Uit het kerkelijk leven.
Oneerlijk.
In tal van plaatsen zijn door moderne predikanten weer vragen gesteld bij de openbare belijdenis die principieel verschillen met de vragen in art. 39 Regl. op het Godsdienstonderwijs voorgeschreven.
Men is vrij om de vragen zelf te formueeren — maar men is niet vrij om het beginsel in die vragen neergelegd te verwerpen en het door een andere waarheid te verwisselen, welke er principieel van verschilt.
Die b.v. de drieëenheid Gods ontkent, die het wonderbaarlijke in Christus loochent, die Golgotha eenvoudig de bevestiging noemt van de overtuiging van Christus, die het kruis alleen ziet als een symbool van den lijdensweg des Christens — die veschilt principieel met den geest en met de hoofdzaak van de leer der Herv. Kerk en kan en mag geen predikant zijn in de Herv. kerk en mag ook in die Kerk geen vragen stellen bij het doen van belijdenis, die prinipieel verschillen van de vragen door de kerk in art. 39 omschreven.
En daarom als moderne menschen hun rechten in de Herv. Kerk willen bewijzen, door te zeggen: „we zijn toch toegelaten in de Kerk!" — dan antwoorden we: „da's waar, maar hoe?"
Is de predikant, die moderne leerlingen toeliet, zoo eerlijk geweest om zijn beroepsrief te laten zien, waarin staat, dat hij bij zijn prediking en bij zijn onderwijs niets anders zal verkondigen dan 't geen naar Gods Heilig Woord is? En heeft hij ook laten zien, dat allen die met den geest en met de hoofdzaak van de leer, neergelegd in de Ned. Geloofsbelijdenis, in den Heidelb. Catechismus en in de Leerregels van Dordt, verschillen niet in de Herv. Kerk thuis hooren ?
Heeft hij ook gezegd, dat het altijd de eerlijke bedoeling geweest is in de Herv. Kerk, dat men, vrij in bijkomstige dingen, in hoofdzaken met elkaar zou overeenstemen, opdat het huis niet tegen zichzelf verdeeld zou raken?
En heeft hij, als wetenschappelijk en ethisch ontwikkeld man, niet verteld, dat ieder het zedelijk recht mist om den naam te blijven dragen, als de waarheden, in dien naam vervat, worden prijsgegeven?
De naam Hervormd heeft een degelijk erkende historische beteekenis gekregen en het is alleen een ruwe conscientie en een verstompt hart, dat den naam wil blijven houden ls het wezen wordt verworpen.
Wie kan het met een eerlijk gemoed bevestigen Hervormd te zijn, in de Hervormde kerk thuis te hooren — als alles wat kenerkend Hervormd is, verworpen wordt?
De leer van de Schrift, de leer van de acramenten, de leer van de tucht verwerpt men.
De leer aangaande de drieëenheid Gods, angaande het verzoenend lijden en sterven van Christus, aangaande de opstanding des vleesches loochent men.
Eigenlijk mist men élk aanrakingspunt met de leer der Hervormde Kerk.
En daarom handelen de moderne predianten oneerlijk als zij bij het toetreden als proponent in de Kerk, welbewust met en geest en met de hoofdzaak der Herv. leer verschillend, beloven overeenkomstig die leer te zullen spreken en handelen.
Ze handelen oneerlijk, als zij met onderteekening van hun beroepsbrief beloven in het midden van de Herv. Kerk niet anders te zullen spreken en handelen dan overeenomstig Gods Heilig Woord.
Ze handelen oneerlijk, als zij ook anderen bewegen om maar tot de Kerk toe te treden als lidmaten, al verschillen ze met den geest der Hervormde leer en al draagt hun levensbeschouwing een gansch ander karakter.
Zij die geroepen zijn om op de gemeente toe te zien en te waken voor de belijdenis en den wandel der gemeenteleden, zij moesten zelf beginnen met de belijdenis in geest en hoofdzaak toe te stemmen en anderen te verhinderen, dat zij zich niet verbinden aan een kerk, waar ze niet thuis hooren. Maar we leven wat dit betreft in treurige dagen.
Want waar men alle zedelijk recht mist om in de Herv. Kerk de grondslagen van de Herv. Kerk te ontkennen en om te woelen, daar gaat men rustig voort in deze, bewijzende dat de conscientie niet meer spreekt , en het gevoel is afgestompt.
Laten we den ernst van déze schrikkelijke omstandigheid toch gaan voelen.
Laten we niet in het paradijs van den dwaas gaan wonen en de handen voor de oogen houden of zeggen: 'tis zoo erg niet.
Laten we ook niet onzen intrek nemen in den kring van hen, de God verzoeken, door te zeggen: de Heere moet het maar anders maken — wij doen niets.
Laten we den ernst van den toestand gevoelen.
Laten we met Maria Magdalena uitschreeuwen : „zij hebben mijnen Heere weggenomen."
Nooit was er dringerder behoefte aan de stemmen der getrouwen dan nu — om voor de waarheid der Schrift, om voor de leer der Kerk op te komen!
Handhaving der belijdenis.
In de artikelen-reeks die Dr. J. H. Gerretsen Herv. Pred. te den Haag schreef over „Plaats en Taak van de Hervormde Kerk" (over welke artikelen-reeks evenals over de artikelen-reeks van Dr. Slotemaker de Bruine, D. V. spoedig in „de Waarheidsvriend" zal gehandeld worden) komt o. a. in No. 3 (16 Nov. 1912) een stukske voor over kerk, belijdenis en handhaving van de belijdenis, waarvan we een paar regels overnemen. 't Is dit:
«In dit artikel moet nu het moeilijke vraagstuk van de handhaving der belijdenis onder de oogen wordt gezien. Dit vraagstuk is moeilijk. Velen meenen, dat het onoplosbaar is. Ik ben niet van deze meening. Ware dit inderdaad het geval, dan zou daarmede tevens bewezen zijn, dat het bestaan van een Kerk eene onmogelijkheid was.
Een Kerk toch, hoe hare belijdenis niet handhaaft, die dus allerlei richtingen en stroomingen in haar midden.duldt, welke misschien lijnrecht tegen de kern van hare belijdenis ingaan, vertoont een beeld van wanorde, dat met haar eigenlijk wezen in strijd is. Immers is de Kerk juist het levensterrein, waarop de macht der zonde moet worden gebroken. Zonde nu is egoïsme. Waar egoïsme is, is alle samenwerking een onmogelijkheid. Waar zonde is, is disharmonie, anarchie. Heerscht nu in de Kerk de anarchie, dan is zij precies het tegenovergestelde van wat zij wezen moet n. l. plaats van openbaring van orde, harmonie.
Daarom moet er in een Kerk tucht, dat is orde gevonden worden.
Een Kerk zonder tucht is geen Kerk meer.
Deze dingen moesten toch eigenlijk vanzelf spreken. Dat velen een toestand van verwarring dragelijk, ja misschien wel normaal vinden, is een bewijs hoeverre wij van de waarheid Gods zijn afgeweken.
De confessioneelen, die tegen dezen toestand opkomen, staan verre boven alle «ethischen», die zich bij dezen toestand, zonder eenig protest, neerleggen.»
Onze Scholen.
Wat is er op schoolgebied véél veranderd.
De Overheid wilde schoolmeesteren. Zooals de heidensch-grieksche opvatting was: de Staat moest de kinderen opvoeden tot staatsburgers.
Waartegenover staat de bijbelsch-christelijke opvatting: de ouders hebben hunne kinderen op te voeden in de vreeze des Heeren.
Zoo oud als Gods Woord is, zoo oud is ook de regel: de ouders moeten zorgen voor hun kinderen. Lees Deut. 6 : 7; Ps. 78 : 5 enz.
De idee van de Openbare School is dus zuiver heidensch. De Staat laat in het openbaar van Staatswege de kinderen onderwijzen in 't geen zij als toekomstige staatsburgers noodig hebben.
De idee van de bizondere, van de Christelijke School is dus geheel Bijbelsch: de ouders zorgen er voor dat hun kinderen onderwijs ontvangen tot eere Gods, tot welzijn voor eigen levensweg.
Nu wilde men aanvankelijk niets weten van dat bizonder, van dat christelijk onderwijs.
Vader Staat zag het met leede oogen aan, dat de School aan de Ouders kwam en dat de kinderen werden onderwezen naar den eisch Gods in Zijn Woord ons bekend gemaakt.
En geen middel is onbeproefd gelaten om het bizonder, het Christelijk Onderwijs den kop in te drukken.
Evenwel de Heere heeft het voorspoedig gemaakt.
In het jaar 1857 waren er 58 Christelijke Scholen; in 1891 waren er 500, in 1901 waren er 651 en nu in 1913 zijn er bijna 1100,
1100 Protestantsche Scholen; Scholen met den Bijbel — waar ongeveer 170 duizend kinderen onderwijs naar de Schriften ontvangen.
Voor een goed deel onderhouden door den Staat — maar in 1912 gaven de protestantsche christenen alleen in de Unie-collecte toch nog 100 duizend gulden voor hun Scholen met den Bijbel.
O! wat heeft de Heere groote dingen gedaan; dies zijn wij verblijd.
En nu willen we niet weten van accordeeren met den Staat. Nu willen we niet hooren van halve maatregelen met het Openbaar Onderwijs.
We blijven met ernst en met kracht vragen aan een Christelijke Overheid: doe wat Gods Woord u beveelt.
Geef aan de Ouders volledige vrijheid om hunne kinderen naar den eisch van Gods Woord te onderwijzen en steun die Scholen met alle krachten, naar 't geen billijk, behoorlijk, wenschelijk, noodig is.
Vader Staat doe ons recht.
Ga zelf geen Orthodoxe, neutrale, Roomsche en Joodsche Scholen oprichten. Met vier aangezichten tegelijk loopt Gij tegen vier muren U te pletter.
Geef vrijheid aan de Ouders en Gij doet recht in het midden van Nederland, dat Gods Woord nog niet vergeten is en dat prijs stelt op de vrijheid van zijn burgers.
Onze Jongelingsvereenigingen.
We lazen ergens: „De Jongelingsleeftijd is de tijd van het schoonste idealisme. De tijd, dat hij het leven voelt trillen in lederen droppel van zijn bloed.
Met hoopvol verlangen blikt hij de toekomst in. Zijn leven wordt niet gesymboliseerd door den stuggen, stoeren winter, met zijn' kouden noordenwind en zijne gure stormen. Neen, zijn beeld vindt hij geteekend in de lente, die bekoorlijke jonkvrouw.
Het tijdperk, waarin de vogels jubelen in de takken, waaraan de dauwdroppels in de morgenzonnestralen als smaragden schitteren, is een symbool van zijn schoon leven, zooals hij het uit de hand van zijn' God ontving.
En in dien tijd heeft hij zich te bekwamen voor den strijd, die hem wacht.
Om met de banier omhoog, waarop ons „Pro Rege" is gegrift, den Koning te dienen wiens geboortefeest wij vierden.
Daartoe is noodig, dat hij de beginselen kent, die voor Kerk, Staat en. Maatschappij gegeven zijn.
Waar moet hij nu deze kennis, die voor hem onmisbaar is, opdoen? O. i. in de Jongelingsvereeniging op Geref. grondslag. Daar wordt voortgezet de arbeid, die in het huisgezin en de catechisatie is aangevangen. De Jongelingsvereeniging op Geref. grondslag is zulk een kostelijk paedagogisch instituut, waar het karakter van d«n jongeling gevormd, zijn blik verruimd en zijn verstand verhelderd wordt."
Daar stemmen we hartelijk mee in.
Laten er toch overal Jongelings-Vereenigingen op Geref. Grondslag mogen komen, en laten onze Herv. jongens toch mogen leeren verstaan wat ook hun roeping en taak is.
Onze Geref. beginselen zijn zoo waard, dat ze besproken en bepleit worden en onze dagen hebben het zoo broodnoodig dat er een corps van jonge mannen aanrukt om de gelederen in den strijd voor de waarheid aan te vullen en te versterken.
Een vraag aan „de Heraut."
Overnemende wat wij schreven onder het opschrift „geen plaats" (zie No. 16), verklaart „de Heraut" dat het goed is, om óok te staan naar een Kerkorde, die overeenstemt met onze Geref. Belijdenisschriften. Maar „de Heraut" zegt dan niet te begrijpen, hoe wij spreken kunnen van „de Gereformeerde Kerk van Nederland" — daar het toch zijn moet Geref. Kerken.
Nu zijn we voor dat woord Kerken niet bang, evenmin als onze Geref. vaderen er bang voor waren.
Maar in verband met de Kerke-ordening zouden we willen vragen aan „de Heraut" moet hier niet van „de Geref. Kerk" gesproken worden? " en zou Kerken hier niet foutief zijn?
Is in Kerke-ordening het woord Kerk niet een enkelvoud gelijk blijkt uit de Fransche en Latijnsche vertaling: ordre de l'Eglise en ordo Ecclesiae?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's