De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittend aan de rechterhand Gods. Coll. 3:1.

Indien gij.........zoo.

De natuurlijke mensch heeft het zwaartepunt van zijn leven verlegd van den hemel naar de aarde. Daarvan is al zijn verwachting. Daarop is al zijn lust. Hij spreekt er nooit van als van de plaats zijner vreemdelingschap. Integendeel, hij is op deze aarde thuis. Hij ziet nooit verder dan de gezichtseinder van dit leven.

Maar daarover denkt hij weinig. Immers, zijn binnenste gedachte is, dat zijn huis zal zijn in eeuwigheid, zijn woning van geslachte tot geslacht." Met al wat hij doet en denkt, blijft hij binnen den kring van de dingen dezer aarde.

Naar 't eeuwige leven vraagt geen. 

Zoo is ons aller toestand door de zonde geworden. Van nature kennen wij geen blikken over dood en graf, geen zalig verlangen naar Gods heerlijk en eeuwig Koninkrijk. Wij gaan op in deze wereld. Van haar verwachten wij alle geluk. Daarom oök die geweldige strijd, die daar gaat door de kinderen der menschen om toch zooveel mogelijk deelachtig te worden van het goed, dat de wereld ons biedt. Wij zullen immers met de wereld gelukkig zijn.

Nu worden wij daarin wel bedrogen. De wereld geeft niet en kan ook niet geven, wat wij ervan verwachten. Vandaar onze moeite, ons verdriet, onze teleurstellingen in dit leven. Wat zijn er al niet veel verwachtingen beschaamd, wat zijn er al niet een idealen verbleekt!

En toch — blijven wij het van de aarde verwachten. Niet licht laat de mensch zich ontmoedigen. Hij gaart telkens weer nieuwe kracht en bij elke teleurstelling gaat de mensch opnieuw aan den arbeid, om het ook telkens weer te ervaren, dat de wereld en al haar goederen hem niet gelukkig kunnen maken.

Want de wereld met al wat zij heeft en geeft, met al haar schijnschoon, is arm en ledig. En wie het van haar verwacht, vergaat het gelijk een hongerige, die droomt, en zie, hij eet; maar als hij ontwaakt, zoo is zijn ziel ledig; of gelyk als wanneer een dorstige droomt, en zie, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, zie, zoo is hij nog mat en zijn ziel is begeerig.

Hoe dwaas van den mensch, dat hij zich meesleuren laat door den stroom der zienlijke dingen! Dat is de dwaasheid onzer zonde. Dat is de vrucht van onzen val. Wij zien niet naar datgene wat tot in eeuwigheid blijft. We schouwen slechts aan wat voor oogen is. Uit de aarde zijn wij aardseh. Verwondert u daarom niet, dat tot u gezegd wordt: Gij lieden moet wederom geboren worden.

Dank zij Gods genade worden er gevonden, die aan dat wonderbare werk der wedergeboorte deel .hebben. Die het dan ook kunnen zeggen met een gevoel van innigen dank: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hope door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden."

Tot dezulken richtte de apostel Paulus zijn vermaan: ~ „Indien gij dan met Christus zijt opgewekt, zoo zoekt de dingen die boven zijn." Het is de roeping van den Christen om nu ook naar het voorrecht, hem in 's Heeren opstanding geschonken, te wandelen in vreeze den tijd zijner inwoning. Voor heel de wereld moet het nu aan hem gezien worden, dat in zijn hart iets woont van het: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft en zichzelf voor mij heeft overgegeven.

Het burgerschap en het vaderland van den Christen is boven. Nu moet hij ook wandelen met het aangezicht naar Jeruzalem. Hij moet bedenken de dingen, die boven zijn. Wil dat dan zeggen, dat de wereld niet de minste beteekenis heeft? Wil dat zeggen, dat wij ons in het geheel maar niet met de dingen hier beneden moeten inlaten? Zou dat de bedoeling van den apostel zijn, dat wij de wereld maar moeten verachten? Dat wij liefst zoo ver mogelijk ons er van af moeten houden ?

Het is — de geschiedenis leert het ons — vaak in dezen zin opgevat. Denk slechts aan die eenzame kluizenaars, die achter dikke, kloostermuren zich terugtrokken, ver, heel ver van het wereldsch gewoel, om zoo beter en waardiger God te kunnen dienen. Dat is de Roomsche idee. Wie God eigenlijk goed wil dienen, moet daar afstand doen van de wereld rondom hem.

Ik hoor al iemand zeggen: ja maar die menschen vergeten, dat de meest verlokkelijke wereld huist in ons eigen hart. Gij hebt gelijk. Het is zoo. De dingen dezer wereld zouden niet zoo'n machtigen invloed op ons oefenen, zoo wij geen wereld in ons hadden. En toch schijnt deze opvatting, dat wij eigenlijk het beste doen met hooge minachting op de wereld neer te zien en ons maar op een afstand te houden — ook nog wel aanhang te hebben bij ons. Hoevelen zijn er niet, die liefst met „een boekje in een hoekje" wegschuilen! O daar zijn er zelfs niet weinigen, die niets voelen voor eenige actie naar buiten. Ze hebben — zooals zij zeggen — een afkeer van holle leuzen. Ze moeten niets hebben van den vleeschelijken ijver, waarmee sommigen ijveren.

Nu in dit opzicht hebben ze volkomen gelijk. Het kan niet worden ontkend, dat veler Christenen doen niet bijster veel verschilt van wat de wereld ons geeft te aanschouwen. Onder den vromen schijn van op te komen voor de eere Gods, wordt niet zelden eigen eer en eigen voordeel gezocht. Als dit laatste maar wordt bereikt, wordt het met 't eerste zoo nauw niet genomen., In de middelen, die tot het doel moeten voeren, is men niet altijd even kieschkeurig. Worden anderen al getrapt, wat zou het, als men zelf stijgt. Het is geen wonder, dat bij de ervaring en bij het zien dezer dingen menig ernstig mensch zich afkeert en zich terugtrekt van al dat wereldsch gedoe.

Te verklaren is dat zeer gemakkelijk — en toch mag het niet. Het „zoeken van de dingen die boven zijn" sluit niet in, dat de dingen dezer aarde voor ons niet de minste beteekenis zouden hebben.

Integendeel. Maar weet ge, wat het ons wel leert. Dit. Dè dingen dezer wereld op de rechte waarde te schatten. Ze moeten gezien worden in het licht der eeuwigheid. Ook voor het aardsche hebben we een roeping, een taak. Het licht van boven moet er echter over glanzen. En waar dit geschiedt, daar hebben de dingen, die boven zijn, den voorrang. „In de wereld en niet van de wereld" — zoo moet het zijn met een kind van God.

Hoe noodig is het, dat Gods kinderen ook daaraan herinnerd worden. Ach ook zij hebben nog zoo heel vaak van datgene, wat hen naar beneden trekt. De eeuwenoude klacht: „Mijne ziel kleeft aan het stof" is nog nieuw. Het leven uit God geboren ligt vaak bedekt onder de asch dezer wereld. Dan is er geen opzien naar boven, geen hemelschgezindheid, geen heimwee naar Christus.

En dat zou zoo blijven ook, als God Zijn kinderen niet telkens bij vernieuwing opzocht.

Maar hierin blinkt Gods eeuwige trouw. Hoe ver Zijn kind ook afwijke, toch zoekt de Heere het telkens weer op. Daartoe gebruikt God allerlei middelen. Niet het minst worden de tegenheden en teleurstellingen dezes levens hun toegezonden, opdat Gods kinderen tot de erkentenis zouden komen van het „hierbeneden is de ruste niet" en daardoor geleerd, zouden zoeken de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods.

Tijden van druk zijn gewoonlijk voor Gods kind de slechtste tijden niet voor z^n zieleleven. Als de Heere dan u tegenkomt met Zijn slaande hand, o murmureer en klaag niet — maar zie op het doel en merk het op, hoe aan Gods roede nog honig kleeft. Na dezen zult gij het moeten betuigen: „Ik dank u, Heere, dat gij toornig op mij zijt geweest, maar Uw toorn is afgekeerd en Gij vertroost mij."

Wanneer God Zijn kinderen nooit tuchtigde, ze zouden de pinnen hunner tent steeds dieper in de aarde gaan slaan en vergeten, dat hun burgerschap boven is, waarom hun wandel dan ook in de hemelen moet zijn. Daarboven ligt hun gerechtigheid, hun blijdschap, hun kroon. Immers daar is Christus, zittend ter rechterhand Gods, gekroond met eer en glorie, genietend de vreugde, die Hem was voorgesteld. Zonder Christus zou voor Gods kinderen de hemel dan ook geen hemel zijn. Zoo zij er Christus niet vonden, hun blijdschap zou geen blijdschap zijn. Dat is juist het kenmerk van het kindschap Gods. De geloovige wil gaarne in den hemel zijn, niet zoozeer om den hemel zelf, maar omdat Christus daar is, met wien nu reeds hun leven verborgen is in God.

Vele menschen willen wel in den hemel zijn, doch, waarom? Ze hebben gehoord, dat daar niets is dan blijdschap en vrede en zaligheid. Geen moeite, geen rouw, geen gekrijt — en hier op aarde is van dat laatste zooveel. Wie zou dan niet in die plaats willen zijn, waar loutere zaligheid ons deel is?

En toch, als wij geen ander motief hebben om in den hemel te willen zijn, dan staat het met ons .nog niet goed. Dan hebben we nog nooit recht gezocht de dingen, die daar boven zijn. Het aller voornaamste trok ons dan niet aan, dat is Christus. Zoolang deze Schoonste der menschenkinderen geen gedaante of heerlijkheid voor ons heeft, hebben we ook nog nooit recht gezocht de dingen, die daar boven zijn.

Daarom komt tot ons de vraag: Kent gij Christus? Kent gij Hem als uw Heiland? Hij wordt u gepredikt als den eenigen Naam, die onder den hemel is gegeven, waardoor wij moeten zalig worden.

Wee hem, wee haar, wee allen, die Christus blijven verwerpen. Voor hen komt straks de ure, waarop zij van allen en alles, wat de aarde geeft, afscheid moeten nemen. Wat zal het dan zijn? Zonder Christus het doodschaduwdal in, zonder Christus straks voor den Heiligen God — o dat is voor eeuwig wegzinken onder Zijn toorn. Voordat gij dan uw voet zoudt stooten aan de schemerende bergen, den Heiland gezocht. Hij laat zich vinden door allen, die Hem zoeken. Wie tot Hem komt, zal Hy geenszins uitwerpen. Nog noodigt Hij u, ook door dit woord. Komt dan, zondaars, hoort Zijn stem en uw ziel zal leven en in de woning Gods ervaren, dat er lieflijkheden zijn in Zijn Rechterhand, eeuwiglijk en altoos.

Kinderen Gods, laat het in uw leven gezien worden, dat gij van Christus zijt.

Laat dat gezien worden in woord en daad. Wandelt waardig de roeping, waarmee gij geroepen zijt. Zoekt de dingen, die boven zijn. Doodt uw leden, die op de aarde zijn. Uw harten hemelwaarts. Daar is Christus, uw Heiland. Hij leeft en gij zult leven met Hem. Hier is alles ten deele, straks echter in volheid. In den hemel lokt geen zonde meer. Daar houden de bestrijdingsn des geloofs voor eeuwig op. Uw geloof is daar verwisseld in zalig aanschouwen.

Met Jezus te zijn. Hem te zien, van aangezicht tot aangezicht. De voorsmaak daarvan doe u hier „amen" zeggen op de heimweeklanken van den Godgewijden zanger:

Maar, blij vooruitzicht, dat mij streelt, .Ik zal ontwaakt, Uw lof ontvouwen, 

U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw godd'lijk beeld..

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's