De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een Scheppingsdag.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Scheppingsdag.

17 minuten leestijd

Daar zij een uitspansel in het midden der wateren.. (Gen. 1:6.)

't Moet betrachting vinden, dat woord van den psalmist: „Ik zal juichen over de werken Uwer handen, " door de Kerke Gods. En daarvoor zal de kennis omtrent het werk Zijner handen niet mogen ontbreken. Vóór dat belijdend juichen zal 't verstaan moeten worden: O Heere, hoe groot zijn Uwe werken ! Dan stemt ook 's menschen tong mee in met de harmonie der sferen, want immers de hemelen vertellen Zijn eer, en het uitspansel Zijner handen werk.

Is het niet in het boek van Job, dat telkens weer ons oog wordt opmerkzaam gemaakt op dat Scheppingsgewrocht boven ons? Weet gij de ordinantiën des Hemels? (Job 38:33). Die vragen telkens weer, ze wekken op, ze vermanen om te leeren kennen Zijne wonderen in 't heelal ten toon gespreid. Zoo werkt het weten aanbidden,  want: hoe groot moet Hij niet zijn, die 't al geschapen heeft.

Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken, de wonderheden desgenen die volmaakt is in wetenschappen ? (Job 37:15).

Alles is Uwe! Schroom toch niet om de natuurbeschouwing in te dragen in den kring uwer meditatiën. „Is.niet God in de hoogte der hemelen? " (Job 22:12).

Ook daar ontmoet gij den Geest uws Gods.Immers: voor Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd. (Job 26:13). Of behoort dit alles slechts tot de tijdelijke weelde, die Zijn volk hier beneden geniet? Maar gij weet toch dat hemel en aarde mee begrepen zijn in de wedergeboorte straks aller dingen: Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde!"

Laat ons dan iets zien, iets begrijpen, van dien hemel, hoog boven ons sterfelijk hoofd. We zullen er te beter door begrijpen hoe klein wij zijn tegenover Hem, die: groote dingen doet, die men niet onderzoeken kan, en wonderen, die men niet tellen kan (Job 9: 10).

Bij een oppervlakkig lezen, moet men dien tweeden Scheppingsdag wel tamelijk ijl vinden. „Een uitspansel, " in't Fransch: étendue (ruimte). Zoo schijnbaar contrasteerend met dien eersten dag, met dat machtig accoord: Er zij licht.

En echter, wordt juist dit uitspansel Zijner handen werk genoemd, een werk vol arbeid. God noemde dit uitspansel ook Hemel, maar 't Hebreeuwsche woord er voor: „rakiah" zegt ons reeds, dat niet bedoeld is, de hemel der heerlijkheid, de vaste woonstede onzes Gods.

Bedoeld is dus: het firmament. Het oorspronkelijk woord heeft de beteekenis van: verbreiden, uitbreiden, uitrekken, uitspannen. Van daarook in de Duitsche taal voor uitspansel: Arfsdehnung (uitbreiding). Zoo begrijpen we het woord in Ps. 104: Hij rekt den hemel uit als een gordijn, " wat overeenkomt met Jesaja's woord: „Hij is het die de hemelen uitspant als een dun doek."

En ook Job vraagt weer: „ Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen? "

Hoe stelt dus het Woord ons dien Scheppingsarbeid in den tweeden tijdkring voor? Eerst zweefde Gods Geest op de wateren. Dus de aarde was omgeven van een wateromhulsel. Nu worden deze gescheiden en ontstaat dus door die scheiding de wolkenhemel en het uitspansel. Op den volgenden dag wordt verder de aarde, met het neergeslagen water toebereid, zoodat straks plantenleven mogelijk is. Maar dit moet nu begrepen: geen leven mogelijk zonder dat werk op den tweeden dag. Reeds hierom, wijl nu de lichtgolven kunnen doorbreken tot de aarde. - Want zonder licht geen leven! Maar vooral: In dien lichtgordel, in dat uitspansel, heeft God aan de aarde de grote voorraadschuur van voedsel ontsloten. Dat is de Alma Mater, de voedende moeder, die al het leven op de aarde zal voeden. — Daarover straks meer.

Het Scheppingswerk omvat dus op den tweeden dag ook twee zaken. Wolken en uitspansel (lucht). Schijnbaar zijp dat twee verschillende substanties: wolken en lucht. Inderdaad is lucht verijld water. Lucht is, naar de uitspraak der natuurkundigen, een zachte, veerkrachtige vloeistof. En de scheikunde verduidelijkt nog beter het begrip door omgekeerd aan te toonen dat water uit twee gassen bestaat.

Klaar als de dag blijkt dus, dat slechts, sprake behoefde te zijn, van een uitrekken, een verijlen, om te komen tot de schepping van het uitspansel, het firmarnent, de damp kring. Vooral dit laatste woord spreekt. Een kring van damp (lucht). En letten we niet op het wezen van dezen luchtkring, maar meer op den indruk welke die omhulling óp ons maakt, dan is daar weer het woord firmament, van Latijnschen oorsprong, (met de grond beteekenis vast, stevig) dat naar voren roept, al die kostelijke beelden in bet Woord die allen hetzelfde aanduiden. Of vraagt Elihu niet weer in Job: Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zjjn als een gegoten spiegel? Kan het nog schooner tezamen gezegd?

Bekend is dus, wat we onder uitspansel moeten verstaan volgens Gods Woord zelf en tegelijk blijkt, dat de officieele wetenschap tot dezelfde beschouwing is gekomen.

Stellen we nu ook vast, wat het tweede deel behelst van deze scheppingsdaad. Boven dit uitspansel verzamelde de Heere een gedeelte van deze watersluier en formeerde ze tot wolken.

Dat zijn de opperzalen, genoemd in Ps. 109 nadat de dichter spreekt: Hij rekt den hemel uit als een gordijn. Immers: Die zijn opperzaien zoldert in de wateren, die van de wolken zijn Wagen maakt: Hij drenkt de bergen uit zijne opperzalen. En weer vraagt de Heere aan Job: Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien? Zijn de beelden weer niet in treffende overeenkomst?

Èn met troonzalen èn met schatkameren zijn aangeduid de wolkenmassa's daarboven ons, het werk Zijner Handen op den tweeden dag. 't Is naar een wijs bestel, dat het water zoo gebonden is in wolken.

Zoo is dus de tweede scheppingsphase niet alleen het formeeren van een ruimte, maar tevens van een inhoud, een substantie in die ruimte : Hij maakte het uitspansel. Anders, geheel anders dan op den eersten dag. Toen was het formeering van licht, dat is beweging. Nu, en daarin ligt de groote beteekenis, wordt stof geschapen; En juist door dezen luchtband om de aarde heen, komt de beteekenis van het geformeerde licht pas tot zijn recht.

Zonder lucht zou het licht een ware plaag voor het menschdom zijn. Stel u dan voor, alles zou zwart zijn en door die donkerte heen zouden spookachtig, scherp hier en daar lichtkanalen doorboren. In dat licht zou geen mensch de oogen op kunnen slaan, en er buiten zou het pikzwarte duisternis zijn. Dat is haast niet in te denken en toch, dat nu zacht harmonisch het licht verdeeld is, komt door de luchtstof, die het licht verdeelt naar alle zijden. Zonder lucht zou nooit iets anders, dan één kant van een lichaam te onderscheiden zijn. Indien nog leven mogelijk ware, het zou in letterlijken zin een waar. „eenzijdig" leven zijn. Maar behalve lichtstralen doorkruisen ook de warmtestralen deze luchtlaag en als een mantel zorgt nu de dampkring dat de aarde, die wel snel de warmte opneemt, maar ook weer even snel verliest, geregeld verwarmd wordt en die warmte ook regelmatig behouden blijft. Ook zonder dezen régulateur om ons heen, zou het leven van plant noch dier mogelijk blijken.

Zoo is dus duidelijk het verband, dat bestaat tusschen het werk op den eersten en tweeden scheppingsdag. Beschouwen we nu dit uitspansel op zich zelf. In de eerste plaats het bovenste gedeelte: den wolkenhemel. Wie nooit op zee slechts zag wolken en water kan zich bezwaarlijk een gedachte vormen van dit wolkenheir. Wat zien wij er van. Ja als een onweershemel zich boven ons samenpakt, dan zien we iets van het grootsche. Doch er zijn plaatsen op deze aarde, b.v. in Noord-Amerika's koude zone, waar voortdurend een dikke wolkenmassa haar stroomen afgiet naar omlaag. Daar ondervindt men de beteekenis er van eerst recht. Al die machtige rivieren, gevormd uit beekjes komen van boven en weer haalt de zonnekracht al dat water omhoog en vormen zich daaruit nieuwe wolken. Welk een machtig werk! Een geleerde heeft uitgerekend, dat wanneer alle aardbewoners uit de zee voortdurend water schepten, deze menschen 70, 000 jaar noodig zouden hebben om het water te verplaatsen dat de zon in een jaar omhoog trekt, 't Is alles noodig voor de onderhouding der Schepping en wat bemerken wij menschen weinig van dit werk des Vaders, die ook hier: tot nu toe werkt, , „die wolken, lucht en winden, geeft wegen, loop en baan". — Deze wolken'zijn het die met de winden twee machtige factoren zijn tot de vorming van het klimaat der landen.Ziet gij, zoo wordt dus ook dit scheppingswerk dienstbaar gemaakt, om van deze aarde een bewoonbare aarde te maken. Want vergeet niet ook de winden zijn gevolg van den scheppingsarbeid. op den tweeden dag. Ware er weer geen verschil in klimaat, heerschte ook te dien opzichte eenvormigheid, het leven ware nauwelijks denkbaar, want waar bleef de verscheidenheid in planten, zooals ze nu in haar gordels de aarde omtrekken ? De rijkdom van Gods scheppingsgedachten treedt in den détailarbeid nog luisterrijker in 't licht. Zie toch ook die neerslag komt telkens in andere gestalten, 't Is regen, maar ook sneeuw, ook hagel. „Hij geeft de sneeuw om't land te dekken, en tot een warme wol te strekken."Het bijdoel van den neerslag komt weer uit; tegelijk levert het weer een warm kleed tot beschermhig tegen het bedreigde leven. En weer treedt hier naar voren de beteekenis van den wind. Deze regelt ten slotte weer gaan en komen van koude en warmte. Want waait zijn wind, de waa'tren vloeien.

Als het evenwicht in de geschapen krachten dreigt verbroken te worden en de zon blaakt en schroeit en dienstbaar wordt aan 't graf, dan komen de wolken en 't wordt waar: met handen bedekt hij het licht" (Job 36 : 32). Neen, er is daar boven ook geen toeval dat heerscht. Hij maakte den een regen gezette orde (Job 28:26). Ja zelfs als de elementen boven ons losbarsten en alles opschrikt door het gebrul van Zijnen donder, dan nog is het God die ook daarin regeert. O welk een troost voor Zijn kinderen, want: Hij maakte eenen weg voor het weerlicht der donderen."

Waartoe dient nu toch die uitstorting der wolken en dat telkens terugkeeren der druppelen naar boven, want immers zegt Job weer (Job 36:27): Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen naar zijnen damp uitgieten." Waartoe dat alles?

Weer om  te zorgen, dat uit de aarde straks brood voort kan komen. Daartoe helpt niet dat water, 't welk op den derden dag zijn plaats ziet aangewezen in de zeeën. Zou steeds de regen het noodige water aan de plant moeten geven,  want de plant is voor een groot deel water, dan onttrok ook telkens de wolk het zonnelicht en hare warmte belette den groei. Neen, daarom juist die verscheidenheid van neerslag. Boven op de bergen, daar waar de groote gletschers zich uitstrekken, is het groote reservoir, waaruit zelfs op de droogste zomerdag er water genoeg wordt gevoerd naar de laagvlakten, waar ons voedsel rijpt. Voor niets zingt de geloovige vlaktebewoner niet: Ik hef mijne oogen tot de bergen, vanwaar mijn hulpe komen zal. De met sneeuw bedekte toppen der Alpen, zelf beroofd van alle leven, zijn weer mee de instrumenten om het leven te onderhouden op aarde. Welk een wijsheid van den Schepper. Hoe warmer toch, hóe meer sneeuw er smelt, en hoe meer het water, d. i. het „bloed der aarde", in millioenen aderen afloopt. Deze heele kringloop heeft inderdaad veel overeenkomst met den bloedsomloop bij den mensch. Eensdeels dient deze om door zijn slagaderen versch bloed door het lichaam te brengen en anderdeels het verbruikte weer af te voeren. Zoo is de bovenloop van al die stroomen op de aarde de slagader die het zuiver water tot opbouw van het leven geeft, en de benedenloop brengt het verbruikte water af naar de zeeën, vaüwaar het weer opgetrokken wordt. Zoo zijn de zeeën de longen der aarde. Maar deze kringloop dient tot meer. Het draagt de bergen weg! Ja, het water draagt de bestanddeelen der gesteenten omlaag, en de fijnste verdeeling er van levert onze bouwaarde.

Als het Woord, waardoor alles gemaakt is, vleesch werd en de Christus op deze aarde vertoefde, sprak hij eenmaal de gelijkenis van den zaaier en voor menigeen is daar wat duisters in. Nietwaar, de rots, we begrijpen het, daar groeit geen zaad, maar die „goede grond", hoe zit dat. Sprak Jezus het misschien uit, dat er verschil is tusschen zielen en zielen ? Begrijpt ge nu, dat deze gelijkenis in schooner licht treedt, zoodra we zien, dat slechts dit 't verschil is tusschen rots en „goede grond", dat 't eene onbewerkt steen en 't ander bewerkt steen is, door het water des Geestes gedeeld ?

Gevoelen we thans weer het verband, waarin deze scheppingsdaad staat met de daarop volgende, als de aarde weer verder bereid wordt? Wat voor den mensch het proces is der stofwisseling, is voor de aarde nu weer de kringloop van water. De bergstroomen zijn de spijskanalen, die overal neerleggen den „goeden grond", spijze voor het voedsel, opdat het brood straks kan uitspruiten, 't Loopt alles weer uit op den mensch, als laatste en schoonste scheppingswerk. Als we nu van de wolken afscheid nemen, gelooft ge dan dat het Woord recht heeft ze schatkameren te noemen?

„Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden ? " vraagt weer het boek Job, en ons aller antwoord zij: Neen, duizendmaal neen, O hoe ondoorzoekelyk zijn Zijne gangen. „Zie, wij zijn van gisteren en weten niets." Zoo zinken we in aanbidding weg voor den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, reeds als een tipje ons opgelicht wordt van dien grooten sluier, die over Zijne wijsheid is uitgespreid.

Richten we thans het oog op het tweede stuk arbeid, op den luchtband onder de schatkameren. Hier wordt ons vooreerst duidelijk dat het woord: „Hij maakte het uitspansel", op zijn plaats is. Die luchtband is materie, is van inhoud „stof". Hiermee komt een nieuw element in de schepping. . Daardoor krijgt de dag ook iets eigens. Sommige schrijvers zien dat voorbij en trekken daar door dezen arbeid geheel bij den derde dag. Deze ruimte is dus gevuld met veelsoortige stof. Niet wordt bedoeld het aanwezig zijn er in van de biljoenen stofjes, die we in het zonnelicht zien dansen. Echter hebben deze ook hun werk, hun betekenis. Zonder dit „stof" zou van regenverming weer geen sprake zijn. In de beteekenis, die we aan stof hechten, behooren daartoe ook de gassen. Dat dit inderdaad zoo aangemerkt moet worden, blijkt wel uit het feit, dat water uit niets anders dan twee gassen bestaat.

Lucht houdt dus in: stikstof in de eerste plaats, Vier vijfde deel van de lucht is er mee gevuld, dan zuurstof, koolzuur, waterstof. Deze gassen nu en het doel waartoe ze geschapen zijn, rechtvaardigen de uitspraak; »0p den tweeden dag is de groote voorraadschuur van voedsel geschapen." Men denkt algemeen, dat de planten hun voedsel uit de aarde, uit den grond halen. En dat is voor o zoo'n klein percent maar waar. Gerust mag gezegd; zoo goed als al hat voedsel voor de plantenwereld komt uit de lucht, haalt de plant uit de genoemde gassen. Nieuwere, onderzoekingen in de laatste halve eeuw hebben dit onomstootelijk bewezen, en daardoor is ook de groote verandering'gekomen in den landbouw. Voor dien tijd had het Woord weer ongelijk en kon er zonder de vorming van humus of gemeste aarde geen plantengroei zijn. En toch, het Woord had daar niet mee gerekend. Nu echter heeft het Woord weer gelyk, en is die teelaarde gebleken een gevolg te zijn van den plantengroei. Zelfs de wetenschap geeft nu weer permissie om op dit terrein het vol te houden: Uw Woord is de waarheid. Echter zou al die voorraad voedsel van geen nut zijn voor de levende schepping, als niet God in de plantendwereld ons de organen geschonken had, die dit „gebonden voedsel" voor ons ontsluiten. Het voedsel komt dus niet van de aarde, wel echter door de planten uit de aarde. Wij eten die planten en de planten worden opgebouwd om de genoemde gassen. Het noodzakelijkst tot den opbouw van de planten is noodig: koolzuur. Volgens berekening is hiervan aanwezig in den dampkring 422 billioen K.G. en toch zijn er slechts op 5000 maten lucht twee maten koolzuur. Rechtstreeks word dit voedsel uit de lucht opgenomen. Door een gestadigen kringloop, die we trouwens telkens opmerken in Gods schepping, vermindert deze stof niet in dè voorraadschuur. Echter denke men nu weer niet dat hier dus van onderhouden luttel sprake is. Neen ook dat gelijkblijven is b.v. weer afhankelijk van vulkanische uitwasemingen. Haast niet minder belangrijk is de waterstof. Even zij opgemerkt, dat het niet gemakkelijk is, om te concludeeren dit of dat is belangrijker, 't Is hier al net, zooals Jezus bedoelde toen hij sprak over het oog en het oor en den voet en de hand. Ten slotte grijpt alles in elkaar, kan het eene het andere niet missen. Ook deze waterstof komt rechtstreeks tot de plant uit de lucht als dauw. Ja zeker die dauw op een dorstig land, is zoo nuttig. Komt deze waterstof als regenwater, dan kan het op beide manieren, rechtstreeks uit de lucht en door den grond. Nu heeft dit water weer veel meer beteekenis dan we zoo oogenschijnlijk vermoeden. Het water op zich zelf is voedsel, maar tevens is het dienstig als tusschenstof, waardoor het mogelijk is, dat de andere voedingsstoffen in de plant komen.

Neem b.v. stikstof. Niet alle planten, hoewel de meeste toch, verwerken deze stof. In 2500 K.G. hooi vindt men b.v. maar 32 K.G, stikstof tegen 984 K.G. koolstof. Men heeft lang in twijfel verkeerd, hoe wel die stikstof tot de plant kwam. 't Blijkt, dat deze stikstof daarboven door middel van electriciteit der wolken in den regen vastgelegd wordt. Eigenaardig toch, dat, waar de wetenschap slechts kort nog de oplossing van dit pobleem heeft gevonden, het Woord over dezen samenhang spreekt.

In Zach. (10:1) staat: "begeert van den Heere regen ten tijde des spaden regens: de Heere maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld." Is het nu gezocht om hieruit de gevolgtrekking te maken, dat het Woord wel degelijk verband legt tussohen de electrische werking der wolken en den regen? Het zal immers ook toen opgemerkt zijn, dat vooral de regen bij een onweersbui zoo alleszins vruchtbaar is. Immers dan is de regen het rijkst aan stikstof. De kleur der bladeren wordt donkerder groen. Immers juist vormt dit stikstof weer met de andere gassen bladgroen., Bekend is, dat tegenwoordig in de landbouw veel gebruikt wordt Chili salpeter, een stikstofbevattende kunstmest. En, waar eenmaal die voorraad uitgeput zal zijn, hebben de onderzoekers deze stikstofvastlegging van den schepper afgekeken en zoo kan men thans ook de stikstof uit de lucht door middel van electrische vonken vastleggen in poreuse stoffen. Als nieuwe kracht zagen we dus optreden, de luchtelectriciteit, ontstaan uit de wisselwerking der wolken op elkaar, dus behoorend tot den tweede soheppingskring. Dat bazuingeluid in de wolken, die bliksemflitsen, ze beangstigen ons, maar vergeten we niet dat tegelijk zulk een zegenende kracht voor het aardrijk uitgaat van deze openbaring Gods in de natuur. Ja waarlijk Hij is in den toorn zijns ontfermens gedachtig.

De stem des Heeren is met kracht — de Stem des Heeren is met heerlijkheid (Ps. 29:4).

Rest nog om te zien, dat ook de zuurstof, als gas dus aanwezig in den dampkring, zijn rol vervult. Ook weer tot voeding voor de plant, er in gebracht door middel van het water, en met de andere verbonden, samen eiwitstof vormend. Daar evenwel het gehalte eiwitstof door de planten geleverd niet zoo groot is, bestaat veeleer de beteekenis dezer gasstof hierin, dat gij voor mensch en dier beide noodzakelijk is hij de ademhaling. Voor den mensch, wiens adem in zijne neusgaten is, natuurlijk van het grootste belang. Toch zou ook deze stof eer ons dooden dan ons lev«n onderhouden indien zij niet, a. h. w. verdund werd door de stikstof. Bezien we zoo het scheppingsgewrocht van dezen tweeden dag, Me dunkt wij schepselen, wier adem op gaat naar boven tot God, bij het weinige ons nog maar geopenbaard, wij hebben toch stof te over om onzen God groot te maken, over de majesteitelijke heerlykheid, waarmee Hij zieh zelf beschrijft in het Boek zijner schepping.

Hoe groot zijn Heer Uw werken, Hoe ver gaat Uw beleid.

Gij stelt met majesteit Elk deel zijn juiste perken.

R.

P. A. V. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Een Scheppingsdag.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's