Stichtelijke overdenking.
Ik zie hunne wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hunne treurigen. Jes. 57 : 18.
De beste vertroosting.
Wat leeft de wereld toch veel gemakkelijker dan de Christen. Wat de wereld wil zien, ziet zij; wat zij gelooven wil, gelooft zij; wat zij doen wil, doet zij.
Van mond tot mond gaat de belijdenis: „er is geen God." Van huis tot huis wordt de levensregel gevolgd: „laat ons eten en en drinken en vroolijk zijn." Van geslacht tot geslacht zweert men bij de waarheid: „die dan leeft, die dan zorgt."
Denk eens een oogenblik aan de eerste wereld.
In Noach's dagen hoorde men van dag tot dag de prediking: God komt om de aarde te richten en Zijne hateren te verstrooien.
De ark werd gebouwd. Van dag tot dag naderde die ark hare voltooiing. Noach's prediking won in ernst. Zijn woord ging uit tot jong en oud met gestrengheid.
En de wereld maakte zich wijs: er komt toch niets van. Alles blijft zooals het geweest is. Geen nood. Geen zorg voor den tijd. En de een nam het van den ander over. Voor twijfel was geen plaats en geen tijd.
O! wat leeft de wereld toch gemakkelijk. Men draagt z'n schat bij zich. Men doet wat het hart begeert. Men ziet licht en men geniet met vroolijkheid.
En ach — Gods kind kan zoo moeilijk tot verzekerdheid komen. Gods kind kan zoo moeilijk tot vroolijkheid en vrede komen. Gods kind kan zoo moeilijk houvast krijgen aan 't geen de ziele behoeft tot rust en blijdschap. Terwijl de wereld zoo makkelijk zich grond onder de voeten schuift, is het voor Gods kind zoo dikwijls schuifzand, dat onder de voeten ontzinkt.
De wereld roept veel gemakkelijker uit:
„Geen nood! wij redden't zonder Hem!" dan dat Gods kind zingt: „In de grootste smarten, Blijven onze harten In den HEER' gerust."
Gods kind kan zoo twijfelen; zoo wankelmoedig, zoo kleingeloovig, zoo ongeloovig zijn.
Ach — de geloovige kan zoo vér van zijn God, zoo vér van Christus leven, 't Kan zoo moeilijk zijn om de dingen helder voor oogen te zien, klaar in het harte te hebben, — om . volvroolijk op te springen en blij te zingen."
Nu zal de wereld met al haar wijsheid, al haar durf, al haar verzekerdheid en al haar vroolijkheid zeer zeker bedrogen uitkomen.
De wijsheid der wereld bedriegt zich zelf. Al wat zij najaagt is ijdelheid der ijdelheden. Al haar bedrijf is vol ongehoorzaamheid en gruwel. Het einde is gewisselijk-de dood.
Al haar beweging is onrust. Al haar doen onvrede. Al haar drukte ledigheid. Al haar schatten vergulde armoede.
Maar hoe moet Gods kind toch tot verzekerdheid komen? Hoe moet de belijdenis des harten worden: „ik heb geloofd, daarom spreek ik"?
Daar weet de Heere raad voor. Hij weet wat Zijn maaksel is. En Hij verstaat zoo goed, dat het volk, dat Hij zich overgehouden heeft „een ellendig en arm volk is. (Zefanja 3 : 12a.)
Als het volk zélf dat maar verstaan mag. Verstaan, dat het bij zichzelf arm en ellendig is. Verstaan, dat de Heere Zich zoo'n volk verkoren heeft, om dat volk te leeren en te leiden; om dit volk tot een Raadsman en tot een vervullend God te zijn.
Want als het volk bij zich zelf leeft is het rijk — maar in werkelijkheid arm. En als het uit God mag leven is het arm — maar in werkelijkheid rijk.
God kent Zijn volk. En de Heere weet, dat al Zijn kinderen ten slotte van éen natuur zijn. Zeker! er is groote verscheidenheid in den weg. Maar ten slotte zijn ze allen van gelijke natuur en van gelijke kracht. „Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten, hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten."
Zie maar op den dag van het Paaschfeest. Maria Magdalena is zooals Salome. Petrus is zooals Johannes. Klopas is zooals Thomas.
Zeker, ze zijn van onderscheiden karakter, van onderscheiden ligging — maar het vleesch is ten slotte het zelfde. En allen weten ze geen raad met de wegen en de daden Gods. Allen weten ze geen raad met den lijdenden en stervenden Christus. Ze weten niet wat ze denken moeten van den Heiland, die drie dagen en drie nachten sluimert in het hart der aarde. O! wat is het moeilijk voor Gods kind om wél verzekerd te zijn; om blijgeloovig den Heere te aanbidden en vastvertrouwend Hem te volgen.
En dat wil de Heere toch van Zijn „arm en ellendig volk, " dat zij „op den naam des Heeren betrouwen." (Zefanja 3 : 126.)
Hij wil toch, dat, als Zijn volk „in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat zij betrouwen op den naam des HEEREN en steunen op hunnen God." (Jes. 50 : 10.)
Waartoe Hij beloofd heeft: Ik zie hunne wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hunne treurigen. Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen." (Jes. 57 : 18, 19.)
De Heere weet raad.
Zie maar op de vrouwen. Ze zijn alles kwijt en ze zoeken of ze zich ook verlustigen kunnen in de aanschouwing van een dooden Christus. Zie maar op Maria Magdalena. Ze was zoo gelukkig met haar Goël. Ze wandelde in het licht. Ze had alles in Jezus. En nu liep ze van haar huis naar het graf, van het graf naar Petrus en Johannes, van de discipelen weer naar het graf.
Zie ook maar op de discipelen, vergaderd aan den avond van den eersten dag. De een ziet op den ander en samen weten ze niets.
Zie maar op de beide Emmaüsgangers, die saam zoo droef gestemd zijn en slechte vertroosters zijn voor elkander; goede' advocaten van een slechte zaak, wat zij in druk gesprek bewijzen.
Ze missen allen Christus. Ze missen allen hun. God. Ze hebben geen vrede in Gods wegen. Ze hebben geen licht. Ze missen de vroolijkheid. Ze voelen geen grond onder de voeten om op te staan.
Ja — de Heere heeft zich „een arm en ellendig volk overgehouden."
Gelukkig — dat Hij Zijn maaksel kent en er lust in heeft „om hen te geleiden en hun vertroostingen weder te geven."
De Heere maakt Maria Magdalena onrustig en als zij meent, dat, waar het graf geopend is, haar Heere weggenomen is — roept zij Petrus en Johannes. Waar de dingen van Gods Koninkrijk gevaar loopen, kan zij niet zwijgen. Zij, de vrouw, klopt de discipelen op. Ze moeten naderbij komen. Er mag geen lusteloos stil zitten zijn. Ze moeten in beweging komen.
0! wat beschamend voor de mannen! De vrouwen aan den voet van het kruis — en de mannen niet...
De vrouwen bij het graf — en de mannen niet...
Een vrouw moet de discipelen nog roepen, omdat er gevaar dreigt!
0! wat beschamend.
En gelukkig dat Petrus Jobaimes opwekt en dat Johannes Petrus helpt.
Petrus, de man van de daad, staat eerst op. Johannes, de apostel der liefde, laat zich opwekken en volgt. Johannes wordt aangevuurd door Petrus en overtreft Petrus ten slotte. (Joh. 20 : 8).
Wat gelukkig, dat er verschillende karakters zijn, onder Gods kinderen; en gelukkiger nog, wanneer de een den ander tot een voet mag wezen, opdat men samen doet, wat naar 's Heeren welbehagen is.
Zoo komen ze bij het graf. Zoo zien ze wat daar achtergebleven is in de plaatse des doods. Zoo bemerken ze, dat de Heiland er niet meer is.
En ja — laat het dan voor 't oogenblik voor Maria Magdalena, voor Petrus en Johannes nog niet leiden tot verzekerdheid, dat Jezus leeft — aanstonds zal wat zij nu gezien hebben moeten medewerken; om hun vaste verzekerdheid te geven van hetgeen geschied is, opdat ze, waar er 's morgens geween was, des avonds blijde mogen uitjubelen: „de Heere is waarlijk opgestaan!"
De Heere weet raad. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Hij wil hen „geleiden en hun vertroostingen wedergeven."
We zien het zoo kostelijk bij Maria Magdalena, bij Petrus, bij de Emmaüsgangers. Het wordt zoo letterlijk vervuld „Ik zal hen geleiden" en ook „Ik zal hun vertroostingen wedergeven."
De Heere zoekt zelf Zijn schapen op. Hij voegt zich bij Zijn dwalende lammeren. Hij ontdekt hunne oogen. Hij verlicht hun hart. Hij bevestigt hen in den geloove. Hij geeft hun blijde verzekerdheid. Hij schenkt hun blijde roemtaal. Door Zichzelf te geven. Door de Schriften te openen. Door Zijn Heiligen Geest in hunne harten uit te storten.
Dan is het raadsel opgelost. En het is een blij Paaschfeest. Een blij Paaschfeest voor „treurigen."
Gelukkig, dat de Heere raad weet. Dat de Heere Zijne kinderen wil geleiden en hun vertroostingen wedergeven. Als ze treuren gedenkt Hij hen in hun smart en verlatenheid, in hun wankelmoedigheid en kleingeloof.
En Hij wil komen om Zichzelf te geven. Om alles wat door Hem zelf gedaan is in Christus ordelijk voor oogen te stellen, stuk voor stuk. Om in en door de Schriften gansch den weg der verlossing bloot te leggen. Om door Zijn Heiligen Geest deel te geven aan de gewisse weldadigheden Davids.
Sions Heiland leeft nog en Hij is altijd nog dezelfde. Dezelfde voor „treurigen" om ben te geleiden en hun de vertroostingen weder te geven.
Kent gij dan reeds treurigheid vanwege uwe zonden? treurigheid vanwege uw Godsgemis? treurigheid vanwege uw weinige verzekerdheid in den geloove?
0! als de ziele wankelt en ten doode gegrepen is — dan ziet de Heere de wegen Zijner gunstgenooten.
Hij de medelijdende Hoogepriester, Hij bidt voor de Zijnen. Hij, de goede Herder, Hij zoekt de Zijnen. Hij, de groote Profeet, Hij leert de Zijnen. Hij, de eeuwige Koning, Hij noodigt de Zijnen aan het Bruiloftsmaal.
Kent gij dan reeds treurigheid vanwege uwe zonden?
Laat het graf, dat geopend is, u mogen troosten.
Want de Heere wil Zijn Sion troosten bij de geopende groeve; Hij wil Zijn gunstgenooten verblijden, nu de Heiland is opgestaan.
Gestorven voor de zonde — is Hij opgewekt ter rechtvaardigmaking.
En tot dat heil geleid te mogen worden; in die zaligheid te mogen deelen met een geloovig harte, dat geeft vertroostingen, waarbij de ziele mag ervaren: de Heere geeft Zijn arm en ellendig volk sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest I
Ween dan uw smart uit voor Gods aangezicht. Laat er tot God geroepen worden, als de ziele God mist. Laat de angst en de vreeze met biddingen en smeekingen worden bekend gemaakt voor 's Heeren aangezicht.
Laat er veel droefheid zijn over eigen zonde, kleingeloof, lusteloosheid en ongeloof.
En laat ook, waar in het midden van Gods Kerk, de dingen zoo droef gesteld zijn het aangezicht verraden dat het harte bange is en vreest — want de Heere wil, dat we ons hart uitstorten voor Hem, als onze geest overstelpt is.
O! als we geen weg met de dingen weten, laten we ze Hem klagen, die gezegd heeft: „roep Mij aan in den dag der benauwdheid." Want Hij heeft beloofd: „Ik zal er u uithelpen."
De Heere is zoo goed, zoo barmhartig en genadig. Zoo uitlokkend en zoo vriendelijk noodigend voor allen die benauwd van harte zijn vanwege de bekommeringen.
En Hij heeft beloofd voor al Zijn gunstgenooten; „indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden." (Jac. 1:5.)
Vraagt gij dan in oprechtheid: hoe, hoe kom ik tot de blijdschap des geloofs en de vreugde genieting der ziele in Christus?
Het Paaschfeest heeft ons bevestigd in de waarheid van Gods Woord: Ik zie hunne wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hunne treurigen." (Jes. 57 : 18.)
Opent uwen mond, Eischt van Mij vrijmoedig Op mijn trouw verbond. Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zoo gij 't smeekt Mild en overvloedig. ,
Ps. 81 : 12.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's