezers van hunne artikelen wel voor hunne klachten zullen winnen? Wij werpen deze onderstelling verre van ons. Maar hoe moeten wij dan die grieven, die telkens zonder eenig nader bewijs klakkeloos worden neergeschreven, begrijpen ?
Dat het zal voorkomen dat hier of daar een lid van de Gereformeerde Kerk een lid van zijn eigen Kerk bevoordeelt, nemen wij aan; maar staat daartegenover niet dat zulks ook wel zal plaats hebben bij leden der Ned. Herv. Kerk?
Doch is dit nu ook het geval bij benoemingen in de verschillende ambten ? En voor deze zijn de leden van het Kabinet toch alleen maar verantwoordelijk. Zien wij daar niet het tegendeel? Laat men ten bewijze daarvan maar eens de Staatscourant raadplegen, en het is wis en zeker dat men vinden zal, dat het voor het overgroote deel, zelfs percentsgewijze, de Hervormden zijn, wien de betrekkingen ten deel vallen.
Laat men ten deze toch billijk en waar zijn, of anders voere men de bewijzen aan, die staven kunnen hetgeen men beweert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's