De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus.

7 minuten leestijd

VRAAG. Is onze Herv. Kerk een Kerk die er een  belijdenis op nahoudt of is elke leer in haar midden geoorloofd?

ANTWOORD. Dat er van 't begin af aan tegen de organisatie van 1816 is geprotesteerd, als ook dat er telkens een stem opging tegen de wijzigingen die in het Kerkelijk leven en in de leerstellingen werden aangebracht, is bekend.

Vanaf 1816 is onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis van protesten in deze vol.

Maar dat er betrekkelijk zoo weinigen waren die in 't openbaar hun meening verkondigden in deze — moeten we nog eens even nader bespreken. Als ook dat het protest in de Herv. Kerk zoo weinig baatte.

En dan is de oorzaak deze, dat op gruwelijke wijze van 't begin af aan het recht verkracht is en alles naar den Kappeyneschen regel ging: dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden, want ze zijn als de vlieg die des apothekers zalf stinkende maakt.*

Allereerst is de organisatie zelf smet den meesten spoed» ingevoerd. Dat was naar des Konings bevel. Men liet aan de Kerk zelfs geen tijd van beraad over.

Toen 2 maanden na de afkondiging die op 7 Jan. 1816 geschiedde de bezwaren in de classis Amsterdam in kwamen (7 Maart 1816) heeft de Commissaris-Generaal namens den Koning het hooghartige antwoord gegeven ïdat men als onderdanen van den Staat liever het voorbeeld moest geven van vertrouwen in den Souverein en gehoorzaamheid aan Zijn wetten!" Heel de kerkelijke kwestie werd dus een Staatszaak gemaakt. En per gratie mocht men z'n bezwaren in brengen bij de Synode van 1816 —van welk lichaam men juist het rechtmatig bestaan betwijfelde en waaromtrent men van den Koning inlichtingen gevraagd had.

Men hief de classes eenvoudig op. Met den laatsten Maart was zij volgens Koninklijk bevel, verdwenen, en daarna mocht men klagen bij het lichaam, dat... men liefst niet wilde erkennen!

En dat door een Oranjevorst aangedaan! Bij een weinig nadenken komt elk rechtsgevoel hier tegen op in luid protest!

Ook met de classes Leiden en Woerden ging het eigenlijk zoo.

En toen in Axel de kerkeraadsleden verklaarden, dat de Synode een onwettig lichaam was en zij zich niet aan de verordeningen der Synode wenschten te onderwerpen, zette het Provinciaal Kerkbestuur van Zeeland deze kerkeraadsleden eenvoudig, zonder vorm van proces, af en zette er andere mannen voor in de plaats!

En de predikanten, waarom zwegen die zoo veelszins? Vooreerst moet men denken, dat heel de kerkelijke organisatie een zaak des Konings gemaakt was. Hij, de Souverein, deed dit. 't Geschiedde eenvoudig op Rijks-bevel. En dus: die zich verzette, verzette zich tegen den Koning, tegen de landswetten.

En de predikanten waren zooveel aan den Koning verplicht. Men was ook nauwelijks tot rustige.tijden gekomen. De regeering des Konings was, pas na de dagen der revolutie en Napoleon ons schrikbewind, zoo aangenaam en zegenrijk, 't Was alles een Gods-geschenk. En om zich dan tegen dien Koning die zeide: wie zich tegen deze kerkelijke organisatie verzet, verzet zich tegen mij — om zich dan tegen dien Koning te verzetten, 't Was zoo moeilijk. De Oranjevorst bedoelde het zoo goed. Ook had hij zoo uitermate goed voor de predikanten en hun gezinnen gezorgd. Sinds December 1810 was immers de uitbetaling van de tractementen geheel gestaakt — eerst in den zomer van 1812 werd het 1ste kwartaal van 1811 en in Nov. 1812 nóg een half kwartaal uitgegekeerd.

Alles lag in de war. Tal van predikanten, met een gezin, hadden in 2 1/2 jaar niet meer dan f 250 ontvangen. Dat was, te meer waar de volkswelvaart overal kwijnde, schrikkelijke armoede in alle pastorieën. Alles moest worden verkocht. Geen boek meer in de kast. Geen gouden of zilveren sieradiën meer in eenige pastorie. Honger werd geleden. Predikanten gingen naar het armbestuur om bedeeling. Eén stierf zelfs van honger! En toen kwam na den val van Napoleon, Willem I in 1813 als souverein vorst. Dat zou verandering geven. En er kwam verandering. Bij besluit van 19 Januari 1814 werd de uitbetaling der tractementen geregeld.

Wat een vreugd in de pastorieën! Als een Vader had de Koning gezorgd voor de predikanten en hunne gezinnen. Alles kon weer z'n gewonen gang gaan in de Kerk.

En ach — toen de Vorst in 1816 — terwijl de Grondwet van 1815 hem in't minst geen recht daartoe gaf — zoo eigenmachtig ingreep in het Kerkelijk leven en alles met zijn machtwoord zette naar zijn wil — ja — was het toen niet moeilijk, héél moeilijk, om tegen dien Vorst zich te verzetten, die zoo goed, zoo héél goed voor de predikanten gezorgd had?

Neen 't is geen verontschuldiging voor de predikanten. Maar hier ligt toch voor een groot deel de verklaring, te meer waar héél het volk snakte naar rust na de stormachtige, diep ellendige jaren, die waren voorbij gegaan.

De Koning bedoelde het toch goed.

En zich tegen een onrechtvaardige zaak, die met vriendelijke hand wordt aangedaan te verzetten is soms zoo moeilijk.

Vooral als 't de hand van een Oranjevorst is. In dagen dat Nederland en Oranje pas weer vereènigd waren

Zoo komt het, dat het verzet zoo weinig, zoo voorzichtig, zoo behoedzaam was.

Waarbij kwam — we hebben het reeds gehoord — dat aanstonds van regeeringswege een hooghartige toon werd aangeslagen en met het ergste bedreigd. Toch zag en voelde men wel, dat het met »de leer der Herv. Kerk, vervat in de formulieren van.eenigheid" niet goed ging.

De proponentsformule was er op ingericht, om goed te schijnen, maar slecht te werken.

Het oordeel over de formulieren van Doop en Avondmaal had de bedoelingen van de Synode méér nog doen kennen — om voorzichtig te zijn.

Ds. N. Schotsman had luidde getuigd, toen in 1819 herdacht werd dat voor 200 jaar de Dordtsche Synode saam vergaderde.

En toen kwam ook de Haagsche predikant Ds. Dirk Molenaar, — nóg bekend o.a. door zijn catechimuspreêken — met een bittere klacht over het verval van de Ned. Herv. Kerk,

In 1827 gaf hij evenwel met verzwijging van zijn naam — zijn adres aan alle mijne Hervormde Geloofsgenooten.

Daarin waren zware beschuldigingen tegen den in de Kerk heerschende geest en eene zeer scherpe afkeuring van de bestaande Kerkorde."

Dit adres kwam ter kennis van den Koning, die door zijn Minister van Justitie onderzoek liet doen naar den schrijver. Allhans de staats-ambtenaar diende bij Z. M. een rapport in, waaruit bleek dat het stuk gevloeid was uit de pen van den straks genoemden predikant Molenaar. »

Deze wendde zich tot den troon, »te kennen gevende, een innig smartgevoel te hebben, dat deze zaak ter 's Konings kennis was gekomen en Hoogt des zelfs ongenoegen had verwekt; en verklarende het geheel tegen zijn doel en wensch te zijn, door zoodanig een adres eenige scheuring of onrust in de Vaderlandsche Kerk te verwekken; voorts de stelligste verklaringen afleggende van zijne goede bedoelingen en daar hij met leedwezen ziet, dat de aangewende middelen een tegenovergestelde opvatting ondergingen en dus zeker niet doelmatig waren, de hoop betuigende, met deze verklaring, onverminderd in Z. M. goedgunstigheid te deelen; verzekering gevende, dat door hem niets ondernomen zal worden, hetwelk den schijn hebben kan van de rust der Kerk te verstoren".

Waarop de Koning in antwoord te kennen gaf, dat Hoogstzelve het bewuste geschrift »met ongenoegen en afkeuring had gelezen; doch niettemin, in aanmerking nemende de betuigingen omtrent zijne bedoeling, gezindheden en leedwezen, door denzelven bij zijn opgemeld rekest gedaan, voor het tegewwoordigt deze voor Z. M. zéér onaangename zaak daarbij zou laten rusten; in het vertrouwen, dat de rekestrant zich zorgvuldig zal onthouden van alles, wat de rust in de Herv. Kerk zoude kunnen storen en zich overeenkomstig de wetten en reglementen zal gedragen, "

Wat een overheidsbemoeiingen! En dat door een Oranjevorst! En och! wat een held in angst was die Ds. Molenaar!

{Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vragenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's