Stichtelijke overdenking.
En zij zongen het gezang van Mozes enz. Openb. 15:3 en 4.
Uwe oordeelen openbaar.
't Gaat in de wereld zoo wonderlijk toe; de draden des levens liggen dikwijls zoo verward. Immers de heilige Job zit op een aschhoop, en de goddelooze Farao op een troon.
Of triomfeert de booze Kaïn niet over zijn Godvreezenden broeder Abel, dien hij doodslaat? gaat de gewetenlooze Achab niet vrij uit, de rechtvaardige Naboth gesteenigd wordt?
t Schijnt zelfs alsof de Bestuurder der wereld een premie gesteld heeft op de boosheid en een straf op de godzaligheid. 'tGruwelbedrijf maakt vet, en die God vreezen worden met smarten geslagen, zegt Asaf in Ps. 73. De trotsche rijkaard maakt zijn rijkdom tot de stad zijner sterkte, spert zijn mond open legen God, mergelt zijn werklieden uit, noemt den Bijbel ballast op school en het bederf voor den arme, noemt een christelijke regeering de grootste ramp voor een land — en 't gaat hem goed; steeds beter. Terwijl de zwoegende arme, door God gezet in een huisgezin, meer eerbied toont voor den Heere en Zijn dienst dan voor een mensch, waarbij de rijke groeit en de arme verjaagd wordt; waarbij de rijke overwint en de vader van een huisgezin wordt vertreden, om te lijden honger en kommer.
De draden des levens liggen dikwijls zoo verward.
De zorgzame moeder teert weg door een gevaarlijke en ongeneeselijke ziekte en sterft jong weg; de dronkaard, die zijn gezin is tot een vloek, blijft leven en wordt oud. De blanke lelie wordt door-booze hand geknakt, de bloeiende roos door schennende vingers afgerukt van haar stam, maar onkruid vergaat niet.
Zou het God weten? Zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? Is er geen Rechter die 't beslist? Zou het tevergeefs zijn om God te dienen ?
Dit leven is de proeftijd voor de eeuwigheid; en voor dezen proeftijd geldt, bij armoede of rijkdom, bij voorspoed of tegenspoed: „bij den Heere is geen onrecht; Hij is de Rotssteen, Wiens weik volkomen is".
De geschiedenis van de Roode Zee, waar Israel droogvoets werd doorgeleid en waarin Farao met al zijn ruiters verdronk, is daarvan een type of voorbeeld.
O! hieraan gedachtig wordt 't lichter voor de ziel; de duistere en donkere wolken breken door. God regeert.
En ja, bij den Heere is wetenschap en bij den Allerhoogste is recht!
Hij kent Abel en Hij kent Kaïn; Hij kent Job en Hij kent Farao; Hij kent Achab en Hij kent Naboth; Hij kent den rijke dwaas en den armen Lazarus; Hij kent alles en allen; en verre zij God van goddeloosheid, verre zij de Almachtige van onrecht!
O! gewis er zijn veel raadselen, maar het is niet tevergeefs dat de dwaas zijn mond openspert tegen God; 'tis niet tevergeefs dat Israel hoopt op den Heere!
De apostel Johannes ziet in de toekomst op de eindbeslissing. En dan moet hij uitroepen: „Groot en wonderlijk zijn Uwe werken, HEERE, Gij Almachtige God!"
Hij ziet het oordeel over de booze wereld uitgewerkt — en 'tis alles vol recht en gerechtigheid, men kan er door héén zien tot op den bodem en er is geen onrecht aan verbonden.
Hij ziet Sion, Gods volk, als een volk van overwinnaars aan de kusten van het hemelsch Vaderland hierboven, vervuld met blijdschap, zaligheid en vree — en 'tis alles recht en gerechtigheid, men kan er door héén zien tot op den bodem, en er is geen onrecht aan verbonden.
't Zal dan een geschiedenis zijn, gelijkend op de geschiedenis van Israel bij de Roode Zee.
Wat zijn daar ontzettende, groote, wonderlijke dingen geschied.
Farao, die aan Mozes zoo dikwijls gevraagd had: „bid voor mij tot uw God, opdat Hij mij en mijn volk niet verteere", had alle vrees afgeschud en zou het nu in volle wapenrusting wagen om zich tegen God te verzetten en Gods volk te onderdrukken.
En dan gaapt de Roode Zee reeds om zijn vleesch te verslinden en zijn ruiters te dooden !
Israël beeft bij het hooren van het gekletter der wapenen en bij het luisteren naar het ratelen-der-wielen van de strijd wagons, die verwoesting zullen brengen onder Gods Bondsvolk.
En dan staat God gereed, om zijn volk te zijn tot een schild en tot een Bevrijder, zoodat geen klauw zal worden geroofd I
Zou God het weten, nu Farao's paarden snuiven, nu Israels harte beeft?
Ja — God weet het! En Farao verdrinkt, Israël wordt gered. „Groot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, Gij Almachtige God!"
En laat nu ieder maar naderen om de zee te overzien. Rood door bloed, rood door den glans van het vuur, dat nederdaalde van boven tot dood en verderf.
Maar zie maar tot op den bodem van de zee en Farao's dood en Israels redding is enkel recht en billijkheid; 't is alles zonder vlek en zonder rimpel.
En als de ziener van Patmos het laatste tafereel van het oordeel vooruit mag zien en Sion staat op de kust van het hemelsch Kanaan, terwijl de booze wereld is vergaan onder Gods toorn — dan ziet hij Sion staande bij een glazen zee met vuur gemengd, aanschouwende Gods onkreukbare rechtvaardigheid in alles en Gods wondere wijsheid in al Zijne wegen !
Hoe is Zijn liefde en trouw over Zijn volk volmaakt.
Hoe is Zijn toorn en Zijn straf over de goddeloozen vlekkeloos heilig.
Zuiver als kristal. Ook al kleurt het vuur van Zijn grimmigheid alles rood.
„Die de overwinning hadden van het beest en van zijn beeld en van zijn merkteeken en van het getal zijns naams."
't Verloste volk wordt hier dus voorgesteld als een volk, dat uit de klauwen van Satan is verlost, dat uit het dienslhuis van den booze is uitgeleid, dat het in den dienst der zonde niet meer kon vinden, dat geweigerd heeft de wereld meer gehoorzaam te zijn dan Gode - en daarom is vervolgd, geplaagd, getergd, verdrukt, tot bloedens en stervens toe benauwd.
Wat een geschiedenis van zonde en schuld, van lijden en smart ligt in deze teekening!
O ! wat heeft de zonde, de wereld, de booze, de ongerechtigheid een breede plaats in 't leven van Gods kind.
't Gaat voor Gods kind, om als een vuurbrand, door de rook en door het vuur reeds geschonden, uitgerukt te worden in het midden van den ondergang! Waarbij het harte zoo dikwijls moet zuchten: „wat zal het einde zijn? " Waarbij de ziele bij tijden kermt: „zou het God weten? "
Maar ziet, dat volk, dat door den Heere wonderlijk is verkoren tot de zaligheid, dat door den Heere genadiglijk is toegebracht tot de kennisse des lichts, dat een vreeselijken strijd moet doormaken met de drie doodvijanden. Satan, wereld en eigen vleesch - dat volk wordt door den Heere bewaard voor het hemelsch Kanaan, om daar dan te beërven de zalige ruste, die er over blijft voor het volk van God. Waarbij zij te zamen dan een lied aanheffen, een hemelsch.lied, waarvan de inhoud gelijkt op het lied, dat Mozes eenmaal liet zingen toen men aan de overzijde van de Roode Zee op het droge stond en den machtigen vervolger Farao in de wateren had zien verdrinken.
Een lied ter eere Gods, om Hem te prijzen voor Zijn hulp en bijstand, voor Zijn liefde en trouw, voor Zijn menigvuldige verlossing.
Een lied om Hem groot te maken, dat Hij alle vijanden heeft willen te niete maken, om al de Zijnen binnen te brengen binnen de poorten van de eeuwige Godsstad, binnen het hssmelsch Jeruzalem.
„Groot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heere, Gij Almachtige God!"
Ja, dat mag Sion wel getuigen; vooral als het mag terugzien op al den weg, dien God met hen gehouden heeft. Vooral als Sion eenmaal in den hemel zal zijn en alles zal zien in het. rechte licht!
Wat zijn al Zijne gedachten van eeuwigheid wijs; wat is de hand Zijns welbehagens volmaakt ; wat zijn Zijne paden recht. Zijn daden met majesteit en heerlijkheid.
O! wat is dat werk van Jezus Christus, rood door bloed, volmaakt en kostelijk voor Gods gunstgenooten. Al Gods deugden zijn bevredigend; al Zijn recht voldaan; al de zonden verzoend; al de schuld betaald.
Helder als kristal. Zonder vlek en zonder gebrek. , Het kan en het mag tot op den bodem worden doorzien. Al wat de Heere gewrocht heeft zal juichen tot Zijn eer!
O! wat heeft Gods volk stoffe om God te prijzen!
O! wat moet een zondig en wederstrevend volk, dat door den Heere is aangenomen en door Hem wordt geleid en bewaard tot in eeuwigheid. Zijn wondere goedheid en barmhartigheid loven.
Voorspoed en tegenspoed, vreugd en smart, 't wordt alles vol wijsheid en liefde en goedheid beschikt, opdat de ziele zal leeren zich te gewennen aan God en te ervaren dat .Hij Sions Rotssteen en sterkte is, Wiens werk volkomen is.
Wat is het goed om op den Heere te hopen, ook in dagen van benauwdheid!
En alle degenen, die zich blijven verharden en onbekeerd wegsterven, ze zullen ervaren dat alle voorspoed en vreugd, alle sterkte en eere minder dan ijdelheid is. En als ze zullen worden stuk geslagen met Gods roede, als ze voor eeuwig zullen vergaan, als ze ellendig zullen omkomen, geworpen in de buitenste duisternis, alwaar weening der oogen en knersing der tanden is — dan zullen ze allen moeten getuigen, dat des Heeren werk met Zijn volk en des Heeren daden met Zijn hateren vol recht en gerechtigheid zijn.
Dan zal de hemel spreken en de hel zal zwijgen.
Bij de hel geen tegenspraak en bij den hemel enkel lof:
„Groot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uwe wegen, Gij Koning der heiligen."
Zalig de ziel, die by God mag schuilen en zich verblijden in Zijn werk, in Christus geopenbaard!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's